+ Meer informatie

Kerk en sociale gerechtigheid *

8 minuten leestijd

De discussie die vandaag gevoerd wordt over de wijze waarop de kerk betrokken dient te zijn bij het politieke en maatschappelijke gebeuren is een discussie die ontelbaar velen bezig houdt. Dat is zeker terecht ! Het gaat bij deze discussie om problemen waaraan niemand zich kan en mag onttrekken. Het christenzijn is totalitair: Het heeft te maken met alle aspecten van het leven. Het politieke en maatschappelijke leven staan bepaald niet buiten de beleving van het christen-zijn. Hoe moet evenwel op dit terrein het christen-zijn beleefd worden ?

Het is deze vraag waarop dr. De Ru ingaat. Hij doet dat in gebondenheid aan wat de Schrift ons op dit punt zegt. Daarbij schrijft hij op een heldere, doorzichtige wijze. In de hedendaagse discussie is het boek van dr. De Ru een uiterst waardevolle bijdrage. Ik aarzel dan ook niet om dit boek van harte aan alle ambtsdragers in onze kerken ter lezing aan te bevelen. In dit boek wordt op een verantwoorde wijze leiding gegeven bij vragen waarmee iedere ambtsdrager — op enigerlei wijze — geconfronteerd wordt.

In het eerste hoofdstuk worden een aantal hedendaagse verschijnselen van revolutionair denken en handelen geanalyseerd. In verreweg het grootste gedeelte van het boek — de hoofdstukken twee tot en met vijf — worden vervolgens de gegevens uit (of in verband met) de Schrift ter sprake gebracht. Gehandeld wordt over ”De ”sociale critiek” der profeten in Israël en Juda”; ”Revolutionaire bewegingen in Israël rondom het begin van onze jaartelling”; ”Jezus en de revolutie" en ”De christen en de staat”. In de laatste twee hoofdstukken worden de conclusies getrokken. In welke richting deze conclusies gaan is duidelijk uit de titels van de hoofdstukken: ”Tegenover de verleiding der revolutie de oproep tot bekering” en ”Geen avant-garde van Gods revolutie maar navolgers Gods als geliefde kinderen”.

Dr. De Ru maakt onomstotelijk duidelijk, dat Jezus niet gezien kan worden als de brenger van een nieuwe sociale of politieke ordening. Hij bracht het heil dat allereerst verlost van de nood van de mens als zondaar voor God. Als ik een — iets langer — karakteristiek citaat mag geven: ”Wij verschralen en verengen de blijde boodschap van de ”kenosis”, de ontlediging (Phil. 2:7), als wij Jezus maken tot ”partijganger der armen”. Nergens scaat in het Nieuwe Testament: Jezus had de armen lief. Wel staat er, dat Hij zondaren liefhad, d.w.z. mensen zoals ze waren in hun armoede én rijkdom, in hun vervreemding van God, de enige Helper. Als een magneet trok Hij tollenaren en zondaren en publieke vrouwen tot Zich en at met hen (de tafelgemeenschap !) tot grote verontwaardiging van de overpriesters en schriftgeleerden … Ondanks hun (betrekkelijke) rijkdom waren deze allen echter armer dan arm. Daar gaat het om ! Zoals de man, die te weinig schuren had om de opbrengst van zijn oogst — allemaal ”het zijne” ! — te bergen, niet begreep, dat hij — zoals Ambrosius later zou zeggen — met zijn overvloed de monden en magen van weduwen en wezen had moeten vullen, maar nieuwe schuren bouwde om zijn rijkdom te bewaren voor zichzelf … in één nacht alles, in één nacht zijn leven verloor. Er was voor hem geen dageraad meer vanwege zijn ”armoede” — maar het was een andere armoede, fataler, dodelijker dan die waartegen sociale hervormers vechten ! De accentuering van de armoede in Jezus’ bestaan en prediking is niet in overeenstemming met wat wij uit de Evangeliën leren. Ze leidt de aandacht op tragische wijze af van de ”armoede” der zonde en der godverlatenheid, waaronder Jezus leed en waaraan Hij zou sterven” (blz. 62, 63).

Door dr. De Ru wordt evenwel niet ontkend, dat de uit de nood van de zonde verloste mens nu ook geroepen is tot het dragen van verantwoordelijkheid voor een menselijke samenleving en haar noodzakelijke ontwikkelingen en hervormingen. Als ik ook op dit punt een citaat mag geven: ”Bij alle legitieme critiek op de … over-accentuering van de maatschappelijke en politieke dadendrang, zal de Kerk zich toch nooit aan de vragen van recht en gerechtigheid, vrede en menselijkheid kunnen onttrekken door wat op de Wet af te dingen of hem niet zó duidelijk te verkondigen, dat de Gemeente weet waarom het gaat. Het Woord verkondigen, als eerste en eigenlijke taak der Kerk, betekent … het Woord dáár en zó verkondigen, dat duidelijk wordt waartoe juist ook deelname aan de sociale problematiek voor de Gemeente een eis is. Het Evangelie van Jezus Christus richt primair het offensief op het hart van een mens — ”bekeert u, want het Koninkrijk Gods is nabij gekomen” — maar heeft dan onontkomelijk juridische en sociaal-politieke consequenties” (blz. 132).

Uitgangspunt is, dat wat in de Schrift primair is, ook in ons denken en handelen primair zal moeten blijven. Dat betekent, dat bij het streven naar een menselijke samenleving de zedelijke maatstaven niet aan de ”wereld”, maar aan de Schrift ontleend moeten worden (blz. 94). Dat betekent ook, dat het christen-zijn niet mag opgaan in een nerveus activisme, waarbij het christelijk credo vrijwel geheel verpolitiseerd wordt en in een grenzenloze zelfoverschatting de illusie gekoesterd wordt Gods revolutie te kunnen voortzetten (blz. 131).

Bij alle waardering zou ik vooral twee vragen willen stellen. De eerste vraag is, of het juist is om het onderscheid tussen het Oude en Nieuwe Testament toe te spitsen op de gerichtheid op het aardse leven èn op de hoop der onsterfelijkheid (blz. 18, 19). Bij deze tegenstelling tussen het Oude en Nieuwe Testament loopt men het gevaar hele stukken uit het Oude Testament als door het Nieuwe achterhaald aan de kant te schuiven. Is het alleen oudtestamentisch om ”de vreugde, het geluk van de tegenwoordige wereld te zoeken” ? Uiteindelijk staat de brief van Jacobus ook in het Nieuwe Testament — een brief die in het hele boek van dr. De Ru vrijwel geen enkele rol speelt. Behoort de gerichtheid op de aarde die we onmiskenbaar tegenkomen in het Oude Testament werkelijk tot de ”rudimenta”, de eerste beginselen òf vult het Nieuwe Testament het Oude op dit punt aan, wanneer het blijk geeft van een iets andere gerichtheid ? De woorden van dr. De Ru doen denken aan een depreciatie van het Oude Testament. Bij de gerichtheid op de aarde die we in het Oude Testament tegenkomen gaat het niet om iets dat door het Nieuwe Testament achterhaald is. maar om iets dat door het Nieuwe Testament verondersteld wordt. Het verschil in de heilshistorische voortgang tussen het Oude en Nieuwe Testament mag bepaald niet geïdentificeerd worden met het verschil tussen de gerichtheid op het aardse leven en de gerichtheid op de hoop der onsterfelijkheid.

De tweede vraag is, of het juist is om aan te nemen, dat Jezus verwachtte, dat ”het einde” spoedig zou aanbreken. Volgens dr. De Ru was het om deze reden, dat Jezus slechts de bekering van de enkeling op het oog had en aan een hervorming van sociale structuren geen aandacht schonk (blz. 93). Nu is het een vrijwel algemeen aanvaarde gedachte in de nieuwtestamentische wetenschap, dat Jezus het einde spoedig verwachtte, maar daarmee is nog niet gezegd, dat deze gedachte ontleend is aan het Nieuwe Testament zelf. In het Nieuwe Testament wordt nergens — noch in de evangeliën, noch in de brieven — gespeculeerd over een korte of lange tijdsduur tot het einde. Door Jezus werd deze speculatie juist uitdrukkelijk afgewezen. De vraag, of het einde al of niet lang op zich zal laten wachten komt niet aan de orde, omdat het erom gaat altijd waakzaam te zijn met betrekking tot het einde. De nadruk op de bekering van de enkeling heeft naar mijn gedachte dus niets te maken met een verwachting van een spoedig komend einde. Deze nadruk heeft wel te maken met de aard van de nieuwtestamentische verkondiging, zoals dr. De Ru elders in zijn boek ook zelf duidelijk aangeeft. In het Nieuwe Testament gaat het altijd primair om de mens. De mens mag zich nooit verschuilen achter de grotere verbanden waarbinnen hij leeft. Bovendien — en dit wordt door dr. De Ru niet verdisconteerd — is het van betekenis, dat het Nieuwe Testament allereerst geschreven is voor mensen die voor verreweg het grootste deel geen politieke verantwoordelijkheid droegen. Zeker geldt dit voor de nieuwtestamentische brieven, maar toch ook voor de evangeliën. De eerste gelovigen waren ”niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken” (1 Cor. 1 : 26). Er waren geen christenpolitici in de eerste gemeente. Bovendien — en vooral — was de hele politieke situatie volledig anders dan in onze dagen. Dat mag bij ons lezen van het Nieuwe Testament niet uit het oog verloren worden. Juist in dat licht stem ik het dr. De Ru toe, ”dat verwerkelijking van rechtvaardiger samenlevingsverhoudingen vanzelf als een onontkoombare consequentie uit Jezus' prediking naar voren komt” (blz. 93). Onze tijd vraagt om het trekken van consequenties uit het Nieuwe Testament die in de tijd van het Nieuwe Testament zelf zó nog niet aan de orde (konden) komen.

*) Naar aanleiding van G. de Ru, De verleiding der revolutie. (Deel 8 uit de reeks ”Theologie en Gemeente”). Uitgave van J. H. Kok te Kampen. 1974. 148 blz. Prijs f 12,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.