+ Meer informatie

AMBTSDRAGER WORDEN: NIET OF WEL? (2)

11 minuten leestijd

De keerzijde van de medaille

In het vorige artikel over het bovenstaande onderwerp is de nadruk gelegd op de roeping die van Godswege uitgaat naar een benoemde ambtsdrager via de verkiezing door de gemeente. Daarom zal hij niet licht deze benoeming naast zich neer leggen. Wanneer hij redenen heeft om ontheffing te vragen, zal hij dat biddend overwegen en zo Gods weg in zijn leven en eventueel in dat van zijn gezin daarin zoeken. De nauwe verbinding tussen de weg hier op aarde van talstelling door de kerkeraad en verkiezing door de gemeente enerzijds en de hemelse roeping via de leiding van de Heilige Geest anderzijds brengt een eerbiedige afweging van een en ander met zich mee.

Maar aan deze zaak zit dan ook een andere kant, namelijk de taak van de kerkeraad en de gemeente in dit geheel. Wanneer enerzijds de betrokken kandidaat-ambtsdrager op het hart wordt gebonden dat hij deze dingen op geestelijke wijze verwerkt, dan mag anderzijds van de betrokken kerkeraad eveneens verwacht worden dat hij zorgvuldig, geestelijk weloverwogen, van te voren met de procedure van de kandidaatstelling is omgegaan.

Hoe gaat de procedure in zijn werk?

Wanneer de kerkeraad op enig moment (in de meeste gemeenten tegenwoordig na afloop van het “werkseizoen”, dus ergens in mei/juni) toe is aan de wisseling van de wacht, dan is daar een periode aan voorafgegaan die geleid heeft tot de nieuw te bevestigen broeders.

Inm ieder geval is er de vergadering van de kerkeraad geweest waarin men tot definitieve vaststelling van de dubbeltallen (of enkelvoudige kandidaatstellingen, uit nood) is gekomen. Die vergadering is - naar men mag aannemen - geopend met Schriftlezing, meditatie en/of bezinning en gebed. Ook zijn daarna de stemgerechtigde leden van de gemeente bijeengeroepen voor een bijzondere kerkeraadsvergadering waarin de verkiezing heeft plaatsgevonden die leidde tot benoeming van één of meer broeders. Weer onder aanroeping van de naam des Heren.

Het is niet ongebruikelijk dat, wanneer er sprake is van ontheffingsaanvragen, de predikant of een ander lid van de kerkeraad in een gesprek waarin de redenen worden meegedeeld en gewogen, vooral op dat laatste wijzen: we hebben toch gebeden om de leiding van de Heilige Geest! Met recht mag een kerkeraad dat onder de aandacht van de benoemde broeder brengen. Maar met evenveel recht mag de betrokkene dan ook vragen of de kerkeraad in de weg die tot de benoeming leidde, de nodige zorgvuldigheid heeft betracht die bij dat aanroepen van Gods naam hoort.

Ik hecht daar erg grote waarde aan. Juist omdat er zo’n nauwe verbinding is tussen Gods leiding en de aanwijzing via de verkiezing door de gemeente (“door de gemeente en mitsdien van God zelf…”, zie het vorige artikel). Niets is zo schadelijk voor het blijven zien van deze verbinding dan het feit dat kerkeraad en gemeente na de verkiezing geconfronteerd worden met meerdere aanvragen voor ontheffing. Dat holt op den duur het besef van die geestelijke verbinding onherroepelijk uit. Ook hier mogen, net als in alle andere dingen, bidden en werken geen tegenstelling vormen.

De procedure binnen de kerkeraad

Natuurlijk zijn (onaangename) verrassingen op dit gebied nooit helemaal te voorkomen. Zo kan niemand er iets aan doen wanneer een kandidaat-ambtsdrager in de week na de verkiezing door de gemeente voor zijn beset onverwachts van zijn huisarts of specialist te horen krijgt dat hij zijn activiteiten op medische gronden moet gaan inperken. Dat een benoeming dan niet opgevolgd kan worden, begrijpt iedereen. Maar er zijn andere redenen voor wettige ontheffing die de kerkeraad wel degelijk van te voren kan peilen. En dat is dan zeker niet verkeerd; het is zelfs aan te raden, mits het op een zorgvuldige manier gebeurt.

Daarvoor is in ieder geval nodig dat geruime tijd voor het tijdstip van de verkiezing begonnen wordt met het samenstellen van de groslijst van kandidaten. Het spreiden van de hele procedure over een twee- of drietal vergaderingen voorkomt tevens dat het “nachtwerk” op die ene vergadering moet worden. Het houdt een zekere rust in het geheel en dat komt het werken in een kerkeraad altijd ten goede.

Meestal zijn er uit de gemeente wel namen gekomen na een verzoek daartoe van de kerkeraad. De kerkeraad vult die lijst aan en gaat over tot (vertrouwelijke!) bespreking van de broeders van wie de namen op de groslijst staan. Terecht wordt wel gezegd dat dit werk hoort bij het zwaarste dat een kerkeraad gedurende een jaar te doen heeft. Zorgvuldige afweging, voors en tegens, met gedurig de gedachte: welke weg wil de Here met onze gemeente gaan en hoe komt Zijn leiding openbaar in ons overwegen?

En dan komt er meestal een moment dat men bij sommigen van wie men meent gaven van de Heilige Geest te zien voor het ouderling- of diakenschap, een vraag stelt:

- Moet die geen cursus binnenkort volgen in verband met de reorganisatie van het bedrijf?

- Er zijn nogal wat problemen met de oudste zoon die veel aandacht vraagt van de ouders.

- Willen die binnenkort niet gaan verhuizen?

- Ik geloof dat hij niet zo bestand is tegen spanningen; en het voeren van een goed gesprek gaat hem ook niet zo gemakkelijk af.

- Die doet het nooit!

De lezer begrijpt wel dat de waarde van deze vijf voorbeelden verschillend is en dat de kerkeraad op het laatste voorbeeld ook anders zal reageren dan op het middelste. Het gaat mij er om de situatie even te schetsen. Wat nu?

Er zijn kleine gemeenten waarin de gemeenteleden, en dus ook de kerkeraadsleden, veel van elkaar weten. Maar zeker in grotere gemeenten kan lang niet alles in een kerkeraadsvergadering bekend zijn en loopt men dus het gevaar iemand te kandideren die vervolgens een wettige reden heeft ontheffing te vragen.

Polsen?

Het is daarom een goede zaak dat na een eerste kerkeraadsvergadering waarin de vacatures besproken worden, de betrokken broeders een bezoekje ontvangen namens de kerkeraad. Dat hoeft niet bij ieder nodig te zijn; maar daar waar bovengenoemde vragen leven is het wenselijk, zo niet noodzakelijk. Op dat moment dient zich wel een probleem aan: wat zal men de betrokken broeder vragen?

De ervaring leert dat het hier heel sterk op de formulering aankomt. Er is immers nog geen definitieve talstelling; er kunnen verwachtingen gewekt worden die vervolgens niet waargemaakt worden; dat kan weer tot ongenoegen of minstens verbazing leiden.

Naar mijn gedachte kan men op dit moment niet verder gaan dan de vraag: zijn er objectieve omstandigheden waardoor u een eventuele kandidering als ambtsdrager zou moeten ontraden? Of: zijn er objectieve oorzaken waardoor een eventuele benoeming geen doorgang zou kunnen vinden? De kerkeraad moet namelijk zoveel mogelijk ruimte hebben voor zijn volgende beraad.

Natuurlijk zal men er niet aan ontkomen dat er dan redenen op tafel kunnen komen, waarvan men zich kan afvragen of het nu objectieve of subjectieve zaken zijn. Maar de winst die men boekte bij deze ronde door de gemeente is zo groot dat dit schaduweffect maar voor lief moet worden genomen. Laat men bij dit “polsen” in ieder geval nooit vragen: zou u wel ouderling of diaken willen worden? Die vraag is op dat moment niet aan de orde en is, als we de principiële kant van de zaak nog eens in gedachten nemen, op geen enkel moment aan de orde: het gaat om een roeping waaraan men in principe gehoor geeft, tenzij er zwaarwichtige tegenargumenten zijn.

Soms wordt de predikant ingeschakeld voor dergelijke gesprekken. Dat kan verstandig zijn, omdat hij “van buiten komt” en men in sommige gemeenten meer kracht achter zijn woorden ervaart dan bij de andere ambtsdragers. Of dit terecht is, is een andere vraag, maar het werkt vaak wel zo… In een grotere gemeente zal niet altijd de predikant die ronde langs de broeders kunnen maken. Gezien de fijngevoeligheid van een dergelijk gesprek is het voor mij ook niet vanzelfsprekend dat dan altijd, per definitie, de wijkouderling het zou moeten doen. Laat men eigen gaven én beperkingen kennen en elkaar daarin broederlijk aanvullen! Men kan enkele broeders er speciaal voor vragen.

Verdeling van het werk en werkwijze van de kerkeraad

Soms komt het voor dat kandidaten aangeven heel serieus met de roeping om te willen gaan, maar tegelijk erg opzien tegen bepaalde aspecten van het kerkeraadswerk. Ze moeten altijd vroeg opstaan en kunnen dus niet al te laat naar bed: gezien de omvang van andere werkzaamheden is de beschikbare tijd wellicht onvoldoende voor het wijkwerk; ze kunnen niet tegen rokers; ze zien op tegen spanningen in de vergaderingen… Ook hierin moet een kerkeraad zijn verantwoordelijkheden kennen. Sommige problemen zijn al heel snel op te lossen: verschillende kerkgebouwen zijn al rookvrij (en ik vind dat een heel goede zaak); men kan afspreken dat de kerkeraadsvergaderingen niet langer dan drie uur duren (altijd een goede vuistregel en ieder moet daar dan met zijn eigen inbreng rekening mee houden; vergaderdiscipline is óók broederplichtl); als er spanningen onder de broeders zijn zullen er meerderen zijn die daar siecht tegen kunnen, en in geestelijk opzicht is dat bovendien een siechte zaak - het kan de gemeente verlammen. Een en ander moet bespreekbaar worden en men zal elkaar in Christus dienen te aanvaarden; dat kan een heel diepe geestelijke weg zijn die men met elkaar gaat! Geestelijk leiding geven aan de gemeente moet, als het goed ligt, een “aantrekkelijke” zaak zijn; ik bedoel daarmee dat de gemeente er iets van moet kunnen merken dat het dienen van de Here, ondanks alles wat men soms moet overwinnen, een dienen met vreugde is (Psalm 100:2a). En als een wijk echt te groot is voor een bepaalde broeder, dan is het niet verkeerd wanneer een deel ervan in handen wordt gegeven van een andere broeder die meer tijd beschikbaar heeft; in een enkele gemeente is een wijk ook wel eens via een “duo-baan”, dus door twee ouderlingen ieder voor de helft, bearbeid; naarmate het leven voor veel mensen ingewikkelder wordt, zullen kerkeraden daarin meer creatief worden.

Soms staat de kerkeraad tegen de muur…

Nog één ding wil ik hierbij ter sprake brengen. Het is niet ondenkbaar dat een kerkeraad, wanneer hij op de bovengenoemde manier, in verantwoordelijkheid tegenover de Here én de gemeente die hij heeft te bearbeiden, te werk gaat, op de vergadering waarin de argumenten van de broeders van de groslijst gewogen worden, voor een heel moeilijke afweging komt te staan. Enerzijds wil men rekening houden met zwaarwegende omstandigheden. Men wil ook niet mensen overbelasten - er zijn nogal wat leden van de gemeente die in hun “vrije” tijd veel voor het onderwijs doen of voor de christelijke politiek; en ook daarin zit dan een roeping van Godswege! En laten we eerlijk zijn: zo heel veel keuze heeft men ook weer niet in de gemeente, hoe men daar dan verder ook over denkt.

Er zijn kerkeraden die zelfs als ze uitwijken naar een enkelvoudige kandidaatstelling, er nog niet uitkomen. Dat is dan echt een geestelijke nood. Het kan in dat geval zijn dat die kerkeraad, zich stellend onder Gods leiding, dan toch komt tot kandidering van één of meer broeders, waarvan men zegt: we zouden ze liever sparen, maar we zien echt niet hoe het anders moet. Dan moet dat in ieder geval weer met die broeders eerlijk en open besproken worden. Het is ook nodig dat de gemeente (in algemene zin) hiervan weet heeft; niet in elke gemeente wordt even geestelijk met deze dingen omgegaan… Het zal een plaats krijgen in de gebeden.

Het kan zijn dat, wanneer daarna de keuze valt op die broeder, de dingen voor hem toch anders komen te liggen. Mogen we dan niet zeggen: de Here baant de weg er in? Wie zorgvuldig met de dingen is omgegaan, mag er ook zegen op verwachten. En als er dan toch een ontheffingsaanvraag komt, kan men er evenzogoed vrede en rust in vinden. Het werk is immers alles voor Gods aangezicht gedaan?

Dan komt de nood van een vacature in de gemeente te liggen, opnieuw. En ook dat kan dan nog weer, hoe moeilijk ook, verdiepend werken.

Tenslotte

Het gaat bij dit onderwerp, zowel voor een kerkeraad als voor een kandidaat-ambtsdrager, om heel tere zaken. Zoveel mogelijk is geprobeerd in deze artikelen dat te benadrukken en in deze stijl te schrijven. Het is van groot belang, zeker in onze verwarrende tijd, dat in de kerkeraden broeders een plaats hebben die van de Here wijsheid hebben ontvangen om leiding te geven en zo Zijn gemeente te bouwen. In die zin spreekt Paulus in 1 Tim 3:1 over een “voortreffelijke zaak”.

Gelukkig zijn er ook gemeenten waar de dingen zoals ze in deze artikelen aan de orde zijn gekomen, niet of weinig speien. Dat is een grote zegen, waarop men dan heel zuinig zal zijn. Maar de inschatting moet zijn dat veel kerkeraden op de een of andere manier toch ermee geconfronteerd worden. Laten zij zelf in ieder geval veel bidden om Gods kracht en de leiding van de Geest om iets van 1 Tim. 3:1 uit te mogen stralen. Als dat gebeurt of weer levendig wordt, zal de gemeente daardoor aangestoken worden. Dat is iets van het vuur van de Geest. Laten niet alleen de kerkeraden, maar alle gemeenteleden daar vurig om bidden, opdat Gods werk voorspoedig voortgang moge hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.