+ Meer informatie

Om Gods eer

2 minuten leestijd

De droefheid is bij des Heeren volk een zaak des harten; dat maakt de oprechten zo bedroefd, dat hij tegen zijn God, tegen de hoge, goedertieren en heilige God gezondigd heeft, dat hij op Zijn heilig Woord niet heeft gelet en aan Zijn getrouwe stem en goede bevelen ongehoorzaam is geweest. Hij wil de straf wel dragen, mocht de Heere hem maar genadig, maar met hem verzoend willen wezen. Er is een waarachtige zelfveroordeling, niet tot zelfbehoud; maar opdat Gods Wet in haar geheel biijve, is er een waarachtig verwerpen van zichzelven voor Gods gerechtigheid en een erkennen van Zijn rechtvaardigheid.

De oprechte matigt zich geen genade aan, hij wil ook geen genade uit eigenliefde, geen genade, om toch daarbij in de zonde te blijven, gene ten koste van Gods Wet, van Zijn deugden en volmaaktheden; neen, de bedroefde naar God zal geen troost kunnen aannemen, tenzij hij alle deugden en volmaaktheden des Heeren ongekrenkt bewaard en tegenover zijn zonde en vervloeking in het licht des Geestes zelf in volle luister ziet; daar is bij hem geen vraag, wat er van hèm wordt, maar wat er van Gods eer en Naam wordt.

Ook is het niet alleen een bijzondere misdaad, waarover hij zich beklaagt; neen, maar bij gelegenheid van elke bijzondere overtreding veroordeelt hij zichzelven ganselijk voor God vanwege zijn ongehoorzaamheid en dringt door tot zijn algehele verdorvenheid, schandelijke rebellie en volslagen onmacht om iets weder te kunnen goedmaken.

H. F. Kohlbrugge

(„De ware Zelfbeproeving")

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.