+ Meer informatie

WAT TE DOEN WANNEER EEN LITURGISCH FORMULIER BIJ BUITENKERKELIJKEN ALLEEN MAAR ONBEGRIP EN ERGERNIS OPWEKT?

10 minuten leestijd

Het probleem

De probleemstelling zoals de redactie van Ambtelijk Contact die aan mij voorlegde, is nog al direct en valt meteen met de deur in huis. Er zou onbegrip en ergernis zijn bij buitenkerkelijken, als er in een kerkdienst gelezen wordt uit een formulier. Er kan zelfs sprake zijn van ‘louter’ onbegrip en ergernis! En dan de vraag: Wat er aan te doen? Kennelijk moet er op korte termijn gehandeld worden.

Ik stel me voor dat degene die de vraag aan mij presenteerde, zelf werkelijk op het probleem gestuit is, niets slechts eenmaal, maar herhaaldelijk, omdat het zo radicaal is in vraag- en probleemstelling.

Ik denk dat vele lezers het gevoelen van de geachte probleemsteller herkennen.

Gegiechel en bitterheid

Wellicht denkt de lezer allereerst aan het gegniffel en gegrinnik in trouwdiensten bij de lezing van het huwelijksformulier. Wanneer Ellen, de bruid van die feestdag, bekend staat als een haaiebaai met een scherpe en snelle tong, kan niemand zijn lachen onderdrukken als van haar gezegd wordt dat zij het sieraad moet vertonen van een zachtmoedige en stille geest, volgens een tekstwoord van Petrus. Volgt daar nog op dat Ellen Jan onderdanig moet zijn, dan pakken mensen de zakdoeken: Dat zal waar wezen!, Laat die vriendelijke, maar bleke Jan maar voor háár kruipen, want Ellen heeft de broek aan. De zgn. ‘Onderdanige’ partij moet Jan helpen zijn broekje op te houden…

Onbegrip en ergernis

Van onbegrip en ergernis is vaak sprake na afloop van doopdiensten. Hoe kun je nou zulke erge dingen zeggen van zo’n lief klein kindje, zo’n onschuldig wezentje? Het heeft nog niets verkeerd gedaan, maar ondertussen is het al rijp voor het oordeel. Wat is dat voor een God, wat doen christenmensen bij deze God? De doopdienst leek wel een begrafenisdienst, zoveel droefheid…!

De reactie van buitenkerkelijken

Het is zinnig dat er gesproken wordt over de reacties van buitenkerkelijken. Terwijl de on- en buitenkerkelijkheid toeneemt, is er steeds veel (meer?) belangstelling van buitenkerkelijken in doopdiensten en trouw- en rouwdiensten. In het nieuwe discussiestuk ‘Een open gemeente’ van de hand van dr. Stefan Paas stelt de evangelisatieconsulent, dat bijna de helft van de buitenkerkelijken weleens een kerkdienst bijwoont. Hij geeft ook wat cijfers: Bij trouwdiensten komt 20% van de buitenkerkelijken en 23% van de ex-kerkleden; voor rouwdiensten zijn de percentages resp. 39 en 74%; voor de doopdiensten bijna 50% buitenkerkelijken en 76% van de ex-kerkleden. Sprekende getallen: bijna de helft van de buitenkerkelijken en kerkverlaters bezoekt regelmatig een kerkdienst.

Uit respect voor de overtuiging van anderen komen zij spontaan naar de doopdienst van hun buurkindje en zijn ze present als collega’s en vrienden in de trouwdienst van hun kennissen. Dr. Paas stelt zelfs voor dat gemeentes teams zouden moeten vormen voor deze bijzondere diensten. Het team moet actief zijn in de voorbereiding van de diensten. ‘De dienst moet gekenmerkt worden door een open, communicatieve sfeer, een prediking die rekening houdt met de leefwereld en vragen van buitenkerkelijken(..) heldere taal etc.’ Toegespitst op de lezing van de formulieren in deze diensten, zal dat een belangrijk aandachtspunt moeten zijn voor kerkeraden en predikanten.

Zonder enige georganiseerde evangelisatie-actie komen zoveel buitenkerkelijken spontaan naar onze diensten. Zullen we hen onnodig tot ergernis wekken? Zouden we niet veel meer proberen te lokken en te winnen voor Christus? Mag een kerkelijk formulier reden zijn tot zulke ergernis?

Wanneer er sprake is van gegniffel en gegrinnik en van onbegrip en ergernis dan moeten we bezien hoe onze woorden daar zullen klinken, of zij het juiste zicht geven op de betekenis van het sacrament en op de God van de sacramenten.

Ook de eigen gemeente reageert

De geluiden die te beluisteren zijn bij buitenkerkelijken, vinden we vandaag ook in de eigen gemeente. Bij de doopvoorbereiding en het moet er vaak veel worden uitgelegd. De voorbereiding van de trouwdienst geeft ook vaak reden tot discussie. Er zijn bruidsparen die met een eisenpakket bij de predikant komen met bepalingen van zaken die wel of niet gezegd zouden mogen worden. Tekstuele wijzigingen, weglatingen, verkortingen, alternatieve stukken tekst worden aangedragen; aternatieve formulieren worden aangereikt waar het bruidspaar - zo wordt het uitgedrukt - wel achter kan staan.

Het gesprek gaat - bij doop- en trouwdiensten - met slechts over verduidelijkingen van de tekst, maar ook de inhoud komt ter sprake en staat soms ter discussie. Direct in het geding is de rolverdeling binnen het huwelijk, met name de plaats van de vrouw. In het doopgesprek de bijbelse visie op het kind en het verbond. Soms is er ergernis bij het zinnetje, dat de doop 'in de plaats is gekomen van de besnijdenis'.

Wanneer de diensten gehouden worden, zijn er ook eigen gemeenteleden die met anderen mee gniffelen en hun vragen hebben ook onbegrip en een lichte ergernis.

Is er een oplossing?

Het antwoord op de vraag in de titel is eigenlijk volstrek helder. Met de huidige tekst van onze formulieren kan er geen ergernis voorkomen worden. Aan de teksten zelf kan formeel met gesleuteld worden. De predikant is gehouden de toegestane formulieren te gebruiken. Er is weliswaar geen hard artikel m de K.O. dat het beveelt, maar via de vragen van het visitatieformulier ziet het kerkverband erop toe, dat de door de synode vastgestelde formulieren worden gebruikt.

Alleen vó ór of ná de diensten kan er iets gedaan worden ter voorkoming van verkeerd begrip door wat uitleg te geven, een verduidelijking te gevenm om zo de ergernis te verminderen. Mocht een buitenkerkelijke de predikant nog aanspreken, dan kan die iets verhelderen, hij kan zich ook verontschuldigen ik werk volgens het boekje..

De synode benoemde een deputaatschap

Wie bovengenoemde problemen serieus neemt, zal van mening zijn dat er iets dient te gebeuren. Met grote verwachting zien we uit naar de resultaten van het door onze synode ingestelde deputaatschap (1998). We zijn niet de enige kerk die met deze problemen worstelt. In vrijgemaakte kring worden in een nieuw liturgisch katern maar lieftst 5 huwelijksformulieren ter beproeving aangeboden. In een heel snel tempo is daar een veelheid van alternatieven aangeboden ter vervanging van het bestaande. Ik hoop ook op een ruimhartig aanbod van mogelijkheden voor onze kring.

Een mogelijkheid nu - een heldere taal

Werkend met de bestaande formulieren mag het er mijn inziens nooit om gaat kardinale zaken in de formulieren te vermijden, door weglatingen en/of zgn. passende eigengemaakte alternatieven. Dan lezen we verwaterde en niet samenhangende woorden zonder doordachte inhoud en met die slappe taal wordt zeker geen buitenkerkelijke gewonnen. Kernpunt voor mij is hoe de inhoud van onze formulieren vandaag klinken kan in een heldere taal.

Ergernis en onbegrip kan ook voorkomen worden door een heldere en uitnodigende preek. In trouwdiensten gaat de preek eigenlijk altijd vooraf aan de lezing van het formulier. De laatste jaren richt ik de doopdiensten ook zo in, dat de verkondigin voorafgaat aan het doopgebeuren zelf. In de preek kunnen ook kernpunten, die later in de formulieren zullen klinken, toegelicht en als evangelie gepresenteerd worden. Het echte evangelie spreekt ook met twee woorden, zoals de goede verstaander zal begrijpen. Onbegrip en ergernis is dus met te vermijden, maar dan komt dat voort uit de rechte prediking, en met uit onduidelijke of versluierende oude taal of formulering.

Een ervaring van de classis Apeldoorn

Toen er vanuit een aantal kerken in de classis Apeldoorn aan de classis gevraagd werd of zij wat vrijer met de liturgische formulieren mochten omspringen, droeg de classis aan een groepje predikanten op de formulieren eens grondig te bezien, met voorstellen tot een instructie te komen en eventueel een eigen voorstel voor een formulier te maken. Bestudering van het doopformulier van ’71 leverde als ontdekking op, dat de vele lange zinnen elk voor zich weer een veelheid van gedachten in zich sloten: het klassieke formulier bleek geforceerd ingekort, terwijl nog in kleine woorden of bijzinnen veel van het oude gedachtegoed werd bewaard, met het bekende ‘hutspot-effect’. De trouwe kerkganger kent de teksten van buiten en heeft ogenschijnlijk geen moeite, maar of alle woorden even helder in hun betekenis gekend worden, is de vraag. Voor een buitenstaander zullen de samengevatte waarheden totaal onverstaanbaar overkomen. Misverstand en onbegrip liggen voor de hand. Een concluderende vraag van de commissie was of de uitvoerige beschrijving van het sacrament en het gerichte stuk onderwijs over het sacrament niet eerder thuis horen in de voorbereidende gesprekken met de doopouders. In de diensten zou in korte en heldere woorden de heilsbetekenis van het sacrament uiteengezet kunnen worden. Vanuit deze ervaringen en studies kwam de classis tot de instructie die uiteindelijk leidde tot het instellen van de synodale commissie.

Voor dit artikel is de ervaring van deze werkgroep belangrijk: er moet iets gedaan worden aan de helderheid van de woorden, theologische en pastorale zaken moeten duidelijk klinken, in kortere zinnen, zonder al te veel bijzinnen. Eerst dan komt de betekenis over, bij de gemeente allereerst, wellicht ook bij toehoorders, gasten in de dienst.

Doopdienst

De bovenstaande overwegingen brengen mij tot het volgende over het doopformulier.

De werkelijkheid dat ieder mens slechts door wedergeboorte Gods Rijk in kan gaan, kan niet verzwegen worden. Ook de werkelijkheid van de veroordeling in Adam mag niet weggemoffeld worden. Het is wel de vraag wat we in een doopdienst ter sprake willen brengen, zeker ook wat we willen benadrukken. Gaat het om de tekening van de doodsstaat van een mens in zichzelf en moet dat de spits worden? Of is het evangelie dat mensen die in zichzelf reddeloos verloren zijn, door Gods genade in de kring van heil getrokken worden de hoofdboodschap? Als dat laatste geldt, moet dat ook numeriek in het aantal woorden en zinnen uitgedrukt worden! Ook met de huidige tekst zijn er wat dit betreft mogelijkheden. Hier geldt ook dat de toon de muziek maakt. Met veel nadruk kan het ‘in Adam veroordeeld zijn’ klinken, maar het is ook mogelijk vanuit de bijzin over de veroordeling te spreken van Christus’ reddend werk. Dan klinkt het echt anders en wordt tegelijkertijd de werkelijkheid van de rijkdom van het verbond uitgesproken.

Vooruitlopend op de nieuwe teksten van het deputaatschap en na melding aan de classis is de praktijk in onze gemeente dat er een doopformulier gebruikt wordt, dat de letterlijke tekst en volgorde van het formulier van 1968/69 en ’71/72 bevat, maar waarin taalkundig aanpassingen zijn opgenomen. Het toch wat verouderde Nederlands is voor een deel vervangen. Lange zinnen werden ingekort, soms wordt een bijzin een korte hoofdzin. En de kernzaken van verlorenheid en heil worden soms met een enkel woord verduidelijkt of aangevuld. Met veel plezier gebruik ik die teksten.

De huwelijksdienst

Wanneer in het huwelijksformulier de rol van de beide echtgenoten aan de orde komt, begin ik met het woord van Paulus dat man en vrouw elkander onderdanig dienen te zijn en ik citeer dus Efeze 5:21. Bij de zachtmoedige en stille geest verduidelijk ik dat de apostel Petrus dit aan gelovige vrouwen voorschrijft. Met de eigen woorden van het formulier geef ik aan dat zoals Christus het hoofd is van de gemeente de man zo zijn rol mag vervullen in het huwelijk. De man is niet zelf zomaar hoofd van zijn vrouw, maar hij is dat naar analogie van Christus’ plaats en betekenis naar de gemeente toe, zijn bruid.

Er bestaat een huwelijksformulier van ds. C.G. Vreugdenhil — opgenomen in zijn boekje ‘Ik beloof je trouw’ in de 2de herziene uitgave daarvan — dat geheel parallel loopt met de bewoordingen van ons huidige CGK-formulier. Aan de zaak wordt niets veranderd, maar alles klinkt wel anders. Sinds kort mag ik dit formulier van ds. Vreugdenhil van mijn kerkeraad gebruiken. Buitenstaanders gniffelen nog steeds, maar dat gebeurt meer wanneer eerdergenoemde Jan zijn Ellen de rechterhand moet geven en even pauze neemt om te kijken welke van zijn twee handen hij nu moet gebruiken.

Nu hoop ik maar dat genoemde varianten in Apeldoorn niet tot onbegrip en ergernis leiden in het kerkverband voor wie ik dit artikel schreef. Nog erger zou ik vinden: gegrinnik en gegniffel…

Ds. B. Oosterbroek is predikant van de gemeente van Apeldoom-Zuid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.