+ Meer informatie

HANDDRUK EN CONSISTORIEGEBED

11 minuten leestijd

Als kind wist ik het heel zeker, elke zondag middenin die grote kerk van Zierikzee: als om tien uur de deur links vooraan openging en de ouderlingen met de dominee binnenkwamen (de diakenen hadden al individueel in hun eigen bank hun plekje gezocht) ging één ouderling voor de dominee uit naar de voet van de preekstoel. Daar gaven ze elkaar een hand. Op dat moment kreeg de dominee zijn geld. En na afloop van de dienst? Dan kwam die ouderling weer uit de ouderlingenbank naar de preekstoel toe, om de dominee weer een hand te geven - en dan kreeg hij het wisselgeld terug. Gaf mijn eigen opa niet elke vrijdag op de zaak het loon van die week aan de ‘knechts’ (zoals we werknemers toen nog noemden)?

Zoals zo vaak met kindergedachten, is ook deze voorstelling later wreed verstoord… De werkelijkheid, zo merkte ik toen ik eens wat dichter bij de preekstoel zat (en iets ouder was geworden), was veel simpeler: een krachtige wisseling van handdrukken, gepaard gaande met enkele woorden die tussen ouderling en dominee gewisseld werden. Daaromheen bleef iets geheimzinnigs hangen: wat zeiden zij?

De functie van de handdruk

Telkens blijkt, op catechese en gespreksgroepen, dat datgene dat zich afspeelt bij het begin van de kerkdienst ‘s zondags tussen de ouderling van dienst en de predikant niet helder is. Ook net bevestigde ouderlingen die voor het eerst dienen, moeten wegwijs gemaakt worden.

De handdruk geeft zichtbaar uiting aan een oer-gereformeerd principe, namelijk dat de verantwoordelijkheid van een kerkdienst geen aangelegenheid is van één persoon (de voorganger), maar van de kerkenraad in zijn geheel. Deze gezamenlijkheid wordt tot uitdrukking gebracht door die handdruk.

Elke zondag wordt er - volgens plaatselijk rooster - een ‘ouderling van dienst’ benoemd. Deze treedt op namens de kerkenraad; hij komt samen met de predikant de kerk binnen en begeleidt hem naar de kansel. Daar geeft hij de voorganger de hand; de hand van de gemeenschap. De gever van die hand ‘zegf tegen hem en tegen de gemeente, dat die voorganger straks wel alleen de kansel opgaat - menselijkerwijs gesproken -, maar dat de kerkenraad achter hem Staat. De kerkenraad heeft er vertrouwen in dat het Woord van God dat de predikant heeft overdacht en dat straks ontvouwd zal worden door hem op prineipieel betrouwbare wijze gepreekt zal worden.

De predikant hoeft zich op de kansel niet eenzaam te voelen, en dat wel in tweeërlei opzicht. Om te beginnen omdat hij bij het stil gebed om de leiding van de Heilige Geest mag bidden en mag vertrouwen dat deze hem op het gebed geschonken wordt, en vervolgens omdat de kerkenraad om hem heen staat.

Het bovenstaande betekent ook dat er eigenlijk geen woorden gewisseld hoeven te worden: de handdruk ‘zegf al voldoende. Anderzijds is het niet nodig elkaar daarin te binden: een paar korte, bemoedigende woorden kunnen - zeker in speciale situaties - heel goed doen.

Bescherming

De handdruk geeft bescherming. Wanneer een lid van de gemeente kritiek op de prediking heeft en dat laat weten (en dat recht heeft hij/zij), dan is niet alleen de predikant daarin gesprekspartner, maar ook de kerkenraad, speciaal de ouderlingen. Zeker bij kritieke situaties in het gemeentelijk leven, waarbij de predikant sterk ‘onder vuur komt te liggen’, kan dit een grote steun zijn. Hij mag een beroep op de breeders doen!

Het geeft ook bescherming naar een andere kant: wanneer binnen de kerkenraad vragen leven over de prediking, dan zullen ze - juist vanwege het karakter van de handdruk ‘s zondags - binnen de vertrouwelijke kring van de raad voorwerp van gesprek zijn. Ik ga er vanuit dat dit gebeurt in een geest van ‘zachtmoedigheid en geduld’ naar Col. 3:12. In dat kader kan de predikant van zijn kerkenraad zó leren dat hij groeit in de uitleg van de Schriften en de verkondiging daarvan aan de gemeente. Dat is tot zegen van hem zelf en van de gemeente die door de grote Herder aan zijn zorgen is toevertrouwd!

Daarom is het goed dat het onderwerp ‘prediking’ regelmatig op de agenda van de kerkenraad staat. Dat voorkomt dat er plotseling een dergelijk agendapunt moet worden opgevoerd; men kan uitrekenen dat in zo’n geval de broeders allemaal onder emotionele spanning komen te staan; dat komt de inhoud van het gesprek niet ten goede.

Wordt de hand wel eens geweigerd?

De vraag ligt voor de hand of een ouderling van dienst, na afloop van de dienst, kan weigeren de hand te geven. Theoretisch is dat - dat zal ieder na het bovenstaande begrijpen - uiteraard mogelijk. In de praktijk zal een dergelijke situatie niet snel voorkomen. Immers, dan zou de predikant dingen in de prediking hebben beweerd die duidelijk tegen Schrift en belijdenis ingaan. Omdat wij kerken zijn die samen voor het gezag van de Schrift en de binding aan de belijdenis willen staan, en de predikanten dat met een handtekening onder het ondertekeningsformulier hebben bekrachtigd, is de kans heel klein dat zich aeuut een situatie voordoet waarin het tegendeel blijkt.

Het zal in de praktijk best eens voorkomen dat de ouderling van dienst vragen heeft over de preek, terwijl hij daar naar luistert. Het zal wellicht ook nog wel eens voorkomen dat die vragen een prineipieel karakter hebben. Dan wordt het natuurlijk ‘gevaarlijk’. Maar juist omdat het geven (of weigeren) van de hand een openbaar karakter draagt -het gebeurt immers waar de gemeente bij aanwezig is -, zal hij er, naar ik aanneem, voor kiezen de hand te geven en eventueel zijn vragen in een verhelderend gesprek met de predikant in de week die erop volgt, te bespreken. Dan - zo is de praktijk - kan blijken of het werkelijk verschillen van inzicht betreft, of een misverstaan van elkaar. Ook is het natuurlijk mogelijk deze vragen samen te delen op een vergadering van de kerkenraad. Een ouderling van dienst zal, samenvattend, in zijn handelen tijdens de eredienst niet heel ver voor de volledige kerkenraad uit willen lopen. Hij zal zijn persoonlijke vragen (wanneer die bij hem leven) willen toetsen op de hierboven aangegeven wijze.

Ik wil hier wel eerlijk zeggen dat ik eens één keer, bij het verlaten van de kansel, de hand kreeg op een wijze die mij deed denken: hier is iets mis. Ik weet ook nog precies bij welke preek dat was. Gelukkig is alles weer goed gekomen!

Het consistoriegebed

Nu het tweede deel van ons onderwerp: het gebed in de kerkenraadskamer, voorafgaand aan de dienst en na afloop daarvan. De praktijk is in onze gemeenten wisselend. In ieder geval wordt vóór het begin van de morgendienst en ná afloop van de middag/avonddienst gebeden; afhankelijk van plaatselijke besluiten en praktische situaties ook na afloop van de morgendienst en bij het begin van de middag/avonddienst.

Wanneer ik een bruidspaar of een groep belijdeniscatechisanten voorbereid op de kerkdienst die binnenkort komen gaat, vertel ik hen altijd iets van dat gebed. Voor de meesten van hen geldt immers dat zij nog nooit voor of na de dienst in een kerkenraadskamer geweest zijn! Het is goed dat zij weten - evenals beginnende ambtsdragers! - wat de worteis zijn van dit speciale gebed.

Achtergrond

Die worteis liggen in de tijd van de Reformatie, speciaal in de vluchtelingengemeenten uit die tijd. Het was geen uitzondering dat kerkdiensten verstoord werden door politie of vertegenwoordigers van de kerk die men verlaten had. Daaruit ontstond de gewoonte om als kerkenraad van te voren, in de beslotenheid van de kerkenraadskamer (de consistorie) samen te bidden om een dienst die in vrede en ongestoordheid plaats zou kunnen vinden. Het bood tevens de gelegenheid om de dienaar van het Woord, die gereed stond om dat Woord te bedienen, aan de Here op te dragen en te bidden om de kracht van de Heilige Geest bij de bediening van dat Woord.

Het spreekt voor zichzelf dat een dergelijk gebed vroeg om dankzegging aan het eind, in dezelfde kring van de kerkenraad.

In de tijd van de Afscheiding waren de kerkdiensten opnieuw bedreigd. En vandaag? Vandaag niet meer op die manier. Maar vandaag komt het voor dat er gasten zijn die de kerkdiensten bezoeken met minder oprechte bedoelingen dan men zou mogen verwachten. Zeker in de steden maak je dat wel eens mee. Het is fijn wanneer zij iets goeds horen. Als predikant kijk je tijdens de dienst toch met enige spanning: gaat het allemaal nog goed? Blijft het rüstig? Ik wil maar zeggen: de actualiteit en de historie sluiten op een bepaalde manier op elkaar aan. En van buiten het kerkgebouw dringen de geluiden van de moderne samenleving zonder God soms indringend door: een wielerronde in de omgeving van het kerkgebouw, een kermis die op voile toeren draait, een park-pop-festival op een paar kilometer afstand, maar met voldoende decibellen om de concentratie te verstoren…

De predikant bij het consistoriegebed

Er is nog een inhoudelijke reden die pleit voor dit speciale gebed en dat is de plaats van de predikant in de dienst die op het punt staat te beginnen. Er is een lijn te leggen naar het eerste deel van dit artikel, de handdruk door de ouderling van dienst. In de praktijk is hij meestal degene die het consistoriegebed uitspreekt (soms is er ook een apart rooster en delen bijv. de diakenen in de gebeden aan het eind van de dienst). Daarna begeleidt hij de predikant naar de kansel. Juist in de kring van de broeders, die samen verantwoordelijkheid voor de kerkdienst dragen, is het goed om samen te bidden voor de predikant die als eerste de zwaarte van die verantwoordelijkheid voelt. Hij heeft zich - zo mogen we toch aannemen - intensief op de kerkdienst (zowel liturgie als prediking) voorbereid. Hij staat onder een bepaalde spanning begrijpelijkerwijs. In het gebed in de kring van de kerkenraad kan fijngevoelig en met weinig woorden worden gebeden om kracht en rust van Godswege voor hem. Dat doet goed, daar rust zegen op. Laat de ouderling zijn woorden kiezen al naar gelang de situatie: een jonge predikant of een student van onze Theologische Universiteit - wat kunnen ze innerlijk onzeker zijn… of wat moeten ze van hun eigen zekerheden verlost worden… een oudere predikant - wat kan hij moe zijn van zoveel jaren trouwe dienst… een predikant in welke gemeente dan ook… wat kan hij in hoofd en hart de harde praktijk van het gemeentelijk leven of soms ook van zijn eigen gezin met zich meedragen. U begrijpt het, denk ik, well

De inhoud

Het is niet overbodig, zo blijkt uit de praktijk, om nog iets te zeggen van de vraag wat er zoal in het consistoriegebed aan de orde zal komen. Eigenlijk is dat hierboven al weergegeven: een uur van vrede, een uur waarin de Geest over gemeente en predikant komt, een uur waarin mensen gezegend zullen worden. Soms kan er een bijzondere situatie zijn die er om vraagt apart bij de Here gebracht te worden. Als voorbeeld noem ik de dienst waarin een predikant zal meedelen dat hij een beroep heeft aangenomen. Dat is geen eenvoudige mededeling. Of een onverhoeds sterfgeval dat diepe indruk maakt en waarbij de voorganger bijzondere kracht nodig heeft. U kunt het zelf verder wel aanvullen.

Laat dit gebed vooral kort en krachtig zijn; laat het vooral geen ‘voorspel’ zijn op de gebeden waarin de predikant straks de gemeente zal voorgaan.

Naar het gebed toe

Voor elk gebed geldt, dat de sfeer ernaar moet zijn. Dat geldt dus ook voor het consistoriegebed. Toch leert de praktijk dat het niet overbodig is daarover iets te zeggen. Gebed vraagt om rust, innerlijk en uiterlijk. Kerkenraden zeggen wel eens van mij dat ik een bedrijvig mannetje ben. Dat is niet helemáál te ontkennen. Maar toelevend naar het moment waarop de ‘s zondagse kerkdienst begint, hecht ik aan rust. Dat wil zeggen een kerkenraadskamer waar men kan gaan zitten, waarin niet tot het allerlaatste moment allerlei nieuwtjes of mededelingen moeten worden uitgewisseld, waarin men echt toeleeft naar de dingen die komen gaan. Mijnentwege gaat de deur van die kerkenraadskamer zeker vijf minuten voor het begin van de dienst dicht, met name wanneer er vanuit die kamer uitzicht is op de gemeenteleden die binnenkomen.

Het is zeker in de stadsgemeenten, waar men elkaar door de week nauwelijks tegenkomt, onvermijdelijk dat rond de zondagse kerkdiensten er behoefte is aan uitwisseling van nieuws, schriftelijk of mondeling. Maar laat men in de kerkenraadskamer dat enigszins in de hand houden, opdat het gebed straks niet ‘als een steen in de vijver valt’.

Zo wijden wij de diensten aan de Here, leven uit zijn hand en stáán daar als kerkenraad ook samen voor.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.