+ Meer informatie

VERBOND EN KERK IN DE PREDIKING

11 minuten leestijd

1. Verbond en prediking

De twee onderwerpen die ik wil bespreken horen eigenlijk helemaal bij elkaar. Ook als ik ze toch even uit elkaar houd, is het verband te tasten. Het gaat wat het verbond betreft vooral om een gesprek over aspecten die van belang zijn voor de prediking. We realiseren ons, dat het verbond ook bij de andere thema’s — wedergeboorte en bevinding, zoals die door prof. Kamphuis worden besproken — een rol speelt. Als ik eerst op het verbond inga, onderscheid ik twee aspecten: het verbond als achtergrond van de prediking en het verbond als thema in de prediking.

HET VERBOND ALS ACHTERGROND VAN DE PREDIKING

Als God tot ons spreekt, is dat in de verbondsgemeente. Of liever: het verbond der genade begint juist met Gods spreken tot de mens. God riep Abraham, en maakte zijn verbond met hem (Gen. 12, 15 en 17), en God wees daarna Israël aan als volk van het verbond. Vanaf de brandende braambos (Ex. 3), en het hele boek Exodus door, ja tot en met Deuteronomium, is God sprekend bezig het volk aan Zich te verbinden. Dat bepaalt nog altijd de kerk. Een oud kerkelijk zegel — nog in de CGK in gebruik — heeft de woorden ‘Nec tamen consumebatur’ (‘en werd niet verteerd’) rond de afbeelding van de brandende braambos.

Hoe is de mens daarin? Als partij in het verbond? Ja, maar met niets meer dan geloof. En dat is dan nog royaal uitgedrukt. Abrahams woorden getuigen misschien nog eerder van ongeloof. Als er staat dat de HERE Abrahams geloof rekende tot gerechtigheid (Gen. 15:6), klinkt dat bijna ironisch, maar het is wonderlijk genadig! Waar wordt het verbond verder door bepaald? Niet door wat wij zeggen, maar door wat de HERE zegt: ‘Ik zal, Ik zal, en gij zult’ (Gen. 17). En Abraham lacht van ongeloof bij de belofte van een zoon. Toch gaat het door! God verbindt Zich aan zijn volk. Hij verbindt zijn volk aan Zich. Het mag veel accent krijgen dat het verbond van Gods kant komt!

Gods verbond is verbond der genade, dat is honderd procent waar. Daar wordt de verhouding tussen de HERE en de verbondsgemeente door gekenmerkt. Dat kenmerkt ook de prediking: het is prediking van de genade. Immers, in het centrum van de bediening van het Woord staat dat God spreekt tot zijn volk. De prediking is Gods vormgeving aan de verhouding tussen God en zijn volk. Dat is de vorm van Gods spreken, en de vorm van het verbond. Dat betekent dat prediking altijd aanspraak is, en nooit vrijblijvend. Een preek is geen verhaal, en geen referaat, maar spreken namens de HERE, waarop antwoord moet komen. In een tijd waarin de mens zo centraal staat met zijn verlangens en behoeften mag dat wel worden benadrukt. Gemeente-zijn bestaat van wat de HERE zegt. God zegt: ‘Ik zal’ en ‘gij zult’. Alleen zo is de mens in beeld.

Ook in het nieuwe verbond is dat zo. ‘Ik zal u tot een God zijn en gij zult mij tot een volk zijn’ (Jer. 31:33). De relatie tussen God en de gemeente blijft er een van genade en geloof. Dat geldt voor de beloften evengoed als voor de eisen van het verbond.

Het Nieuwe Testament wijst uitdrukkelijk terug naar het Oude als achtergrond van wat in Christus geschonken wordt. Het is nieuw, maar er is ook continuïteit met het oude. Zacharias zingt op de drempel, dat God zijn verbond gedenkt (Luk. 1:72). Bij de instelling van het avondmaal spreekt de Here Jezus over het ‘bloed van mijn verbond’ (Matt. 26:28). Zo bewaart het nieuwe een centraal element uit het oude verbond: de verzoening.1 Hoe komt ook bij de verzoening alles van Gods kant!

Als vanuit het verbond vast ligt, dat in de prediking alles van Gods kant komt, dus genade is, dan geldt vervolgens, dat er in de functionering van het verbond twee kanten, twee partijen zijn. Ook dat is essentieel voor de prediking. In dat kader staan ook beloften en eisen van het verbond.

Zo kunnen we het hebben over ‘het adres van de prediking’.2 Elke predikant zal zich bewust moeten zijn van dit verbondskarakter van de gemeente. Dat betekent niet dat de gemeente ergens geestelijk gearriveerd is. De beloften zijn geschonken, maar zonder geloof en gehoorzaamheid is de vervulling van de beloften er niet, maar is juist waarschuwing en oordeel op zijn plaats.

De genademiddelen — prediking en sacramenten — zijn levende middelen waardoor de Here het verbond tot stand brengt en in stand houdt. Dat zet een predikant onder spanning. Dat zal hem — net als Mozes — zelf als eerste voor het aangezicht van God plaatsen met vragen over zijn eigen verhouding tot de Here. Zo moet iemand dienaar van het Woord zijn: de klem van het Woord, van beloften en van eis, aan de gemeente voorhouden.

HET VERBOND TER SPRAKE IN DE PREDIKING

Dat het verbond ook ter sprake dient te komen in de prediking is met het voorgaande al wel duidelijk.

We hebben alle reden om rijk over de HERE, de God van het verbond, en over zijn beloften te spreken! Positief, als aanspraak van Gods barmhartige liefde, zonder dat het verbond ook maar in de geringste mate iets statisch wordt, waarbij valse gerustheid wordt gevoed. Er is Gods bemoeienis, en Gods welbehagen om naar mensen om te zien. Het begrip ‘weldaad’ mag glanzen in de prediking!

In dit opzicht mogen CGK-predikanten soms wel wat vrees overwinnen. Er is wel eens negatief over het verbond gesproken, uit vrees dat daarin ‘automatisch’ het persoonlijk delen in het heil zou worden verondersteld. Maar Gods verbond is niet riskant! Als God spreekt tot Israël, en tot de gemeente, is dat altijd zowel belofte als ter verantwoording geroepen worden. Als de prediking alleen geruststelling ademt: ‘We zijn toch verbondsgemeente, en dus zit het wel goed’, dan wordt een valse gerustheid gewekt. Dat past niet bij het genade-verbond.

Prof. W. Kremer zei ooit — en terecht — dat de kinderen van Abraham ook nog kinderen van Adam zijn. De positieve, belovende kant van het verbond bestaat niet zonder de vermanende, appellerende kant. Zonder persoonlijk geloof, dat Gods Geest belooft in ons te werken, dragen de beloften geen vrucht. Dan ligt Christus, zoals Calvijn zei, in de beloften ‘werkeloos’ terneer.

Daarbij gaat het om behouden worden of verloren gaan. Een verbondskind hoort net als de anderen van nature bij de ‘kinderen des toorns’, en zonder een nieuw hart gaat het verloren. In het Oude Testament is dat duidelijk, in het Nieuwe niet minder. Zie 1 Kor. 10:1–5 ‘allen onder de wolk en in de zee, maar God had in het merendeel van hen geen welgevallen’. Openb. 2 en 3 laat ook verbondsgemeenten zien als Sardes en Laodicea. De dwaze meisjes uit Matt. 25:1–13 staan buiten. In Matt. 7:21 waarschuwt de Here Jezus voor mensen die ‘Here, Here’ roepen, maar die Hij niet kent.

Als de God van het verbond voor ons realiteit is, is de prediking altijd heerlijk en vreselijk tegelijk. Beide aspecten behoren tot de rijkdom van de preek. Het gaat dan niet om een soort evenwichtsconstructie. Het gaat om de bediening van het Woord. Niet altijd kan en moet alles gelijkelijk worden gezegd.

Ik signaleer in het kort, dat tussen ons soms een taalprobleem ligt, als de notie van tweeërlei kinderen des verbonds, of kinderen Gods, ter sprake komt. In christelijke gereformeerde oren is een ‘kind van God’ een wedergeborene, door Gods genade een gelovige. In vrijgemaakt gereformeerde oren is een kind van God een verbondskind, waarbij het soms lijkt of de noodzaak van het ook persoonlijk deel krijgen aan de genade overgeslagen wordt. De belofte lijkt dan genoeg te zijn, ook zonder de vervulling van de belofte te noemen.

In chr. geref. oren kan de noodzaak van die vervulling wel eens zo zwaar worden benadrukt, dat de rijkdom van de vervulling, die er ook altijd is in de gemeente, soms wordt vergeten. Of het Woord moet ledig zijn teruggekeerd. Maar dat gebeurt niet, zegt de Schrift. Het Woord zal doen wat God behaagt, en dat volbrengen waartoe Hij het zendt (Jes. 55:11). Daarom is preken ook zulk schitterend werk!

Met behulp van eikaars oren kunnen we misschien met te meer aandacht horen naar het Woord van onze God over de weldaden van het verbond..

2. De kerk in de prediking

Op veel manieren geeft de Schrift aanleiding de (rijkdom van de) kerk thematisch aan de orde te stellen. In willekeurige volgorde geef ik enkele voorbeelden.

— Over het fundament van de kerk: Matt. 16:18 ‘op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen.’ Blijkbaar iets belangrijks!

— De gemeente mag niet worden veracht: 1Kor. 11:22.

— Het is roeping de gemeente op te bouwen: 1Kor. 12–14.

— Christus is gegeven aan de gemeente! Ef. 1:22; 5:23–29; Kol. 1:18, 24.

— De verhoogde Christus geeft een karakteristiek van bepaalde gemeenten. Hoe is Hij erin geïnteresseerd! Zie Openb. 2 en 3.

— De gemeente is de bruid van Christus: Openb. 22:17; vgl. Matt. 25:1–13; 24:40vv

— Van de kerk gelden de bijbelse aanduidingen ‘volk van God’, ‘lichaam van Christus’ en ‘tempel van de Heilige Geest’! Dat gaat boven het persoonlijke uit.

Zulke noties moeten ook in de prediking een plaats hebben.

DE GEMEENTE ALS CENTRUM VAN HET HEIL

Met het oog op de bezinning op wat gereformeerde prediking is, moeten we zicht hebben op de gemeente als centrum van het heil. De kerk is er vanwege Christus, en vanwege de verlossing in Zijn volbrachte werk. De kerk komt ter sprake vanwege het heil. En het heil is exclusief heil in Christus. Daarom staat het behouden worden niet voor niets zo centraal in de prediking. Dat is ook van belang voor de vraag naar de plaats van de kerk in de prediking.

Het is misschien — zeker vanouds — een tendens in de GKV om de kerk zeer centraal te stellen in de prediking. En mogelijk is er in de CGK een tegengestelde tendens: om de kerk over te slaan in de prediking en alleen het persoonlijk delen in het heil ter sprake te brengen.

In onze belijdenis gaat het over de gemeente die zalig wordt, (NGB art. 27), en die uitverkoren is (HC antw. 54). Maar tegelijk ligt het accent op het persoonlijke: naar NGB art. 28 is ieder schuldig zich te voegen bij de ware kerk.

Is het ‘wij geloven’ van de artikelen die gaan over de rechtvaardiging en de heiliging en over de voorbede van Christus (art 22–26 NGB) collectief of persoonlijk? En is zondag 1 van de HC kerkelijke taal of taal van het persoonlijk geloof? We zullen beide moeten zeggen. En er moet bezinning zijn op de vraag hoe dat in de praktijk van de prediking aan de orde komt.

GEEN COLLECTIVISME EN GEEN INDIVIDUALISME

Daarom formuleer ik enkele stellingen om duidelijk te maken dat het gemeenschappelijke van het kerk-zijn niet gemist kan worden, maar dat ook het persoonlijke van het individueel delen in het heil niet gemist kan worden in de preek, waarbij ik probeer mogelijke eenzijdigheden aan beide kanten te benoemen en bespreekbaar te maken.

Tegenover een GKV kerkidee (zoals het soms werd vermoed)

— De kerk kan niet zonder vermaning. Het laatste woord van de preek kan nooit zijn: ‘Wij zijn/hebben toch de kerk.’

— De kerk kan nooit in plaats van Christus komen. De kerk deelt het heil niet uit. De kerk leeft zelf van het ontvangen. Er is altijd het tegenover van Christus en de kerk.

— De kerk kan nooit in plaats van de Heilige Geest komen. Zo is het bij Rome. Er is echter altijd het tegenover van Geest en kerk.

Tegenover CGK praktijk (zoals die soms wordt waargenomen)

— We mogen de kerk nooit vergeten. Zondaren worden niet zalig zonder de kerk. ‘Buiten de kerk geen zaligheid’ zegt ook onze belijdenis (NGB art. 28).

— De kerk is gemeente van de Here Jezus Christus. Dat mag de aanspraak van de prediking zijn. Maar dat betekent niet dat ‘onderscheidenlijk preken’ overbodig is. Integendeel.

— Er mag wel wat meer zicht zijn op de gemeente als gemeente van de uitverkorenen, zoals Ef. 1 en 2 zeggen en de belijdenis evenzo (HC antw 54), zonder dat daarmee de laatste ernst van de waarschuwingen wordt vergeten; en zonder dat daarmee het persoonlijke karakter van het heil wordt vergeten. Wat een rijkdom is de kerk, als Gods Woord zegt, dat Christus als Hoofd boven al wat is gegeven is aan de gemeente! (Ef. 1:22). Dan gaat het niet alleen maar over je eigen ziel!

TENSLOTTE

Als we het semper reformanda als wezenlijk voor de kerk inhoud willen geven in deze tijd, zullen GKV en CGK elkaar in de prediking moeten opscherpen. Ter wille van de koning van de kerk.

1 Zie de artikelen van M.C. Mulder, in H. Hagoort (red.), Het verbond van God met mensen, Heerenveen 1999

2 W. Kremer, ‘Het adres van de preek’, in: Priesterlijke prediking. Een bundel eigen werk, ver-zameld en aangeboden ter gelegenheid van zijn gouden ambtsjubileum. Amsterdam 1976, 59–79. Zie ook Christo J. Helberg, Prediking in Barensnood, ‘n Ondersoek na die korrekte adressering van die preek en aanspreke van die gemeente, n.a.v. die diskussie in veral Gereformeerd-Vrygemaakte kringe in die twintigste eeu. Doktorale Skripsie Amptelike Vakke ThuK, Broederweg, Kampen 2000. Helberg sluit zich sterk bij Kremer aan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.