+ Meer informatie

DE SYNODE EN DE KERKEN

31 minuten leestijd

De betekenis van de meerdere vergaderingen i.c. de generale synode en van de daar genomen besluiten voor de kerken

Een generale synode heeft geen enkele andere functie dan om de kerken te dienen en te bouwen. En toch komt het vaak voor dat besluiten van de synode niet in dank worden afgenomen en onder kritiek worden gesteld. Of die kritiek al of niet terecht is laten we nu nog in het midden. Maar het feit is te constateren voor wie goed luistert naar wat er wel gezegd wordt over het werk en de besluitvorming van de generale synode.

In dit verhaal is een stuk principieel gereformeerd kerkrecht verwerkt en van daaruit benaderen we de lastige stof die met het thema van deze conferentie is gegeven.

MEERDERE VERGADERINGEN

Eerst iets over de zogenaamde meerdere vergaderingen.

Wat zijn meerdere vergaderingen? Het zijn niet anders dan vergaderingen waarin een aantal kerken bij elkaar komt om ouer kerkelijke zaken op kerkelijke wijze te spreken. Zij mogen en moeten besluiten nemen in zaken die de kerken gezamenlijk aangaan en die op kerkelijke wijze op de agenda van de vergaderingen zijn terechtgekomen. De aard van de besluiten hangt uiteraard af van de aard van de zaak die aan de orde is.

We kennen drie soorten meerdere vergaderingen: die van de classis, de particuliere synode en de generale synode. Het woord ‘meerdere’ in de term ‘meerdere vergadering’ moet niet verstaan worden in de zin dat de ene vergadering kan bepalen wat een mindere vergadering moet doen. In dit verband is artikel 36 van de kerkorde van belang. Daar staat dat de classis over de kerkenraad hetzelfde gezag heeft als de particuliere synode over de classis en de generale synode over de particuliere. Deze bepaling is gericht tegen het zogenaamde independentisme dat geen enkel gezag van een meerdere kerkelijke vergadering aanvaardt. Een grondregel in het gereformeerde kerkrecht is dat geen kerk over andere kerken enige heerschappij zal voeren. Geen dienaar voert heerschappij over andere dienaren, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen of diakenen (artikel 86 van de kerkorde). Dit artikel legt het fundament voor de gereformeerde kerkregering. Deze bepaling is de hoeksteen van het gereformeerde kerkrecht en is trouwens ook duidelijk uit de Heilige Schrift af te leiden.

Met deze formuleringen van artikel 36 en 86 wordt de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk gehandhaafd en tegelijk wordt de aard van het kerkverband omschreven. Want velen ervaren een spanning tussen de plaatselijke gemeente en het kerkverband. Toch hoeft die spanning er niet te zijn wanneer we de grondslagen van het gereformeerd kerkrecht serieus nemen en in praktijk brengen en er naar handelen in alles wat we in de kerken doen.

Het woord ‘meerdere’ in de term ‘meerdere vergaderingen’ zegt slechts dat in een classis een aantal kerken in vergadering bijeen komt en in een particuliere synode weer een groter aantal kerken en in de generale synode komen alle kerken van het kerkverband in vergadering bijeen. Dat dit gebeurt via afgevaardigden, die op kerkelijke wijze verkozen worden, doet aan dit gegeven niets af. Vandaar dat afgevaardigden voorzien moeten zijn van een lastbrief die door de vergadering die hen heeft afgevaardigd ondertekend moet zijn.

BEGINSELEN VAN HET GEREFORMEERDE KERKRECHT

Gelukkig roepen lang niet alle besluiten van kerkelijke vergaderingen spanningen en vragen op. Dat geldt zelfs van de meeste besluiten. Die zijn zo duidelijk en min of meer voor de hand liggend dat de leden van de kerken wel begrijpen dat een ander besluit niet te nemen was.

Over de aard van zulke besluiten is wel iets principieels te zeggen. Het formele beginsel van het gereformeerde kerkrecht is het Schriftbeginsel. Wat zegt de Schrift? Dat is uitgangspunt van alles wat we doen. Maar wat de Schrift zegt, is nog niet altijd zo maar om te zetten in concrete besluiten van een kerkelijke vergadering over concrete zaken. Dat hangt mede van de aard van de onderwerpen, zaken en kwesties af. Het materiële beginsel van het gereformeerde kerkrecht is dat van de volledige alleenheerschappij van Christus. Het kerkrecht bedoelt niet anders dan de heerschappij van Christus te waarborgen en vorm te geven in het leven en samenleven van de kerken. Christus is het Hoofd van de gemeente. Zijn heerschappij geldt in de plaatselijke kerk, maar zij geldt evenzeer in het kerkverband.

De ambtsdragers zijn wezenlijk aan elkaar gelijk. Niet één staat boven de ander. Ze zijn allen broeders en dienaren. Ze zijn allen dienaren van Christus. Niemand heeft enige heerschappij over de ander. Dat geldt ook van de kerken in hun onderlinge verhouding. Elke plaatselijke kerk heeft die zelfstandigheid, die de Schrift haar toewijst. In de plaatselijke gemeente zijn de ambten gegeven. Ze zijn gave van de ten hemel gevaren Christus (zie Ef. 4). In elke gemeente is de volledige heerschappij van de totale Christus aanwezig. Dat betekent dat wij ten opzichte van elkaar ‘collega’s’ zijn: collega’s in het dienen en gehoorzamen van Christus. Wij zijn allen onderworpen aan het Woord. Niemand heeft maar enige zeggenschap over de ander. Hierin vindt het beginsel van de collegialiteit zijn oorsprong. Als dit grondbeginsel op goede wijze functioneert, is het een vreugde om in de kerken te werken, in de dienst van Christus. Dient de Heere met blijdschap! Niemand hoeft dus enige vrees voor de ander te hebben. Als daar al sprake van zou zijn, dan hebben we het beginsel van de dienende liefde onder druk gezet en doen we te kort aan het voorbeeld dat Christus ons gegeven is. We kunnen bijvoorbeeld denken aan het voorbeeld dat Christus ons gaf in de voetwassing van zijn discipelen.

Alles wat we doen en besluiten is te toetsen aan het Woord en ook aan de belijdenis. Dat geldt van elke kerkelijke vergadering. Ook de belijdenis moet hier wel genoemd worden. Nog steeds geldt onder ons de gedachte dat de belijdenis verwoording is van wat de Schrift ons zegt. De belijdenis is geen vrijblijvende verwoording, maar gezaghebbende uitdrukking van wat de Schrift leert op de punten, die in de belijdenis aan de orde komen.

HET KERKVERBAND

Als nu alles in de plaatselijke gemeente toe dient te gaan in gehoorzaamheid aan en afhankelijkheid van de Schrift, in gebondenheid aan de belijdenis en met erkenning van het recht van de kerkorde, komt de vraag op: wat doen dan nog de meerdere vergaderingen? De plaatselijke kerk kan immers alles zelf besluiten wat tot haar welzijn dient? Jawel, maar in de omgeving — dichtbij en verder weg — zijn ook andere kerken van Christus. Ook daar is het Hoofd van de gemeente bezig zondaren tot de zaligheid te brengen. En alle gelovigen zijn leden van Christus en dus leden ten opzichte van elkaar. Zij hebben met elkaar te maken. Niet dat gelovigen uit de ene gemeente het recht hebben om te oordelen over gelovigen uit een andere gemeente. Maar ze staan wel samen in een gemeenschap met Christus en dus in een gemeenschap met elkaar ook al kunnen ze die gemeenschap meestal niet concreet beleven. Kerken komen voor gemeenschappelijke vragen te staan. Ze staan voor vragen die met het kerk zijn gegeven zijn. Er zijn dingen die boven het belang en de macht van een plaatselijke kerk uitgaan. Het is goed om zulke vragen en zaken samen te bespreken en indien nodig er besluiten over te nemen. De plaatselijke kerken gaan vrijwillig met elkaar een verband aan: het kerkverband. Dat kerkverband is een zaak van vrijwilligheid, maar tegelijk is het een gegeven. Allen die van Christus zijn, hebben een band aan elkaar en staan in een verband met elkaar. Het kerkverband op zich is een abstract begrip. Maar de kerken die er deel van uitmaken en die samen zo’n verband vormen zijn allerminst abstract. Vandaar dat de besluiten van de meerdere vergaderingen meteen de plaatselijke kerken raken. Het ene besluit raakt uiteraard meer dan het andere. Dat hangt van de zaak en de aard van het besluit af.

Het samenkomen van plaatselijke kerken berust dus op vrijwilligheid. Dat is een gegeven dat niet over het hoofd moet worden gezien. Op de synode van Emden in het jaar 1571 zijn enkele fundamentele dingen over het kerkverband gezegd. Er zijn twee fundamentele beginselen in het kerkrecht, namelijk dat van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk én dat van de eenheid van deze kerken. Al de gelovigen zijn één lichaam, waarvan Christus het enige, absolute en onvervangbare Hoofd is. Het gereformeerde kerkverband is het antwoord op de moeilijke en principiële vraag hoe aan deze eenheid van alle gelovigen in Christus organisatorisch gestalte is te geven, met volledig behoud van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken. De eenheid van de in een kerkverband samen levende plaatselijke kerken ligt dus geworteld in eenzelfde geloofsovertuiging! Zo kwam men tot de meerdere, kerkelijke vergaderingen, die voortkomen uit de eenheid van geloofsovertuiging en die kerkelijk uitdrukking willen geven aan dit geloof. Zulke vergaderingen zijn de best denkbare middelen om dienstbaar te zijn aan de eenheid van de kerken en hun geloofsovertuiging. Deze kerkelijke vergaderingen zijn niet bedoeld als een conferentie, maar deze meerdere vergaderingen oefenen gezag. Dit gezag is geestelijk en daarom bindend van aard. En dit is niet een aantasten van de rechten en de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken. Immers, op een meerdere vergadering mogen alleen die zaken worden behandeld die in een mindere vergadering niet konden worden afgedaan. Probeer ik het wat samen te vatten, dan beoogt de Kerkorde van de gereformeerde kerken de realisering van het koningschap van Christus in en over zijn Kerk, maar deze Koning is tegelijk en altijd de Goede Herder. Daarom zijn de ambtsdragers niet anders dan onderherders. De regering van de kerk is een herderlijke zaak. Daarom moet de kerkorde een pastoraal karakter dragen.

KERKREGERING IS GEEN DEMOCRATIE

Het is te begrijpen dat niet iedereen dat meteen zo ziet en beleeft. Er zijn wel eens gedachten die in de richting gaan van de overweging of het niet beter zou zijn om de meerdere vergaderingen af te schaffen of zo veel mogelijk te beperken. Voor het eerste — afschaffing — is niets te zeggen, voor het tweede wel het een en ander. Wanneer we vrijwillig samen een kerkverband vormen en we maken als plaatselijke gemeente daar deel van uit, dan is het onmogelijk om als plaatselijke gemeente te beslissen in zaken die alle gemeenten aangaan. Ook in de kerk kan de neiging ontstaan om de agenda’s van vergaderingen steeds langer en voller te laten worden. Daar moeten we tegen waken. Er passeren zaken de vergadering van de kerkenraad die daar niets te zoeken hebben. Ook de kerkenraad heeft zich op kerkelijke wijze met kerkelijke zaken bezig te houden. Een kerkenraad is geen kabinet van de gemeente. Een kerkenraad is evenmin een tafel voor allerlei maatschappelijke en christelijke organisaties, hoeveel goed werk die ook verrichten. Dat neemt niet weg dat er ook ‘zakelijke’ aangelegenheden behandeld moeten worden. De financiën van de gemeente vragen een zorgvuldig beheer. De gebouwen hebben onderhoud nodig. We weten hier allemaal, dat er veel voor komt kijken om een gemeente in haar totaliteit goed te besturen. Maar altijd zal dat op geestelijke wijze gebeuren. Dat geestelijke zit niet direct in de besluiten als zodanig, maar wel in de manier waarop we bezig zijn om tot besluitvorming te komen. Het is overbodig op te merken, dat besluiten naar de gemeente toe goed gecommuniceerd moeten worden. De gemeente heeft het recht van toetsing. Dat betekent niet dat de gemeente in zaken die de kerkenraad afhandelt een eigen traject van tegengestelde of met de besluiten van de kerkenraad in strijd komende handelingen kan gaan. De kerkenraad vertegenwoordigt het gezag van Christus. In wat de kerkenraad doet, krijgt de regering van Christus gestalte in de gemeente. Dat maakt het belang, de ernst en de zorgvuldigheid van wat de kerkenraad doet uit.

De kerkenraad is overigens geen vertegenwoordiging van de gemeente. Hier luistert het nauw. Dat geldt ook voor de meerdere vergaderingen. We spreken er graag over dat de breedte van de kerken vertegenwoordigd moet zijn en tot haar recht moet komen. Dat is een nobel uitgangspunt, maar het ligt gevaarlijk dicht aan tegen de gedachte, dat er een soort democratie in de gemeente en in de kerken moet functioneren. Principieel is de kerkregeling geen democratie. Het recht van de kerk is geen democratisch recht, al dient dit recht naar alle kanten het volk van God. Het recht van God is het recht van het volk van God. Dit is maar geen woordenspel. Hier raken we aan de grondbeginselen van het recht van de kerk. Het recht van God dient het welzijn van allen. Maar allen hebben zich dan ook te voegen naar dat recht. De vraag is uiteraard: wat is dat recht van God? Het is niet anders dan het recht dat Christus op de gemeente heeft. Hij heeft de gemeente met zijn kostbaar bloed gekocht voor God, zijn Vader. Alle weldaden die Christus heeft verworven door zijn volbrachte werk als Borg en Middelaar, vloeien uit naar zijn volk, dat de gemeente is. Dat gebeurt door het werk van de Heilige Geest. Het deel krijgen aan de weldaden van Christus verloopt in de weg van de prediking van het Evangelie van Jezus Christus, naar alle rijke kanten die er aan zitten, en door het werk van de Heilige Geest, die doet horen naar het Woord van Christus en die daarbij het geloof werkt en versterkt. Dat gebeurt op een wonderlijke, goddelijke wijze. Het is het diepe, innerlijke werk van de Geest. Hij doet dat werk wanneer wij de middelen (van de genade) trouw bedienen en waarnemen. Hoe trouwer en ijveriger we zijn, hoe meer we mogen verwachten en zullen zien van dit rijke werk van de Geest.

Maar dit alles neemt niet weg dat het regeren van de gemeente van Christus een heel concreet gebeuren is. Daar horen vergaderingen bij, daar zijn agenda’s voor nodig. Er zijn mensen nodig die leiding kunnen geven aan zulke vergaderingen. Geestelijk is ook praktisch. Geestelijk is vooral kerkelijk. Ook het omgekeerde geldt: kerkelijk is geestelijk; maar in de praktijk ervaren we daar wel moeite mee. Immers, we hebben ook onze eigen mening. Wij vormen voor onszelf bepaalde gedachten en opvattingen over zaken, die in de gemeente en in het verband van de kerken spelen. Wij komen voor onszelf tot een bepaalde overtuiging. We vonden bijvoorbeeld de Nieuwe Bijbel Vertaling een mooi stuk werk. We waren er meer of minder enthousiast over. Of we stonden van meet af aan er al gereserveerd tot afwijzend tegenover. En dan gaat een kerkelijke vergadering er zich mee bemoeien. En zij komt tot een uitspraak die in een andere richting gaat dan wij voor onszelf hadden ervaren. Dat levert een bepaalde spanning op. Ik wil nog niet spreken van een conflict, maar tussen het ervaren van spanning tussen opvattingen van personen en een kerkelijke vergadering en het ontstaan van een conflict ligt geen grote afstand. De vraag houdt je bezig: ben ik dan zo mis geweest? Is mijn taxatie en aanvoelen ondeugdelijk? Dat kan. Zit de betreffende kerkelijke vergadering er voor een deel of zelfs helemaal naast? In principe is ook dat mogelijk.

OMGAAN MET SPANNINGEN

Hier raken we aan een spanningsveld dat nooit helemaal is op te lossen, zolang er een kerk en kerkverbanden zijn in deze wereld. Het is geen oplossing om het kerkverband dan maar los te laten en op te geven. Binnen de ruimte van het gereformeerde kerkrecht hebben we onze zelfstandigheid en toch kan niet iedereen maar doen wat goed is in eigen oog. Nu gaan in het algemeen kerkenraden wel zorgvuldig om met de kerkorde en probeert men naar eer en geweten — voor Gods aangezicht — het beste te zoeken voor de gemeente.

Toch zullen we van onze eigen inzichten en opvattingen wel eens wat moeten inleveren ten gunste van het geheel van de kerken. Ik zeg: inleveren ten gunste van. Dat betekent misschien in de eigen beleving: ten koste van. Ten koste van het eigen gewonnen inzicht waarvan men overtuigd is, dat die bijbels is en voor God en mensen verantwoord. Maar wie uit geloof, hoop en liefde heeft leren leven, behoudt de christelijke vrijheid, óók wanneer hij in het voor zichzelf houden van een bepaalde opvatting het gebruiken van die vrijheid wat inperkt. Of moeten we dan juist zeggen: dat is nu juist een rijp gebruik maken van de persoonlijke, christelijke vrijheid als we niet alles doorzetten van wat we zelf denken en ervaren? Niet al mijn ideeën hoeven vorm te krijgen in het kerkelijke leven, zelfs dan niet wanneer mijn gedachten niet af te wijzen zijn en in het licht van de Bijbel overeind gehouden kunnen worden. We willen er van afzien ten gunste van het geheel van de kerken, in de dienst aan broeders en zusters die het op die punten niet eens zijn en niet kunnen zijn met zoals ik erover ben gaan denken.

HOE VER MOET JE HIERIN GAAN?

Je kunt een zekere spanning ervaren. Toch wordt niemand er minder van wanneer hij of zij zelf wat terugtreedt om de ander te dienen. Maar dit mag nooit zo ver gaan, dat we elkaar in het geweten zouden binden. Hier is een spanning op te merken die eigen is aan het kerkelijke samenleven en die in deze bedeling niet opgelost kan worden. Dus: we zullen ermee moeten leven op kerkelijke wijze, dat is op geestelijke wijze, in het ten volle respecteren en aanvaarden van elkaar. Het is en blijft een illusie, dat alle anderen over bepaalde dingen precies zo denken als ik het doe. En toch: als er een band is aan de Christus, herkennen en aanvaarden we elkaar. Daar roept de Schrift ons uitdrukkelijk toe op. Aanvaardt elkaar zoals Christus ons aanvaard heeft.

Kunnen we als persoon het meestal wel opbrengen om ons te voegen in het geheel van de besluiten van de meerdere kerkelijke vergaderingen, moeilijker ligt het wanneer het gaat om een plaatselijke gemeente die niet kan meekomen in bepaalde besluiten van bijvoorbeeld een synode. Ieder van ons weet dat er op dit punt in de afgelopen vele jaren het een en ander fors is misgegroeid in de kerken. Als je soms eens van de buitenkant af aankijkt tegen wat je als uitersten in het kerkverband kunt ervaren, verwonder je je erover dat dit alles in één verband kan blijven functioneren. En er kan wel degelijk reden zijn om elkaar op een bepaalde wildgroei te wijzen. Er zijn gemeenten die wel heel ver gaan in de vrijheden die ze zich veroorloven in de liturgie van de kerkdiensten. Het is niet aan mij om daarover een veroordelend woord uit te spreken — daarvoor sta ik hier vandaag niet —, maar dat dit als een spanning en soms zelfs een ergernis kan worden beleefd door anderen, is wel een punt.

Het zal wel nooit zo ver komen, dat altijd iedereen in de gemeente en in de kerken het eens is met bepaalde besluiten. Heeft men reële bezwaren die men niet kan wegstrepen tegen het algemeen belang van wat besloten is, dan blijft de weg van appel over. Ieder lid van de gemeente heeft het recht om tegen besluiten in appel te gaan bij de meerdere vergadering. Uiteindelijk zal hij of zij zich dan wel moeten neerleggen bij wat zo’n vergadering besluit. En dat valt sommigen nog moeilijk. De ene mens is meegaander dan de ander. Het ene karakter steekt ook anders in elkaar dan het andere. Dat alles speelt mee.

‘PSYCHOLOGIE

Mogelijk is wel eens wat veronachtzaamd hoeveel ‘psychologie’ er meespeelt in de opstelling van broeders en zusters. Wanneer men elkaar beter leert kennen, is een heleboel te verklaren uit de gang en de geschiedenis van het leven. Niet alles. Want als de Here werkt in het hart, heeft dat positieve uitwerking op het karakter en op het gedrag. Een mens kan het karakter niet veel veranderen, hij kan wel het gedrag aanpassen en leren veranderen. Er kunnen vele min of meer onbewuste blokkades in een mens aanwezig zijn, waardoor hij of zij niet tot de beleving van de volle vrijheid in Christus kan komen. Al deze factoren maken het werken in de kerken ook wel tot een af en toe moeizame arbeid. Samenwerken met mensen die dingen zien, die visie hebben, die denken en leven vanuit het geloof in de Schriften, is een prachtig ding. Daar worden we zelf rijker van. De gave van de een is tot verrijking van de ander. Dat wil ook in het kerkelijke leven ervaren worden. Het is ook van belang in de processen die op gang komen in een meerdere vergadering.

PROCESSEN

Het zijn dikwijls complexe processen die uiteindelijk tot een besluit leiden. Dat geldt niet voor eenvoudige of betrekkelijk eenvoudige zaken die voor iedereen duidelijk zijn. Het geldt wel voor besluiten in zaken waarop een verschillende visie mogelijk is terwijl men allen wil uitgaan van het Woord van God. Maar er is nuance in het verstaan van het Woord en van de confessie. En ook wanneer men het in het verstaan wel ongeveer eens is, dan nóg wil dat niet zeggen dat de vertaling daarvan in besluiten in bepaalde zaken op eenzelfde wijze geschiedt. Tussen het verstaan van de Schrift en het vertalen daarvan in besluiten in zaken, die niet rechtstreeks op de Schrift zijn terug te brengen, ligt een proces. Een denkproces, een gevoelsproces, een aanvoelingsproces, hopelijk ook een rijpingsproces. Je ziet hoe die processen ongeveer werken inzake besluitvorming terzake van het kerkelijke lied en de vertalingen van de Bijbel. Het geldt voor lastige ethische vragen bijvoorbeeld op het gebied van de zedelijkheid. Het ongehuwd samenwonen, het vraagstuk van de homofilie: ze zijn moeilijk in heldere kerkelijke besluiten af te handelen.

HOE VER MOETEN BESLUITEN REIKEN?

Hier ontstaat een spanningsveld dat niet is weg te werken. Het is op zijn hoogst te omheinen, in te perken. Hier verschijnt voor ons een heel moeilijk punt terzake van de besluitvorming van de meerdere vergaderingen. In hoeverre moeten die een uitspraak doen over dergelijke zaken? Aan de ene kant is er behoefte aan in delen van de kerken. Mensen willen heldere leiding van kerkelijke vergaderingen ontvangen. Als ik het goed inschat is deze eigenaardige moeilijkheid in de besluitvorming van kerkelijke vergaderingen volop aanwezig in bijvoorbeeld de zusterkerken van de Geref. Kerken (vrijg.). Maar ook in de Chr. Geref. Kerken speelt dit probleem. Het is bijna ondoenlijk voor kerkelijke vergaderingen daar goed greep op te krijgen. Het gevolg daarvan is, dat de kerkenraden zelf met deze zaken aan de slag gaan wanneer ze ermee in de gemeente in aanraking komen. We zagen dit bijvoorbeeld in de synodale besluitvorming rond het kerkelijke lied. Van meet af aan was duidelijk dat de aanvankelijke koers van de synode spanningen zou veroorzaken. De Schrift verbiedt het zingen van geestelijke liederen niet, zei de vergadering, maar alles wat niet verboden wordt, is daarom nog niet geboden. Dat is waar. Maar het betekende ondertussen wel een inperking van de christelijke vrijheid. Nu zijn we dus zo ver, dat heel het moeizame proces is uitgemond in het vrijgeven van zingen van liederen, die wel aan de Schrift en de belijdenis getoetst moeten zijn.

Eenzelfde spanning ligt er met betrekking tot het besluit inzake het gebruik van de Nieuwe Bijbel Vertaling NBV). Het gebruik ervan in de kerkdiensten wordt met klem ontraden. Hoe men daar verder ook over denkt en hoe men de NBV ook taxeert, dit besluit zal het niet houden. Nu is het waar dat besluiten in dergelijke zaken veel tijd en studie vergen. Dat een vergadering niet in één keer uit een moeilijke kwestie komt daarvoor bestaat in de kerken begrip. Maar men moet dan wel naar de kerken duidelijk uitleggen waarom men een besluit op dit moment neemt, zodat elk gevoel van het beoefenen van ‘kerkpolitiek’ voorkomen wordt.

Dit alles leidt mijns inziens onontkoombaar tot de stelling dat de agenda van een kerkelijke vergadering zo sober mogelijk moet blijven. We hebben in de kerken dat ook altijd proberen vorm te geven. Desondanks is het papierwerk ter synode enorm uitgedijd. Dat is een tendens in de hele maatschappij en het is tekenend dat ook de kerken meegaan in deze trend. Rapporten zijn dikker en dikker geworden. De vraag blijft of er geen besluit kan worden genomen om dit terug te dringen. Niet alles hoeft op papier. Wat in een bepaalde tijd actueel is, is na verloop van tijd weer verleden tijd. Actueel en bij de tijd zal altijd blijven het Woord van God en het verstaan ervan. Maar daarover hoeven meerdere vergaderingen nauwelijks of geen besluiten te nemen. Er moet dan wel een dringende, om niet te zeggen, een dwingende noodzaak voor zijn. Heel veel kan worden opgelost en afgerond in de sfeer van onderlinge gesprekken.

EENHEID EN VERSCHEIDENHEID

Op elke kerkelijke vergadering is de zaak van de eenheid en van de verscheidenheid van de kerken aanwezig. Voor beide moet oog blijven. Wij zijn er goed in geworden om het kerkelijke leven in hokjes en categorieën in te delen. Mogelijk doen we daar allemaal wel wat aan mee. We zullen dat in het openbaar niet snel toegeven, maar voor onszelf hebben we wel een soort indeling gemaakt. Die en die horen daar bij, maar hij zit in een heel andere hoek. Waar horen ze bij en welke hoeken kent de kerk van Christus? De Nederlandse ‘oplossing’ van dit denken is de onduldbare verdeeldheid van de kerken. Gelukkig dat daar meer oog voor is gekomen, al zal de praktische oplossing wel nooit helemaal bereikt worden omdat de spanning tussen eenheid en verscheidenheid blijvend is. Die is gegeven met de aardse verschijningsvorm van de kerk van Christus. Daar moeten we dus mee leren leven. Maar laten we dat op geestelijke wijze doen en elkaar de ruimte bieden, die de Schriften ons bieden. En als wij denken dat die ruimte overschreden wordt, laten we niet direct met oordelen komen, maar met elkaar in gesprek gaan en blijven. Het is goed om op die manier elkaar te leren kennen en op te scherpen en eventueel te corrigeren. Als het maar in de aanvaarding van elkaar gebeurt en in de sfeer van de liefde. Daarbij mag naar de waarheid van het Woord worden gevraagd. Maar dat zal wel niemand ontkennen.

BESLUITEN ZIJN BINDEND

Wij moeten blijven bij het aloude en beproefde uitgangspunt van het gereformeerde kerkrecht, dat de besluiten van een meerdere vergadering meer inhouden dan alleen een advies. Een besluit heeft een bindend karakter. Als we dat loslaten, dan zal een meerdere vergadering degraderen tot een soort praatclub. Dat kan niet de bedoeling zijn. Dat is volledig in strijd met de waardigheid van de kerkelijke vergadering, die immers in de Naam van de Here bijeenkomt en waarover de Naam van de Here wordt aangeroepen en uitgeroepen. Er is wel een beperking aan te brengen als we zeggen dat de besluiten van de meerdere vergadering een voor de kerken bindend karakter heeft. Dat bindende is er omdat en voorzover het besluit op Gods Woord gegrond is. Het komt voor, dat iemand van een besluit meent dat het niet geheel recht doet aan het Woord van God. Die ruimte heeft het kerkrecht altijd gelaten. Er is het recht van appel waarover artikel 31 van de kerkorde spreekt.

Een synode kan er soms niet aan ontkomen om bepaalde zaken te laten in de vrijheid van de plaatselijke kerken. We stellen bijvoorbeeld de volgorde van de delen van de eredienst niet synodaal vast. De liedkeuze is binnen bepaalde grenzen vrijgegeven. Hetzelfde geldt voor het gebruik van een Bijbelvertaling. Men kan zaken waarover geen bindend besluit kan worden genomen kan worden alleen maar overlaten in de vrijheid van de kerken als men uitgaat van het vertrouwen in elkaar. We mogen vertrouwen dat elke kerkenraad serieus omgaat met het Woord van God en met zaken uit de belijdenis en ook met de kerkorde. Het behoort bij het geestelijke rijpingsproces in het verstaan van het Woord, dat we de kerkorde op geestelijke wijze hanteren en toepassen. Dat geldt voor zo goed als alle onderdelen van de kerkorde.

Werkt het vrijgeven van bepaalde zaken in de kerken dan geen verdere verwijdering tussen kerken uit? Dat kan zo aangevoeld worden. En (mogelijk) ook wel geconstateerd. Maar het hoeft niet. We gaan uit van vertrouwen in elkaar. Ik zou er bijna bij zeggen: totdat het tegendeel blijkt. En zou dat tegendeel blijken, dan hebben we echt grote problemen. Maar dat is dan weer een zaak voor de meerdere vergadering. Met andere woorden: we krijgen in de kerken nooit alles zo, zoals we het voor onszelf willen hebben. Ik ben wel van mening dat juist de predikanten in deze zaak een bijzondere verantwoordelijkheid dragen. En alle ambtsdragers dragen deze verantwoordelijkheid. Bepaalde liggingsverschillen, als we dat lelijke woord dan even willen gebruiken, zijn niet erg. Erg is als het grondvertrouwen in elkaar verdwijnt. Daarvan zijn donkere voorbeelden te geven, maar dat gaat buiten de grenzen van het thema van deze conferentie. We zullen zolang deze bedeling bestaat met bepaalde zwakheden en onvolkomenheden van elkaar en het kerkelijke leven moeten leren omgaan. Daarom: verdraagt elkaar; aanvaardt elkaar. Kijk er voor uit dat we elkaar niet opeten en in stukken bijten. De Schrift is vol werkelijkheidszin, ook wat betreft de gang en de vormgeving van het gemeenschappelijke kerkelijke leven. Daarom moet er op de praktijk van het liefhebben van elkaar worden gehamerd. Soms kunnen mensen zich daaraan ergeren. ‘Altijd dat gepraat over de liefde. Pak liever door. Pak aan’. Ja, maar meestal gaat dat zo simpel niet. We moeten tot het uiterste voorkomen dat mensen beschadigd raken door ons toedoen en handelen. Ik denk dat we hier allen wel bepaalde gevoeligheden en moeilijkheden uit het eigen gemeentelijke leven kennen en meegemaakt hebben of mogelijk in deze tijd juist meemaken.

HET ENE BESLUIT IS HET ANDERE NIET

Is er verschil in soortelijk gewicht tussen besluiten van een kerkelijke vergadering, met name van die van een synode? Tot op zekere hoogte lijkt me daarvan te spreken. Niet elk besluit heeft dezelfde belangrijkheid en uitwerking. Een puur zakelijk of financieel besluit reikt over het algemeen minder ver dan een besluit in een kwestie die gevoelig ligt en die de harten raakt en de geesten bezighoudt. Maar als een meerdere vergadering zegt: dit is ons besluit, dan zijn de kerken gehouden het besluit aan te nemen en indien van toepassing uit te voeren. Want de kerken hebben zich vrijwillig gevoegd in het kerkverband en in de meerdere vergadering zijn immers de kerken bijeen. Dat dit via afvaardiging gebeurt, doet niets af aan de zaak dat de kerken in vergadering bijeen zijn.

Misschien kunnen we op vergaderingen nog wat helderder onderscheid aanbrengen tussen besluiten en adviezen. Een vergadering kan haar mening onder woorden brengen. Zo’n mening kan van belang zijn voor de verdere meningsvorming in de kerken. Het oordeel is dan nog geen besluit. Het doet aan het gezag van een kerkelijke vergadering niets af wanneer ze zegt: in deze zaak nemen we geen besluit of nemen we nog geen besluit. De zaak is er niet rijp voor of eventueel niet belangrijk genoeg voor, gelet op het geheel van de kerken. Uitgaande van de geestelijke mondigheid van de leden zullen de meesten van hen begrip voor zo’n gang van zaken kunnen opbrengen.

NIET NAAR EEN INDEPENDENTISTISCH STELSEL

Alles overziende rijst de vraag: is het nog wel mogelijk om kerkelijke vergaderingen te houden? Want zodra een zaak complex is en niet direct voor algemene besluitvorming in aanmerking komt, rijzen er problemen. Dat geldt al op een kerkenraadsvergadering, hoe veel te meer zal dit dan blijken op een meerdere vergadering. En dan juist op een generale synode, omdat daar ook alle zaken aan de orde komen die op een mindere kerkelijke vergadering niet afgehandeld konden worden. Toch heeft het gereformeerde denken en belijden nooit willen weten van een independentistische benadering van het kerkelijke leven. In dit stelsel is elke gemeente volledig zelfstandig. Men wijst elk gezag dat van buitenaf komt af. Dus ook elk gezag van een kerkverband of een meerdere vergadering. Men beslist ter plekke hoe men inhoud geeft aan het gemeente zijn. Men heeft daar niemand anders voor nodig. Dat raakt zelfs de zaak van wat men wenst te belijden. Men maakt ter plaatse uit hoe men het Woord van God wil verstaan en zal verstaan. Bij enig doordenken merkt men al spoedig op dat hier de verhouding tussen kerkenraad en gemeente in geding is en ook de verhouding van de gemeente tot de belijdenis en zelfs tot het Woord van God. Ten diepste wordt elk gezag in de gemeente ter discussie gesteld. Men gaat uit van de vrijheid van de Heilige Geest en in zijn naam wordt het gezag van de kerkelijke orde en van de kerkelijke confessie ontkend. Maar ondertussen eigent men zich dat gezag wel toe, beperkt tot de eigen gemeente en omgeving.

SPREEK POSITIEF OVER KERKELIJKE VERGADERINGEN

De generale synode bedoelt niets anders dan met haar vergaderingen en besluiten de kerken te dienen en op te bouwen. Hoe zou het anders kunnen! Want de kerken zelf zijn daar in vergadering bijeen. En er is geen kerkenraad die van plan is om de gemeente te schaden en af te breken. Het is van eminent belang dat wij als ambtsdragers in de plaatselijke kerken zo veel als ons mogelijk is goede woorden van een synode spreken. Zelfs als we het voor onszelf met bepaalde handelingen en besluiten niet eens zijn, hebben we nóg de plicht om daar geestelijk mee om te gaan en niet op badinerende en neerhalende toon over het werk van een kerkelijke vergadering te spreken. Het is niet te ontkennen dat dit soms gebeurt. Dat is een levend lidmaat van de gemeente van Christus onwaardig. En zeker ambtsdragers en onder hen weer predikanten moeten zich matigen in hun kritiek op een synode. Daarmee is niet gezegd dat we voor onszelf niet een zekere kritiek mogen hebben.

We vormen ons een eigen oordeel. Maar laten we niet de indruk wekken dat wij het zo veel beter weten dan de breedste vergadering van de kerken. We moeten ons ook wachten voor eigenwijsheid, die uiteindelijk geen standhoudt. Het is een illusie dat wij het min of meer in ons eentje of met een groep van gelijkgezinden beter zouden doen dan een synode. Misschien moge dat nog een keer gelden voor een bepaalde zaak, maar over het geheel genomen kan er geen sprake van zijn. En hebben wij in een aantal zaken echt inzicht van de Here ontvangen, dan zijn we geroepen om daarmee te dienen en te bouwen. We mogen er nooit onszelf mee zoeken. We mogen ook niet onze stokpaarden blijven berijden. Er is niet zoveel mis mee als iemand voor zichzelf van die ‘stokpaarden’ heeft — al moeten het er ook niet te veel zijn! — maar je moet niet doen alsof er geen andere ‘paarden’ zijn om in het beeld te blijven. De liefde blijkt ook in de zelfbeheersing. Hoeveel liefde klinkt er in onze kritiek door? En ook als we echt teleurgesteld zijn geraakt, een christen mag als kerkelijk mens niet gefrustreerd raken en vanuit die houding reageren. Daar wordt immers niemand mee gediend en jezelf allerminst.

Laten we dus in de kerken het werk en het gezag van de meerdere vergaderingen hoog houden. Want we hebben geen beter alternatief. Er ligt beproefde historiciteit achter het fenomeen van de kerkelijke vergaderingen. Het kerkverband is een wezenlijk element voor het bestaan en het vruchtbare voortbestaan van een gereformeerde kerk. Het is moeilijk aan het worden om de zegen en de waarde van het gereformeerde belijden aan velen duidelijk te maken. De beïnvloeding vanuit andersoortige vormen van denken en benadering van wat de gemeente van Christus is, is groot. Te denken is slechts aan wat we voor het gemak maar de ‘evangelische beïnvloeding’ noemen. Als wij niet staan voor een levend gereformeerd belijden en denken, en ook handelen, dan zullen we langzaam maar zeker de ‘slag’ met de ‘evangelischen’ verliezen. Maar hier raken we aan een thema dat de grens van het onderwerp van vandaag te buiten gaat, hoe boeiend en belangrijk dit thema ook is.

Een generale synode wil de kerken bewaren bij de vrijheid die ze in Christus hebben. Alle besluiten staan ten diepste in verband met de regering van Christus. Maar omdat de regering van Christus in het kerkelijke leven gestalte krijgt door middel van het handelen van mensen, zullen we een gezonde spanning blijven houden tussen de volmaakte regering van Christus en ons onvolmaakte denken en handelen en besluiten. Daarom is het nodig dat we voor elke meerdere vergadering bidden om de leiding van de Heilige Geest. We mogen geloven dat de vergadering leiding van de Geest ontvangt.

Besluiten van een kerkelijke vergadering zijn niet onfeilbaar. Daarom is het van het grootste belang dat we zelf verlangen te leven in de gebondenheid aan Christus en in de vrijheid van Christus. Anders kunnen we niet eens geestelijk denken en handelen. Laten we dus op positieve, kerkelijke, dat is geestelijke wijze, omgaan met de meerdere vergaderingen en hun besluiten. Ze zijn echt tot welzijn van de kerken. Er is geen beter alternatief.

God geve dat de kerkelijke vergaderingen mogen functioneren tot zijn eer en tot opbouw van de gemeente. We staan in dienst van Christus! Met deze laatste zin is alles gezegd.

Ds. J. Jonkman (1945) is predikant van de gemeente van Drachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.