+ Meer informatie

Een terugblik op de encycliek Rerum Novarum honderd jaar na dato vanuit een Nederlands perspectief

43 minuten leestijd

1. Inleiding

De honderdste verjaardag van de pauselijke encycliek De conditione opiflcum, beter bekend naar zijn beginwoorden Rerum Novarum heeft gespreid over het gehele jaar 1991 aanleiding gegeven tot een groot aantal herdenkingsactiviteiten: nationaal en internationaal. Sommige waren van strikt wetenschappelijke aard, andere hadden eerder een kerkelijk en/of sociaal-politiek karakter. 1 Het is echter nog te vroeg om nu al de balans op te maken van hetgeen het rijke scala aan publikaties dat in verband met al die vieringen is verschenen (en nog zal verschijnen), aan nieuwe inzichten heeft opgeleverd. Overigens kan al wel worden opgemerkt, dat toespraken en teksten bij gelegenheid van feestelijke vieringen zoals 100 jaar Rerum Novarum er een is, ook mythen kunnen creëren. Of zoals collegakerkhistoricus Salemink in verband met het Rerum A/ovwwm-jubileum heeft opgemerkt: 'Herdenkingen zijn meestal herinvesteringen van de geschiedenis voor een nieuw doel. Vaak gaat het om een selectieve herinnering en maakt men misbruik van eenzijdig geselecteerde elementen uit die traditie'. De voorbeelden die Salemink met betrekking tot Rerum Novarum ter staving van zijn stelling geeft, te weten: de vermeende consistentie van dé katholieke sociale leer vanaf 1891 tot heden

en de als vanzelfsprekend aangenomen identiteit van katholieke sociale leer en christen-democratische traditie, zijn inderdaad illustratief, alhoewel verwijzingen naar concrete auteurs of publikaties achterwege blijven. 2 Een duidelijker voorbeeld biedt een ook in 1991 verschenen bijdrage, getiteld 'Sociale vernieuwing in Brabant' in het Bisdomblad van Den Bosch. Bisschop J. ter Schure geeft hier hoog op van het sociale engagement van zijn voorgangers Godschalk en Van de Ven, 3 terwijl het nog maar de vraag is, of deze beide Bossche bisschoppen, aan wie in het vervolg van dit opstel nog enige aandacht zal worden gewijd, zo sociaal bewogen waren. Anderzijds zijn er ook auteurs - en ook dat bevestigt eigenlijk bovenstaande stelling - die menen zich te moeten verontschuldigen, indien zij zich in de context van een herdenkingsplechtigheid verre willen houden van mythevorming. Zo merkt de Utrechtse historicus Righart in een evaluerend artikel over de doorwerking van Rerum Novarum in Nederland op, dat het wellicht niet passend is in een gelegenheidspublikatie - hij doelt op het boekten arbeider is zijn loon waardig - gerede twijfels te hebben over de historische betekenis van deze sociale encycliek. 4 Indien historici zich inderdaad hieraan iets gelegen moeten laten liggen, zouden zij m.i. nooit meer bij een jubileumviering acte de présence moeten geven.

In deze bijdrage wordt - deel op basis van eigen onderzoek, deels aan de hand van een deel van de recent verschenen literatuur - doorheen het perspectief van honderd jaar receptiegeschiedenis teruggeblikt op Rerum Novarum: op het ontstaan en de inhoud van deze encycliek, die wel eens getypeerd is als 'het bruggehoofd voor de katholieke sociale beweging bij de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw' 5 en de eerste aanzetten tot een verankering van het gedachtengoed van dit document in Nederland. Daarbij zal ik er op bedacht blijven niet te vervallen in enigerlei vorm van 'herinvestering'. Mede met het oog daarop volgt eerst een plaatsbepaling van de encycliek. Allereerst in de

context van het laatste kwart van de negentiende eeuw, een periode die gekarakteriseerd kan worden als een kantelend tijdperk, omdat een agrarischambachtelijk samenlevingsmodel toen steeds meer plaats begon te maken voor een industrieel-kapitalistisch leefpatroon. En vervolgens in het kader van het gehele ambtelijk spreken van paus Leo XIII, onder wiens leiding de katholieke kerk zelf ook een 'kerk in overgang" werd. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling van dit opstel de honderdste verj aar dag van Rerum Novarum aan te grijpen voor een uiteenzetting over honderd jaar katholieke sociale 'leer' 8 en de vernieuwing van het christelijk sociaal denken in onze tijd. 7 Ook blijft onbesproken, welke impulsen nu precies van Rerum Novarum zijn uitgegaan op de ontwikkeling van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland en andere landen. 8

2. Een plaatsbepaling van Rerum Novarum

De aanduiding Rerum Novarum heeft in tegenstelling tot de beginwoorden van veel andere kerkelijke documenten een duidelijke betekenis. Er was toentertijd inderdaad méér dan van 'nieuwe omstandigheden' (de letterlijke vertaling van 'res novae') sprake van een omwenteling (de afgeleide betekenis van 'res novae' die ook door de encycliek zelf is bedoeld). Rerum Novarum verwijst naar een fundamentele omslag, in dit geval op economisch terrein met verstrekkende gevolgen voor het sociaal en kerkelijk leven, zij het dat de abruptheid die normaliter met dit begrip is verbonden, hier niet zo dominant aanwezig is, althans wanneer men die omslag betrekt op geheel West-en Midden-Europa. In 1891 was de

industrialisatie met alle kenmerken vandien al ongeveer een eeuw bezig zich over Europa te verspreiden: aanvankelijk beperkt tot bepaalde regio's, vanaf ongeveer 1850 steeds algemener. Kenmerkend voor dit transformatieproces, dat in Nederland overigens pas na 1875 valt waar te nemen, waren de verdwijning van de huisindustrie, de concentratie van de industriële bedrijvigheid in grote, anoniem makende fabrieken, waarin op grote schaal steeds verder gaande technologische innovaties werden toegepast en de bediening van machines, resultaat van die innovaties, door loonarbeiders. De onbarmhartige toepassing van de wet van vraag en aanbod op de loonstandaard leidde voor het merendeel van de fabrieksarbeiders tot een mensonwaardig leven. Sociaal bewogen bisschoppen, priesters en lekengelovigen in verschillende Europese landen Heten dan ook niet na er bij de paus - eerst Pius IX, later Leo XIII - op aan te dringen zich openlijk uit te spreken over de 'res novae' en de noodlottige gevolgen ervan. De verschijning van Rerum Novarum betekende een honorering van die verzoeken. De 'res novae' werden in deze encycliek in ondubbelzinnige bewoordingen beschreven en beoordeeld, beter gezegd veroordeeld.

Want toen in de vorige eeuw de vroegere gilden waren afgeschaft, zonder dat nieuwe hulpmiddelen in de plaats kwamen, en bovendien de staatsinstellingen en de wetten zich hadden losgemaakt van de voorvaderlijke godsdienst

zo wordt in de inleiding betoogd,

vielen de arbeiders, niet verenigd en onverdedigd als zij waren, langzamerhand ten prooi aan onmenselijke praktijken van hun meesters en aan een bandeloze concurrentiezucht. De ellende werd nog vergroot door een alles-verslindende woeker, die, alhoewel meermalen door de Kerk veroordeeld, telkens weer, zij het in andere vormen, door hebzuchtige speculanten wordt gedreven. Hierbij komt het feit, dat enkele weinigen nagenoeg de gehele heerschappij verkregen over de arbeidsmarkt en over heel de handel, zodat een zeer klein aantal machtige geldmagnaten een bijna-slavenjuk hebben opgelegd aan de onafzienbare menigte proletariërs'. 8

De paus, onder wiens verantwoordelijkheid deze woorden waren neergeschreven, was Leo XIII. Tijdens zijn pontificaat, dat duurde van 20 februari 1878 tot 20 j uli 1903, heeft hij zich geprofileerd als een kerkleider, 'die geloof en wetenschap, kerk en cultuur, pausdom en diplomatieke wereld, na enige tijd ook christendom en arbeiderswereld met elkaar zou trachten te verzoenen'. 10 Mede ter realisatie van laatstgenoemd streven vaardigde hij Rerum Novarum uit, waarin hij een oplossing wilde aanreiken voor het arbeidersvraagstuk, voor hem de kern van de sociale kwestie. De encycliek bevat geen uitvoerige en systematische descriptieve analyse van die kwestie. De paus beperkt zich tot een afbakening van de rechten en de plichten, 'waardoor de onderlinge verhouding van bezittenden en proletariërs, van hen, die kapitaal verschaffen, en hen, die arbeid praesteren, moet beheerst worden'. In het verdere vervolg tracht hij de taken van de verschillende belanghebbenden ten behoeve van wat hij een goed geordende inrichting van de samenleving beschouwt, te omschrijven. Maar ook hier blijft de rationele argumentatie zwak.

Vanwege het ontbreken van zo'n grondige, rationele analyse verliest de encycliek, juist als bijdrage aan het openbare debat over de juiste inrichting van de samenleving, aan overtuigingskracht. 11 Dit was des te problematischer, omdat anderen, liberalen en socialisten, in dat debat inmiddels hun positie hadden ingenomen. Maar anderzijds beschikten de katholieke voormannen van nu af aan tenminste over een stellingname van het hoogste gezag van hun kerk. De relevantie ervan regardeerde dan ook vooral de eigen achterban. Die moest worden gemobiliseerd, met name tegen de verleidingen van het socialisme. De doelstellingen van dat socialisme stonden haaks op het concept, dat Leo XIII als het enig legitieme beschouwde.

Rerum Novarum is een van de in totaal 38 encyclieken die Leo XIII heeft uitgevaardigd. In meer of mindere mate leggen ze alle getuigenis af van het neothomistische wereldbeeld, dat deze paus tot uitgangspunt van zijn beleid heeft gemaakt. Het scherpst werd dit concept verwoord in de e, acycMek Aetemipatris over het herstel van de christelijke wijsbegeerte naar de geest van de H. Thomas van Aquino van 4 augustus 1879.

De leerstellige uiteenzettingen van Thomas over de ware aard van de vrijheid, die in onze tijd in bandeloosheid verloopt, over den

goddelijke oorsprong van alle gezag, over de wetten en haar bindende kracht, over vaderlijkheid en billijkheid in het bestuur der vorsten, over de gehoorzaamheid aan hogere machten, over de onderlinge liefde van allen, zijn uiteenzettingen over deze en soortgelijke vraagpunten, bezitten

aldus Leo XIII in deze encycliek

een onovertrefbare stootkracht om de moderne rechtsbeginselen, die voor de rustige gang van zaken in de maatschappij en voor het openbare welzijn schadelijk blijken, omver te werpen.

la Rerum Novarum werd het in Aetemipatris verwoorde concept toegepast op het arbeidersvraagstuk. Dat impliceerde bijvoorbeeld in plaats van de door het socialisme aangehangen klassenstrijd-gedachte een benadrukking van het streven naar verzoening tussen die klassen. Er waren toen echter bijna dertien jaar voorbijgegaan, alvorens Leo Xm toe was aan de consequenties die hij op sociaaleconomisch terrein uit Aetemipatris meende te mogen trekken. In de encycliek Auspicato concessum over de H. Franciscus van Assisi en de derde orde van 17 september 1882 had hij nog geponeerd:

... de vraag omtrent de verhouding van rijk en arm, waarover de sociaal-politici zich zo moe maken, zal de beste oplossing vinden, als men eenmaal de vaste overtuiging heeft, dat armoede geen schande is, dat de rijke medelijdend en milddadig en dat de arme met zijn lot en zijn arbeid tevreden moet zijn, en dat, daar geen van beiden voor de voorbijgaande goederen dezer aarde bestemd is, de een door geduld en de ander door weldadigheid in de hemel moet komen.

En in Sapientiae christianae over de voornaamste plichten der christelijke burgers van 10 januari 1890, ten aanzien waarvan hij zelf had opgemerkt daarin ongeveer alles besproken te hebben, 'wat de Katholieken in onze dagen te doen en te laten hebben', werd zelfs met geen woord gerept over de sociale kwestie. Er was slechts sprake van een religieus-zedelijk probleem, dat daarin bestond, dat

'de hogere goederen des geestes... die zonder de beoefening van de godsdienst en de gestadige eerbiediging der christelijke gebeden

niet verworven kunnen worden, van dag tot dag minder achting en waardering bij de mensen vinden ...

Er werd door de paus echter geen enkele relatie gelegd tussen het verwerven van deze 'hogere goederen' en de strijd tegen de maatschappelijke wantoestanden, verbonden met de industriële revolutie.

Tegen die achtergrond vormt Rerum Novarum een duidelijke kentering in het pauselijk spreken, ook al worden de zo juist aangehaalde woorden in deze encycliek niet afgezworen Daarvoor toont Remm Novarum toch te zeer een compromiskarakter. Daar staat tegenover, dat de paus die kentering in de navolgende encyclieken niet vast lijkt te houden of wil uitbouwen. Dat maakt, dat Rerum Novarum althans in een bepaald opzicht als het ware tot een incident wordt. Vanaf september 1891 verschijnen er een aantal jaren na elkaar, telkens aan de vooravond van de oktobermaand, encyclieken die gewijd zijn aan het rozenkransgebed. De nieuwe inzichten van Rerum Novarum zijn hierin volkomen afwezig. Illustratief is bijvoorbeeld Laetitiae sanctae over de rozenkrans van 8 september 1893. De paus probeert hierin te verklaren, 'waarom in de burgerlijke samenleving de banden der openbare tucht verslappen en de volkeren, minder dan betamen zou, in eerbied voor de zeden de waarborg zoeken voor hun bloei'. Hij wijst dan op 'de tegenzin in een eenvoudig, werkzaam leven, de vrees voor en afkeer van het lijden, het vergeten eindelijk der eeuwige goederen, die het voorwerp van onze hoop moeten uitmaken'. Hij richt zijn verwijten met name aan het adres van de werkman, bij wie

zich afkeer van de handenarbeid openbaart, tegenzin in het ambacht, ontevredenheid met zijn stand, een onzinnig drijven naar hoger, een dromen van een gelijkheid in bezit, die nimmer te bereiken valt; door deze en dergelijke oorzaken wordt de plattelandsbevolking in menigte ertoe gebracht om de geboortegrond vaarwel te zeggen en in steden bedrijvigheid en een genotvol leven te gaan zoeken. Hieraan ook heeft men het toe te schrijven, dat in onze dagen het evenwicht tussen de verschillende klassen der samenleving ontbreekt; alles is geschokt; de gemoederen zijn ten prooi aan haat en nijd; het recht wordt in het openbaar geschonden; door een bedrieglijke hoop verleid, verstoren velen de openbare vrede, veroorzaken oproeren en weerstaan degenen, die tot roeping hebben de orde te bewaren ...

Voorlezing van dit soort brieven vanaf de preekstoel vormde voor conservatieve

katholieke patroons nauwelijks een aansporing tegenover hun arbeiders werk te maken van de hervormingsgezinde inzichten van Rerum Novarum. Het komt trouwens enigszins wrang over, dat de werkgevers in tegenstelling tot de arbeiders in Laetitiae sanctae zelfs niet genoemd werden. Of paus Leo Rerum Novarum zelf ooit als een van zijn belangrijkste encyclieken heeft beschouwd, is tegen de achtergrond van het voorgaande de vraag. Feit is, dat latere commentatoren die mening meestal wel zijn toegedaan. Zo zegt de Tilburgse hoogleraar Triebeis in een herdenkingsrede in 1931: "Het geheele werk van Leo XIII is als geconcentreerd in Rerum Novarum ... Het levenswerk van Leo XIII wijst in zekeren zin op die encycliek , ..'. 12 Deze waardering is typerend voor de wijze, waarop de receptie van de encycliek is verlopen, met name in Nederland waar het woord van de paus - uiteraard op basis van een bepaalde interpretatie - een instrument werd in handen van katholieke verzuilers. Zij slaagden erin een confessionele katholieke vakbeweging te creëren, een proces dat rond 1920 was voltooid. De gezagvolle woorden van het op andere terreinen zelfs onfeilbare pausschap hebben daarbij goede diensten bewezen. Hoe gezagvol men die woorden beschouwde, blijkt uit een ander citaat uit de genoemde rede van Triebels. 'Men zal dan ook altijd - zo betoogde hij - in de geschiedenis der Katholieke Sociale Actie, hoe men die ook moge indeelen, twee grote perioden moeten onderscheiden: den tijd vóór en den tijd né Rerum Novarum'.™ Dat die katholieke sociale actie, maar ook de opvattingen waardoor die actie wordt onderbouwd en gestuurd, altijd het resultaat zijn van een wisselwerking tussen de kerkelijke top (nationaal en internationaal) en de kerkelijke basis (eveneens nationaal en internationaal), blijkt uit de nu volgende summiere beschrijving van de totstandkoming van Rerum Novarum.

3. De totstandkoming van Rerum Novarum

De ideeën die ten grondslag liggen aan de encycliek Rerum Novarum, waren niet ontleend aan één bepaalde school of richting van katholieke sociale denkers. Leo XIII - die overigens geen letter van de encycliek zelf geschreven schijnt te hebben - wilde niet, dat deze eerste expliciete stellingname van het kerkelijk leergezag inzake het sociaal-economisch leven binnen de eigen, katholieke geloofsgemeenschap onmiddellijk tot een teken van tegenspraak zou uitgroeien.

Daarmee was niemand gediend. Dit nam niet weg, dat hij duidelijk stelling nam in een discussie die ook binnen de katholieke kerk met grote heftigheid werd gevoerd. Rerum Novarum keerde zich namelijk ondubbelzinnig tegen die katholieken die de opdracht van de kerk beperkt wilden zien tot het strikt religieuze terrein, alsmede tegen hen die de charitas een voldoende adekwaat middel beschouwden om de maatschappelijke ellende van de arbeiders te bestrijden en dus tegen staatsbemoeienis waren. Om deze groepen niet tegen zich in het harnas te jagen moest de paus zeer behoedzaam opereren. De tekst van Rerum Novarum is op een aantal punten zo algemeen en zo vaag, dat hij zeer wel in een sociaal-conservatieve zin geïnterpreteerd kan worden. Zo'n interpretatie ligt nog meer voor de hand, wanneer men - zoals in de vorige paragraaf geschiedde - de algehele context van het magisteriële spreken van Leo XIII daarbij betrekt. Het is derhalve niet enkel aan de wordingsgeschiedenis te wijten, dat de encycliek op een aantal onderdelen 'nog gekleed gaat in de dracht van voorbije tijden'. 14

Bij die wordingsgeschiedenis 15 waren in elk geval twee groepen personen meer direct betrokken. Dat was allereerst de Union Catholique d'études sodales et économiques, ook bekend onder de naam Union de Fribourg, 18 Initiatiefnemer tot deze internationaal samengestelde studiegroep van theologen, filosofen en sociaal geëngageerde katholieke politici was bisschop Gaspard Mermillod van Lausanne/Genève, die zetelde in Fribourg. Tussen 1885 en 1891 organiseerde hij een aantal besloten bijeenkomsten over thema's als de organisatie van de arbeid (arbeidsduur, zondagsrust, arbeidsloon), het eigendomsrecht en de grenzen daarvan, de verschillende vormen van beroepsorganisatie voor arbeiders enz. Gedachtenuitwisseling en meningsvorming gingen tijdens deze bijeenkomsten hand in hand. De uitkomsten ervan werden steeds ook aan Leo XHI medegedeeld. Daarbij het Mermillod nooit na de paus erop te wijzen, dat een openlijke pauselijke stellingname ten aanzien van deze zaken dringend gewenst was. In het voorjaar van 1890 achtte de paus de tijd rijp voor een sociale encycliek, waarin een aantal denkbeelden zoals die sedert ongeveer 1850 in verschillende Europese landen

door katholieke sociale voormannen zoals Albert de Mun, Charles Perin, Wilhelm Emmanuel von Ketteler, Karl zu Löwenstein, Karl von Vogelsang, Giuseppe Tonioli en Domenico Jacobini werden gepropageerd, in een synthese zouden worden samengebracht. Voor de redigering van deze encycliek deed Leo XIII een beroep op een aantal theologen rond het Romeinse jezuïetentijdschrift La Civilta Cattolica. Tot die groep behoorden de paters Curci, bekend door zijn boek-D/ un socialismo cristiano nella questione operaia (Roma 1885) en Liberatore auteur van onder andere Trattato di economia politica (Roma 1889). Matteo liberatore schreef in juni 1890 een eerste ontwerp voor de encycliek Curie-kardinaal Thomas Zigliara o.p. maakte een tweede versie. En de twee secretarissen van Leo Xm, Gabriel Boccali en Alexander Volpini stelden in samenwerking met kardinaal Camillo Mazzella een derde versie samen, waaraan Leo XE - overigens pas in tweede instantie - zijn goedkeuring hechtte. Het eindresultaat werd medio mei 1891 gepubliceerd.

Uit bovenstaand betoog mag de conclusie worden getrokken, dat Nederlanders op geen enkele wijze bij de totstandkoming van Rerum Novarum betrokken zijn geweest. In verband met de receptie van het gedachtengoed van de encycliek in ons land is dat vermeldenswaard.

4. De inhoud van de encycliek

De opzet van de encycliek Rerum Novarum is eigenlijk zeer inzichtelijk. Na een korte inleiding, die al eerder aan de orde kwam, wordt in deel I uiteengezet, 'welken weg men niet moet inslaan tot verbetering van den toestand der werkende klasse'. In deel II komt vervolgens aan de orde, 'welken weg men wel moet inslaan tot verbetering van den ongelukkigen toestand der werkende klasse'. Centraal in deel I staat de afwijzing van het socialisme als mogelijke oplossing van het arbeidersvraagstuk. Het socialisme schaadt de werklieden, die immers niet meer naar vrije keuze over hun loon kunnen beschikken. Het pleegt door het opheffen van elk persoonlijk eigendom geweld tegen de rechtmatige bezitters. Het schendt de rechten van het huisgezin. En het richt de staten ten gronde en vernietigt alle maatschappelijke orde. Waar Leo XIII in eerdere encyclieken zoals in Quod apostolici muneris over de voornaamste leringen en strevingen van het socialisme, communisme en nihilisme van 28 december 1878 vooral de wijsgerige opvattingen van het socialisme bestrijdt, keert hij zich in Rerum Novarum met name tegen de kritiek van het socialisme op de bestaande maatschappelijke orde, gebaseerd op privé-eigendom. Dat het klassieke, liberale kapitalisme dit recht op privé-eigendom als een recht dat ook aan het arbeidersproletariaat toekomt, in feite evenzeer met voeten treedt, wordt wellicht wel onderkend, maar is geen reden ook dat

kapitalisme onvoorwaardelijk te veroordelen.

Die nauwe band tussen bestrijding van het socialisme en de katholieke oplossing van de sociale kwestie waarvoor in Rerum Novarum de toon werd gezet, ziet men - in elk geval in Nederland - terug bij de totstandkoming van de katholieke arbeidersorganisaties. Veel van die organisaties, of het nu ging om volksbonden, werkliedenverenigingen of vakbonden, werden opgericht als een reactie op initiatieven in het socialistische kamp. Ze fungeerden als een alternatief om katholieke arbeiders er van te weerhouden de kant van het socialisme te kiezen. In regio's waar het socialisme geen gewicht in de schaal kon leggen en socialistische organisaties achterwege bleven, kwamen katholieke organisaties - onder meer vanwege de geringe interesse van de kerkleiding - slechts moeizaam van de grond, 17 terwijl daarin, althans in de ogen van Leo XIII, toch juist een deel van de strategie was gelegen om het arbeidersprobleem op te lossen.

In deel II van zijn encycliek schenkt de paus achtereenvolgens aandacht aan de bijdrage van de kerk, de taak van de wereldlijke overheid en de verantwoordelijkheid van de direct betrokkenen: werkgevers en werknemers bij de regeling van de sociale kwestie. De bijdrage van de kerk, die naar het oordeel van de paus volstrekt onmisbaar is, bestaat overigens vooral in het aankweken van een bepaalde mentaliteit. Of zoals de befaamde aalmoezenier voor sociale werken in het Limburgse, Henri Poels het eens heeft omschreven:

Het Christendom leert volken en individu's hun geluk niet alleen zoeken, doch ook vinden in een wereldorde, welke bij het verdeelen der lusten en lasten tusschen de verschillende klassen der maatschappij, de distributieve gerechtigheid in eere houdt. 18

Tegelijkertijd zal dat christendom blijven benadrukken, dat 'de broze en vergankelijke goederen van dit leven' niet opwegen tegen 'de eeuwige goederen des hemels'. Dat christendom mag rond de eeuwwisseling overigens niet geduid worden als 'een algemeen - bovenconfessioneel - christelijk stelsel'. De paus bedoelt 'de volheid van het christendom' en die ligt enkel vervat in de katholieke kerk: 'slechts

het volle christendom kan de gehele sociale quaestie oplossen'. 19

Het pleidooi van Rerum Novarum voor staatsinterventie bij de oplossing van het arbeidersvraagstuk was sterk verbonden met een bepaalde visie op het algemeen belang. Dat algemeen belang was anno 1891 gediend met maatregelen ten gunste van de arbeiders. Die bevolkingsgroep bevond zich in een extreme situatie van onverdiende ellende. Omdat de wereldlijke overheid een speciale verantwoordelijkheid had voor de meest kwetsbare groeperingen in de samenleving, lag steun aan het arbeidersproletariaat alleszins voor de hand. Dat was trouwens in het belang van de gehele samenleving, die immers in haar ontwikkeling werd belemmerd vanwege de slechte situatie waarin de arbeiders zich bevonden. Staatsinterventie was ook gewenst, omdat de arbeiders anders wellicht in opstand zouden komen, hetgeen een bedreiging betekende voor de openbare orde en veiligheid. Tegen die achtergrond kan Rerum Novarum pleiten voor een beginnende sociale wetgeving. Het eigen initiatief van de direct belanghebbenden: patroons en arbeiders krijgt echter de meeste aandacht in de encycliek. Om dat initiatief optimaal tot zijn recht te laten komen moeten met name de arbeiders zich organiseren. In de eerste jaren na de verschijning van Rerum Novarum zal deze oproep, ook in Nederland steeds weer opnieuw in het middelpunt van de discussies staan. Daarbij ging het niet alleen om het organisatieconcept, d.w.z. om de keuzes die gemaakt moesten worden om die oproep concreet gestalte te geven (confessionele organisaties of interconfessionele groeperingen; bij een keuze voor de eerste: een diocesane of nationale opzet; en een lidmaatschap alleen voor arbeiders, of ook voor leden van andere standen). De organisatie als zodanig stond ook ter discussie. Er waren bisschoppen en priesters die van oordeel waren, dat goed functionerende Aartsbroederschappen van de Heilige Familie de eventuele oprichting van arbeidersorganisaties overbodig maakten. Ook werd de vraag opgeworpen, of arbeiders wel in staat waren hun eigen belangen goed te behartigen. Een van degenen, die zich fel tegen dit soort uitlatingen verzetten, was de reeds genoemde aalmoezenier Poels: 'Zonder macht, macht, nóg eens macht (die slechts door organisatie kan verkregen worden) blijven, in den woesten oceaan der moderne ontkerstende maatschappij, ook de edelste en best bedoelde pogingen, tot handhaving van het christelijk recht, onvermijdelijk tegen de rots van het moderne grootkapitaal

te pletter slaan ..Z 20 En elders formuleerde hij het als volgt:

Waar geen vakvereenigingen worden opgericht, om de macht van het grootkapitaal te breidelen, daar mist de groote weegschaal der sociale gerechtigheid het noodige tegenwicht. De door het liberalisme geïsoleerde eenling staat eenvoudig machteloos tegenover de moderne geldkoningen en de dikwijls gewetenloze trusts. Wie alles verwacht van de wetten der Europeesche Parlementen, vergist zich deerlijk. Het voornaamste dat de arbeiders van de Parlementen moeten verlangen, is dat zij door hunne wetten het aan de arbeiders mogelijk maken, zich door hunne organisatie, zeifin deze wereld recht te verschaffen en voor hunne eigen belangen zorg te dragen... 21

Deze uitlatingen van Poels klinken zeer zelfbewust. Het bestaan van arbeidersorganisaties, geconcretiseerd in bij voorkeur katholieke vakverenigingen is voor hem geen vraag meer. Ze hebben inmiddels hun nut bewezen. Het gaat er hem nu alleen nog om alle katholieke arbeiders ervan te overtuigen, dat zij organisaties moeten oprichten. Genoemde uitlatingen stammen dan ook uit het tweede decennium van de twintigste eeuw. Twintig jaar eerder moesten katholieke voormannen zich behoedzamer opstellen. De receptie van Rerum Novarum moest toen nog beginnen. Tekenend in dit opzicht is de volgende uitlating van de grootste theoreticus èn organisator van het Nederlands sociaal-katholicisme, de Enschedese kapelaan Alfons Ariëns:

Indien Rome partij heeft gekozen, dan is voor ons ook de weg aangewezen waar de waarheid en het heil van ons zelf en anderen is te vinden ... Welnu, Rome heeft gesproken ... En tot verbazing der wereld, werd de beweging der werklieden, in haar wezen en kern genomen, niet gevloekt maar gezegend. 22

In de laatste paragraaf van dit opstel zullen enkele elementen aan de orde komen,

die voor het receptieproces van Rerum Novarum in Nederland relevant zijn geweest. Daarmee wordt nog niet aangegeven, welke invloed Rerum Novarum nu precies op de Nederlandse samenleving heeft uitgeoefend. Het gaat eerder om een aanstippen en waarderen van enkele voorwaarden die vervuld moeten zijn, wil er van invloed sprake zijn.

5. Eerste aanzetten tot een verankering van het gedachtengoed van Rerum Novarum in Nederland

5.1 Het optreden van de Nederlandse bisschoppen

Het is enigszins merkwaardig, dat hoewel Rerum Novarum met het oog op de oplossing van de sociale kwestie zo'n grote rol opeiste voor de kerk, de kerkleiding - althans in Nederland - zo terughoudend was, toen het' er om ging het gedachtengoed van de encycliek hier in bredere kring bekend te maken. Wij hebben het dan over de bisschoppen, tot wie de encycliek in eerste instantie was gericht.

Aartsbisschop Petrus Matthias Snickers (1883-1895) bleef, waar het de beginnende receptie van Rerum Novarum betrof, geheel in de schaduw van de priester-politicus dr. Herman Schaepman en de zo juist genoemde Alfons Ariëns. Schaepman sprak zich op 15 juli 1891 in een toespraak te Vlissingen voor het eerst in het openbaar over Rerum Novarum uit. Zijn betoog was een grote loftuiting. 23 Sindsdien fungeerde de encycliek bij al zijn politieke activiteiten als richtsnoer. Ariëns liet niet na bij elke voorkomende gelegenheid erop te wijzen, dat zijn eind jaren tachtig met zoveel moeite begonnen verenigingsactiviteiten nu een pauselijke legitimering hadden gekregen. Om dit te onderstrepen verspreidde hij binnen zijn werkterrein op ruime schaal exemplaren van de Nederlandse vertaling van de encycliek. 24 Aartsbisschop Snickers daarentegen liet het bij een Vastenbrief, gedateerd 22 februari 1892, gewijd aan de christelijke werken van naastenliefde, 25 waarmee hij volledig bleef binnen de context van de charitatieve

dienst aan de naaste in nood. Dat was een benadering die Rerum Novarum juist wilde overstijgen.

De Haarlemse bisschop Caspar Josephus Martinus Bottemanne (1883-1903) stond zelfs zeer afwijzend tegenover de vernieuwingen die in Rerum Novarum lagen vervat. Van het aankweken van een klassebewustzijn bij de arbeiders, geconcretiseerd in de vorming van arbeidersverenigingen, die via een maatschappelijkpolitieke strijd een verbetering van de arbeidsvoorwaarden nastreefden, wilde hij niets weten. Hij was ervan overtuigd, dat hetgeen Leo XIII voorstond, het best via de al sinds 1888 in het Haarlemse bestaande Nederlandsche Roomsch Katholieke Volksbond gerealiseerd kon worden. Die Volksbond, waarvan in principe alle volwassen mannen van welke beroepsgroep, klasse of stand dan ook lid konden worden, had als doelstelling: bijdragen aan een geest van vrede, vriendschap en liefde tussen leden van uiteenlopende standen, ook en misschien wel vooral op het terrein, waar zij elkaar als patroon en arbeider ontmoetten. Daarmee interpreteerde Bottemanne, die de encycliek overigens al op 28 mei 1891 onder de aandacht van zijn priesters bracht, Rerum Novarum in zeer behoudende zin. Dat werd nog eens onderstreept in zijn eerstvolgende Vastenbrief van 18 februari 1892, die geheel aan Rerum Novarum was gewijd. In deze brief legde Bottemanne alle nadruk op het behoud van de maatschappelijke status-quo: inderdaad één van de elementen van de encycliek. Binnen die status-quo dienden de werkgevers respect te hebben voor hun arbeiders door

naar vermogen te zorgen, dat zij de zedelijke grootheid hunner zielen in uwe dienst bewaren...; door ook in ligchamelijk opzicht voor hen te zorgen, en derhalve hen niet te belasten met werkzaamheden, die hunne krachten te boven gaan ...; door hun het regtmatig loon voor hunnen arbeid uit te keren; ... door de goede vereenigingen, die zij onderling tot hunne lotsverbetering oprigten, te ondersteunen.

De arbeiders op hun beurt waren verplicht

in wier dienst gij arbeidt, als uwe overheid te eerbiedigen, en in die hoedanigheid te beschouwen als Gods plaatsvervangers ...; elke gemeenschap te vermijden met personen of vereenigingen,

het punt van hun sociale bekommernis. DNK 18 (maart 1984) 18-35.

die er zich op toeleggen, de maatschappelijke orde te verstoren ...; als gij zijt aangesloten aan goede en christelijke vereenigingen tot verbetering van het lot der arbeidende klasse, in hare bijeenkomsten de eendragt te bewaren , .. 26

Bisschop Bottemanne stond met deze sterk patriarchale benadering van de relatie tussen werkgevers en werknemers binnen het Nederlands episcopaat overigens niet alleen.

Met name de bisschop van Breda, mgr. Petrus Leyten (1885-1914) onderscheidde zich qua visie nauwelijks van zijn Haarlemse collega. Bisschop Leyten heeft zijn gelovigen nooit volledig over de inhoud van de encycliek Rerum Novarum geïnformeerd. Dit valt deste meer op, omdat hij zijn Vastenmandement van 1891 geheel wijdde aan de reeds eerder besproken encycliek Sapientiae christianae een document dat hij voordien al integraal vanaf de preekstoel had doen voorlezen. Zo'n integrale voorlezing vond in oktober 1891 ook plaats met betrekking tot de toen juist verschenen encycliek Octobri mense over de rozenkrans. Pas in zijn Vastenmandement van 1892 schonk Leyten - overigens in zeer algemene bewoordingen - aandacht aan Rerum Novarum. Daarbij beperkte hij zich tot de vraag,

hoe de werkgevers of patroons en de werklieden, de Heeren en de dienstboden moeten medewerken om, tenminste voor hunne omgeving, voor hunne huisgezinnen, werkwinkels en fabrieken het Arbeiders-Vraagstuk op te lossen... Immers het valt niet te ontkennen, dat de verderfelijke invloed van het Socialisme zich ook enigermate in Ons Bisdom doet gevoelen en zich meer en meer openbaart in die ontevredenheid, dat gemor en dien geest van verzet der dienstbare en arbeidende klasse tegen de oversten.

Daarmee was duidelijk, waarom bisschop Leyten zich met de sociale kwestie

inliet. Maar waar de paus vanuit zijn anti-socialistische optiek tot nieuwe inzichten kwam door de contouren te schetsen voor een alternatief zowel voor de kapitalistische vrije-markt-economie als voor het plansocialisme, bleef bisschop Leyten van een zeer patriarchale en paternalistische maatschappijvisie uitgaan:

Wij verheugen Ons ... voor God... bij de gedachte, dat er in Ons Bisdom nog vele heeren en werkgevers worden gevonden, die de ware vaders hunner dienstboden en werklieden mogen genoemd worden, die hen üefderijk behandelen, voor hun geestelijk welzijn zorgen en hun trouw het verdiende loon geven; en dat er ook wederzijds daarom hier ook nog vele dienstboden en werklieden worden aangetroffen, die, als waren zij kinderen des huizes, hunne heeren en meesters gehoorzamen, hen eerbiedigen en hen trouw en eerlijk dienen. 27

De Bredase bisschop heeft hier een beeld voor ogen, dat nog slechts in het boerenleven en in bepaalde sectoren van de huisindustrie in de Baronie of het Markizaat enige realiteitswaarde had. In dat beeld paste geen oproep aan de arbeiders om zich te organiseren. Zelfs de volksbondgedachte achtte bisschop Leyten in zijn bisdom overbodig. Iets minder terughoudend toonde zich de Bossche bisschop Adrianus Godschalk (1878-1892), maar in zijn bisdom waren de gevolgen van de industriële revolutie ook al scherper zichtbaar. Medio juni 1891 bracht hij de encycliek Rerum Novarum onder de aandacht van zijn priesters en wel door de tekst in de officiële uitgaven van het bisdom - in het Latijn - af te drukken, voorzien van een eveneens in het Latijn gestelde aanbeveling het pauselijk schrijven aandachtig te lezen en de gelovigen van de inhoud ervan op de hoogte te brengen. Daartoe ontvingen de priesters na 10 november 1891 van hun bisschop een Latijnse synopsis van de encycliek. 28 Een integrale voorlezing van het document vanaf de preekstoel, zoals dat met pauselijke encyclieken gebruikelijk was, vond echter niet plaats.

Toen bisschop Godschalk op 3 januari 1892 overleed, had hij de tekst van zijn Vastenmandement voor dat jaar reeds gereed. In opdracht van kapittel-vicaris Antonius van de Laar werd de brief op de eerste zondag van de Vasten in alle kerken van het bisdom gewoon voorgelezen. Godschalk bleek als uitgangspunt voor zijn betoog een gedachte, onüeend aan het slot van Rerum Novarum te hebben genomen. Hij poneerde, 'dat, zoo de menschelijke maatschappij moet genezen worden, alléén de terugkeer tot het leven en de grondregels des Christendoms, hare genezing zijn zal'. Op een van die 'grondregels', te weten de christelijke liefde en ware naastenliefde, 'die alles verdraagt en alles verduurt', ging hij vervolgens nader in. Beoefening van die liefde gaf de christen 'den noodigen moed en sterkte om elke verdrukking naar ziel of ligchaam, hoe groot en zwaar die ook moge zijn, met gelatenheid te verdragen, ja zelfs, in navolging van den H. Paulus, met blijdschap te verduren , ..'. 29 Ook Godschalk negeert in zijn Vastenmandement de kentering of omslag, die in het pauselijk spreken over 'de nieuwe toestanden' inmiddels had plaatsgevonden. Leo XIII had in verband met de sociale kwestie immers onomwonden te verstaan gegeven, dat de sociale zorg niet kon worden overgelaten aan de individuele bereidheid van mensen om elkaar lief te hebben. Het was nodig een 2Ïnvol bestaan te creëren voor iedereen. Het recht daarop moest door de betrokkenen zelf bevochten worden en de wereldlijke overheid moest hiervoor voldoende garanties scheppen.

Godschalks opvolger, Wilhelmus van de Ven, die op 27 mei 1892werd benoemd, ging er al evenmin toe over bij zijn spreken over het sociale vraagstuk Rerum Novarum van meet af aan expliciet als richtsnoer te hanteren. Daarvoor was hij vermoedelijk te beducht voor tegenwerking van de in zijn diocees inderdaad machtige katholieke fabrikanten. In zijn eerste Vastenmandement, dat dateert van 29 januari 1893 wijst hij - overigens zonder Rerum Novarum zelfs maar te noemen - op de noodzaak van 'een levendig en krachtdadig geloof met waren godsdienstzin' als middel om 'de zoogenaamde sociale quaestie tot oplossing te brengen':

Het menschdom, de maatschappij is niet te redden door menschelijke middelen, door menschelijke wetten of magten. Er moet niet slechts eene uiterlijke, er moet ook, en vooral, eene innerlijke verbetering bewerkt worden... Die innerlijke verbetering nu kan niet verkregen worden dan door het geloof met zijne goddelijke kracht... Wie

dit geloof weet op te wekken en door dit geloof de menschen weet godsdienstig te maken, heeft de sociale quaestie in hoofdzaak opgelost ... Het geloof is eene gave Gods, maar de Kerk is hierbij Gods dienaresse ... 30

Leo XIII zal deze stellingname niet bestrijden. Integendeel. Terwijl de scheiding van kerk en staat zich in steeds meer landen begon door te zetten, pleitte hij in Rerum Novarum in feite voor een christelijk gedirigeerde maatschappij op basis van het katholieke geloof, als kader waarbinnen de arbeiders zich met steun van de staat dienden in te zetten voor hun lotsverbetering. Deze laatste gedachte ontbrak echter bij bisschop Van de Ven, die zich in de latere jaren van zijn episcopaat overigens wel steeds meer ontpopte als een steun-in-de-rug voor de sociaal geëngageerde priesters in zijn bisdom.

Van de Roermondse bisschop Franciscus Antonius Boermans (1886-1900) zijn mij in het geheel geen initiatieven bekend die erop gericht waren het gedachtengoed van Rerum Novarum in zijn diocees ingang te doen vinden.

De eerste reacties van de Nederlandse bisschoppen overziende, mag men concluderen dat dit episcopaat anno 1891-1892 nog niet toe was aan de vernieuwingen die in de encycliek Rerum Novarum vervat lagen. Nader - biografisch - onderzoek moet uitwijzen, of en in hoeverre zij nu werkelijk in een oplossing van de arbeidersnood geïnteresseerd waren. Mogelijk waren zij ook van oordeel, dat door een al te enthousiast omhelzen van de nieuwe inzichten van de encycliek de eenheid van de hun toevertrouwde geloofsgemeenschap op het spel kwam te staan.

5.2 Activiteiten van priesters en leken

Hoewel de Nederlandse bisschoppen weinig deden om de nieuwe inzichten van Rerum Novarum bijvoorbeeld door middel van vertalingen en commentaren, zo snel mogelijk aan de direct belanghebbenden door te geven, vonden er toch de nodige initiatieven plaats. Zo verschenen binnen enkele maanden na de bekendwording van de encycliek al tenminste twee verschillende Nederlandse vertalingen. De eerste kwam uit bij de uitgeversfirma C.L. van Langenhuysen te Amsterdam, de tweede bij uitgeverij Th. Boonekamp te Beverwijk. De Amsterdamse uitgave

werd al op 19 juni 1891 uiterst lovend besproken in een periodiek. 31 In wiens opdracht beide vertalingen zijn vervaardigd, is vooralsnog niet duidelijk. In geen der uitgaven wordt hiervan melding gemaakt De initiatiefnemers moeten vermoedelijk gezocht worden in kringen van de reeds eerder genoemde Nederiandsche Roomsch Katholieke Volksbond. Tij dens een buitengewone vergadering van alle afdelingen van deze Bond, die op 15 juli 1891 te Amsterdam plaatsvond om hulde en dank aan de paus te brengen voor zijn steun aan de arbeiders, werden exemplaren van de eerstgenoemde vertaling aan alle aanwezige leden gratis ter beschikking gesteld. Ook bij andere gelegenheden heten afdelingsbesturen van volksbonden en werkliedenverenigingen niet na, de encycliek onder de aandacht van hun leden te brengen. Dit beleid is tot ver in de jaren dertig van deze eeuw voortgezet. Minstens even belangrijk voor de bekendmaking - grondslag voor de doorwerking - van de encycliek in Nederland was een tweetal verklarende commentaren ten dienste van de katholieke werklieden, die kort na de uitgave van de zo juist genoemde vertalingen begonnen te verschijnen. Het eerste commentaar was van de hand van de redemptorist Chr. Boomaars. Het verscheen vanaf juli 1891 onder de titel 'Encycliek van Z.H. Leo XIII over het Arbeiders-vraagstuk (In Vragen en Antwoorden)' in een achttal afleveringen in het godsdienstig maandblad De Volks-Missionaris. 32 Een nadien apart gebundelde uitgave van deze vragen en antwoorden moet - getuige de diverse herdrukken - in brede kring zijn aangeslagen. Datzelfde was het geval met de uitvoerigere bijdragen die de Amsterdamse kapelaan Gerardus van Noort tussen 23 oktober 1891 en 11 november 1892 over Rerum Novarum publiceerde in.De Volksbanier, het weekblad van de zojuist genoemde Roomsch Katholieke Volksbond. De gebundelde uitgave van de in totaal 29 bijdrage verscheen in het voorjaar van 1893. 33 Van Noort was toen al enkele maanden professor in de dogmatiek op het Haarlemse groot-seminarie Warmond. Zijn commentaar is met name interessant, omdat - zoals hij zelf al opmerkt - voor een juister en vollediger begrip van het behandelde onderwerp zaken moesten worden toegevoegd en gevolgtrekkingen en toepassingen gemaakt, waartoe het pauselijk woord zijns inziens aanleiding gaf. Deze toepassingen, toegesneden op de Nederlandse situatie - die bij Boomaars geheel ontbreken - hebben onder meer betrekking op de eventuele invoering van een 'maximalen-arbeidsdag';

de wenselijkheid ja dan nee van een minimumloon en de mogelijkheden die de burgerlijke overheid heeft om een te lage loonstandaard te verheffen; de samenstelling van de werkliedenorganisaties; en een eventuele pensionering van bejaarde werklieden door de staat. Bij zijn standpuntbepaling ten aanzien van deze onderwerpen hield Van Noort terdege rekening met de opvattingen in deze, zoals dr. Herman Schaepman die rond dat tijdstip bij diverse gelegenheden naar voren had gebracht, ook al wijkt hij op concrete punten zoals ten aanzien van de samenstelling van de werkliedenorganistaties duidelijk van Schaepman af. Dat zijn commentaar geen kritische beoordeling bevatte van hetgeen Leo XIII poneerde om het arbeidersvraagstuk op te lossen, is begrijpelijk indien men zich bewust is van de taak, die katholieke theologen in die tijd geacht werden te vervullen.

Beide commentaren hebben door hun verbreiding op grote schaal in kringen van volksbonden, werkliedenverenigingen en vakbonden nog jaren na dato een belangrijke bijdrage geleverd aan de bewustwording van de katholieke arbeiders in Nederland in de geest van de encycliek. Verantwoordelijk voor die verbreiding waren vooral aalmoezeniers en geestelijk adviseurs, sociaal bewogen parochiegeestelijken en individuele bestuursleden van werkliedenverenigingen. Wat de eerste jaren aangaat, kunnen in het Zuiden met name genoemd worden de Bossche kapelaan C. Prinsen, die in de winter van 1891-1892 als eerste priester in het diocees 's-Hertogenbosch systematisch bekendheid heeft gegeven aan Rerum Novarum en ook een grote rol speelde bij de oprichting van de eerste katholieke werkliedenbond in Den Bosch in december 1892, 34 voorts deken Bronsgeest van Nijmegen, die in 1894 betrokken was bij de oprichting van de eerste volksbond in die stad; verder kapelaan J.A. Wolters, initiatiefnemer tot de oprichting van de Tilburgse katholieke Gildenbond in 1896; 35 en de aanvankelijk eveneens in Tilburg werkzame kapelaan L. Poell, die vanaf 1897 lessen gaf over het maatschappelijk vraagstuk, die vervolgens verschenen in de Tüburgsche Courant en later ook in boekvorm werden gepubliceerd. 38 Belangrijke voormannen in Twente waren naast uiteraard Alfons Ariëns, wiens betekenis met betrekking tot de ideeënontwikkeling en vormgeving van de katholieke sociale actie landelijk

was, pastoor G.A.F. Groothuis te Rossum bij Oldenzaal, die al in 1887-1889 publiceerde over de noodzaak van katholieke werkliedenverenigingen; 37 en rector D. Sloet te Oldenzaal, die samen met Ariëns in januari 1893De Katholieke Werkman, maandblad voor de R.K Werkliedenverenigingen in Overijsel oprich een periodiek dat een jaar later - in weekbladvorm - het orgaan werd van de Bond van R.K. Werkliédenvereenigingen in het Aartsbisdom Utrecht. Een period tenslotte dat voor de verbreiding van het gedachtengoed van Rerum Novarum ook grote betekenis heeft gehad is het vanaf 1901 verschijnende Katholiek Sociaal Weekblad, een initiatief van de Leidse jurist P.J.M. Aalberse, die zich al eerder had opgeworpen als pleitbezorger voor de ideeën van Rerum Novarum.

Bovengenoemde personen - en de opsomming is zeker niet uitputtend - hebben aannemelijk weten te maken, dat Rerum Nóvanun niet enkel reageerde op misstanden in Italië, Frankrijk of België, maar ook in Nederland toegepast kon en moest worden. Overigens moet worden toegegeven, dat de industrialisatieprocessen in Nederland niet zo ontwrichtend verliepen als in de industriegebieden van Engeland, Frankrijk of België. De landarbeiders die hier naar de steden trokken, deden dat ook om aan de ontberingen op het platteland te ontkomen. De leefomstandigheden in die steden waren in vergelijking met die op het platteland vaak niet veel slechter. 39 Initiatieven gericht op verbetering waren daarmee echter allerminst overbodig. Voor de sociale acties die daadwerkelijk werden ondernomen, bood Rerum Novarum een kader waarbinnen, zij het soms wat omslachtig en niet altijd even doelgericht, maar uiteindelijk wel met succes de totstandkoming van een katholieke arbeidersorganisatie onder de hoede van de kerkleiding een feit werd. Daardoor bleef - in elk geval in Nederland - de verbinding tussen de godsdienstig-zedelijke en materiële verheffing van de katholieke arbeiders bewaard. Ook dat was een doelstelling van Rerum Novarum


1. Tevermeldenzijn onder meer: SocialCatholicismandthedevelopmentofcatholicsocialdoctrine: international conference on the centenary of Rerum Novarum (12-14 April 1991, University of Huil); Een arbeider is zijn loon waardig: symposium bij gelegenheid van 100 jaar Rerum Novarum en 100 jaar Christelijk Sociaal CongresQA mei 1991, Vrije Universiteit/Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme); Rechtvaardigheid in ontwikkeling/Vernieuwing van het sociale denken; een lezingencyclus naar aanleiding van 100 jaar Rerum Novarum (14 maart - 25 april 1991, Theologische Faculteit Tilburg); 100 jaar Rerum Novarum in: kerkelijke herdenking ('s-Hertogenbosch, 15 mei 1991); 100 jaar christelijke beweging, bij gelegenheid van de jaarlijkse herdenking van dr. HJ.A.M. Schaepman (25 mei 1991 Tubbergen). De Stichting Dr. Schaepman Centrum te Tubbergen, organisator van de jaarlijkse 'Schaepmandag', heeft ook het initiatief genomen tot de publicatie van een lesbrief over Rerum Novarum ten dienste van het Middelbaar Onderwijs. Deze lesbrief, getiteld Opkomen voor elkaar. 1891-1991: Honderd jaar Rerum Novarum, samengesteld door W. Janssen en D. Steenis en uitgegeven door het Katholiek Pedagogisch Centrum in Den Bosch, verscheen begin mei 1991.

2. Th. Salemink, 'Kieren voor de slachtoffers', in De Bazuin 74 (1991) nr. 18, 5-7. Een nadere uitwerking van beide voorbeelden in: Th. Salemink, 'Honderd jaar katholieke sociale leer. Een derde weg tussen vrije markt en plansocialisme? ', in Tussen arbeid en kapitaal Een eeuw katholiek en protestants sociaal denken, DISK-Cahier XV, Amsterdam 1990, 79-115.

3. J. ter Schure, 'Sociale vernieuwing in Brabant' in Bisdomblad, officieelweekbladvoorhet bisdom 's-Hertogenbosch 69 (1991) nr. 21, 3. Vgl. ook J.G. ter Schure, 'Onze zorg voor de medemens, Kerstboodschap 1990' in Analecta van het bisdom van 's-Hertogenbosch, nov./dec. 1990, 3-18.

4. J.A. Righart, 'Rerum Novarum et antiquarum. Katholiek-sociaal denken en doen in Nederland, 1891-ca. 1918', in: GJ. Schutte (red.) Een arbeider is zijn loon waardig Honderd jaarna Rerum Novarum en Christelijk-Sociaal Congres 1891: De ontwikkeling van het christelijk-sociaal denken en handelen in Nederland 1891-1914, 's-Gravenhage 1991, 42.

5. A. Simonis, 'Honderd jaar na dato' in: 1-2-1-Informatiebulletin 19 (1991) 382.

6. Vgl. hiervoor St.H. Pfürtner und W. Heierlei, Einfühmng in die katholische Scziallehre, Daimstadt 1980 en W. Palaver (Hg.) Centesimo anno. lOOJahre Katholische Soziallehre. Bilanz undAusblick, Thaur 1991. In 'Katholieke Sociale Traditie na de val van Oost-Europa. Honderd jaar na Rervm Novarunf in: Wending46(1991), 140-145 doet Th. Salemink een poging de katholieke sociale traditie, die haar uitgangspunt vindt in Rerum Novarum te confronteren met de recente ontwikkelingen in Oost-Europa (uiteraard nog exclusief de politieke veranderingen in de Sovjet-Unie).

7. Vgl. hiervoor J.M.M. de Valk (red.) Vernieuwing van het christelijk sociaal denken, Baarn 1989 (Annalen van het Thijmgenootschap Tl nr. 2). Zie ook G. Schumacher, 'De sociale ethiek van de kerk' in: De sociale kwestie. Rerum Novarum; Een verkenning in verleden en toekomst Onder redactie van het Dr. Schaepmancentrum, Kampen 1991, 156-165.

8. Schetsen hiervan in: S.H. Scholl (red.) 150 ans de Mouvement ouvrier chrétien en Burope de fOuest, 1789-1939, Louvain/Paris 1966. Vgl. ook A.AJ. Thelen, 'Godsdienstige vervolmaking als hoogste doel en lotsverbetering van het volk. Patronen en verhoudingen binnen de katholieke arbeidersbeweging in Nederland, 1888-1916' in G J. Schutte (red.) Een arbeider..., 's-Gravenhage 1991, 43-102. Voorts J. Roes, 'Katholieke aibeider& enegiiig in historische banen. Inleidende beschouwingen over achtergronden, fasen en aspecten' in: J. Bank e.a. Katholieke arbeidersbeweging Studies over KAB en NKV in de economische en politieke ontwikkeling van Nederland na 1945, Baarn 1985, 15-77. Een persoonlijk getinte reflectie op de betekenis van Rerum Novarum voor de katholieke vakbeweging in Nederland bij: PJ J. Mertens, 'Rerum Novarum en de Katholieke Arbeidersbeweging 1 , in: De Sociale kwestie. Onder redactie van het Dr. Schaepmancentrum, Kampen 1991, 114-144.

9. Citaten, ontleend aan Rerum Novarum, zijn uit de Nederlandse vertaling, uitgegeven in Ecclesia Docens, Hilversum 1948. De vertaling is van L. Zeinstra.

10. J.A. Bornewasser, Curiale appreciatiesvan de priester-politicus Schaepman, Amsterdam-Oxford-New York 1986, 221. Vgl. ook O. Köhler, 'Leo XIII' in: M. Greschat (Hrsg.), Das Papsttum II. Vom Grossen AbendlSndischen Schisma bis zur Gegenwart, Stuttgart 1985, 203-223.

11. Vgl. ook L. de Cruyenaere, 'Honderd jaar Rerum Novarum' in: Collationes. Vlaams Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal, 21 (1991) 115-132.

12. L. Triebeis, "Leo Xm en Rerum Novarum' in: F. Weve en L. Triebeis Redevoeringen uitgesproken in de plechtige openbare senaatszitting der R.K. Handdshoogeschool te Tilburg bij de 40-jarige herdenking der encycliek Rerum Novarum op dinsdag 12 mei 1931, Tilburg 1931, 41.

13. Ibidem, 51.

14. H. van Munster, 'Over nieuwe toestanden' in: 1-2-I-Informatiebulletin 19 (1991) 388.

15. Vgl. voor de wordingsgeschiedenis van Rerum Novarum G. Antonuzzi, L'encyclica Rerum Novarum, Testo autentico e redazioni preparatorie dai documenti originali, Roma 1957. Voorts J. Racine 'Rerum Novarum en zijn ontstaansgeschiedenis' in Communio 6 (1981) 127-138 en H. Soigenftei, Die geistesgeschichtliche Hintergründe der Scaalenzyklika Rerum Novarum, Heidelberg 1970. Onlangs verscheen Adolf Kolping. Fürein sonates Ch risten tum, Freiburg 1991, waarin Chr. Feldmann ingaat op Kolpings 'Gesellenvereine' en hun betekenis voor de totstandkoming van Rerum Novarum.

16. Vgl. hiervoor Ph. Levillain, Albert de Mun. Catholidsme frangais et catholicisme romain du Syllabus au Railliement, Rome 1983, 938-942.

17. Illustratief hiervoor C.W. ten Teije, De opkomst van het socialisme in Breda, Actie en Reactie tot 1908, Tilburg 1986, vooral 187-188.

18. H. Poels, Leo XIII en de Sociale Quaestie. De godsdienstin het leven van een volk. Vakverenigingen. Rede van Dr. H. Poels, uitgesproken op de zesde sociale week te Maastricht, 3 september 1911, Heerlen z.j., 19.

19. Uitspraak van kapelaan L. Poell, ontleend aan A.AJ. Thelen, Lambert Poell (1872-1937) en de katholieke sociale beweging. Sociaal-klerikaal spanningsveld in het Bossche Diocees1896-1915, Tilburg 1990, 25.

20. H. Poels, 'De Noodkist' in: H.Poels, Ben zestal redevoeringen, uitgave van den Limb. R.K. Werkliedenbond, z.p., z.j., 101-115, citaat ontleend aan 109. De tekst werd uitgesproken op 13 maart 1917.

21. Zie noot 18, 20-21.

22. J. Roes (red.), Bronnen van de katholieke arbeidersbewegingin Nederland. Toespraken, brieven en artikelen van Alfons Ariëns, 1887-1901, Baarn 1982, nr. 101, 345-355. Deze toespraak is van

23 juni 1895.

23. H. Schaepman, Rerum Novarum. Rede Over de jongste Encycliek van Z.H. Paus Leo XIII, Utrecht 1891. Een bewerking van deze rede in hedendaags spraakgebruik in De Sociale kwestie, onder redactie van het Dr. Schaepmancentrum, Kampen 1991, 55-71.

24. Vgl. G. Brom, Alfons Ariëns, I, Amsterdam 1941, 215.

25. La Hiërarchie Catholique et le Problème social depuisf entyclique Rerum Novarum1891-1931. Répertoire Bibliographiqüe Des Documents Emanés Des Souverains Pontifes et de fEpiscopat, Mechliniae 1931, 249. Ook de brieven van de andere Nederlandse bisschoppen zijn via dit repertorium teruggevonden. In een door J.P. de Valk in 1984 in D/VKgepubliceerd rapport over de 'Criminaliteit onder de Nederlandse katholieken en de betreurenswaardige toestand van de katholieke arbeiders', dat in 1902werd samengesteld door R. Giovannini ten behoeve van het Staatssecretariaat in Rome, wordt een vrij negatief beeld geschetst van het merendeel der toenmalige bisschoppen juist op

26. Brief van Caspar Joseph Martinus Bottemanne. Aan de Geestelijkheid en de Geloovigen van ons Bisdom, Haarlem, 18 februari 1892. Vgl ook J.A. Bornewasser 'De 'open' katholiciteit van paus Leo Xm en zijn 'bisschop in politicis' Schaepman' in: W. Frijhoff en M. Hiemstra (red.) Bewogen en Bewegen. Dehistoricusin het spanningsveld tussen economieencultuur. Liberamicorum aangeboden aan Prof. dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemt ter gelegenheid van zijn 25-jarig professoraat aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg 1961-1986, Tilburg 1986, 389-390. Zie ook W.G. Ubink, 'De kerkelijke ovethód en het ontstaan van de katholieke aibeideisoiganisaties in Nederland' in: KDGjaaiboek 3 (1973) 48-72.

27. Collectio epistolarum pastoralium, decretorum aliorumque documentorum quae pro regimine dioecesis Bredanae publicata fuerunt a die 17Junii 1885-1904, Gestel St. Michaelis, 1903, 236-244. Vgl. M. Huijbregts, 'Rerum Novarum in Breda. Loffelijk onder de allerlaatsten' in: Bisdomblad Breda 5 (1991) nr. 5, 15.

28. Collectio Epistolarum Pastoralium, decretorum aliorumque Documentorum quae ab Illmo ac Revmo Dno Adriano Godschalk, publicata fuerunt annis 1888-1891, Gestel St. Michaelis 1894, 310-324. Vgl. ook J.Y.H.A. Jacobs, 'De verankering van Rerum Novarum in Nederland' in 1-2-1- Informatiebulletin 19 (1991) 284-290.

29. Zie vorige noot, 334-349.

30. CoUectio Epistolarum pastoraüum, decretorum aliommque documentomm, quae ab Illmo Revmo Dno Wilhelmo van de Ven, episcopo Buscoducensi, publicata fuerunt annis 1892-1905, Gestel St. Michaelis 1905, 3749.

31. En wel in De Volksbanier, orgaan voor de leden van den Nederlandsch en RK Volksbond, 1 (1891) nr. 1.

32. De Volks-Missionaris. Godsdienstig Maandschrift onderredactie van eenige paters redemptoristen 12 (1891) en 13 (1892).

33. De gebundelde uitgave is getiteld Het Arbeiders-vraagstuk. De encycliek van Z.H. Paus Leo XIII, populair besproken en toegelicht, Amsterdam 1893.

34. A van Rijen, De Bossche Diocesane Werkliedenbond 1903-1928, Tilbuig 1928, met een hoofdstuk getiteld: "Vier sociale priesters van het bisdom 's-Hertogenbosch', 190-200.

35. T. Thelen, 'De R.K. Tilburgsche Gildenbond. Ontstaan van de katholieke arbeidersbeweging in Tilburg 1894-1896' in: Tilburg tijdschrift voorgeschiedenis, monumenten en cultuur, 7 (1989) 81-88.

36. A.A J. Thelen, Lambert Poell (1872-1937) en de katholieke sociale beweging. Sociaal-klerikaal spanningsveld in het Bossche Diocees 1896-1915. Analyse van een mentaliteit, Tilburg 1990.

37. Gedenkboek Omstaan en dertigjarige wedaaamheid van den Diocesanen Bond van RK Weddied vereenigingen in het aartsbisdom Utrecht 1893-1923, Utrecht 1923, 22 e.v.

38. Ibidem, 43 e.v.

39. Vgl. E. Zahn, Regenten, rebellen en reformatoren. Ben visie op Nederland en de Nederlanders, Amsterdam 1989, 129.

40. Het literatuuronderzoek ten behoeve van dit opstel werd afgesloten op 1 juli 1991.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.