+ Meer informatie

KERKREGERING V

5 minuten leestijd

I GECOMBINEERD BEROEPEN

Zo nu en dan gebeurt het dat mij vragen gesteld worden: over het gecombineerd beroepen van een predikant door twee plaatselijke kerken. Over dit interessante onderwerp wil ik in ons blad graag een paar opmerkingen maken.

Laat me dan mogen beginnen met te zeggen dat vanaf de Reformatie der 16e eeuw vele kerken in ons land gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om een combinatie met een naburige kerk aan te gaan teneinde gezamenlijk een predikant te beroepen. Wie de oude acta van classen en synoden inziet merkt al spoedig dat dit zelfs tamelijk veelvuldig plaats vond, uiteraard het meest bij kleine kerken op het platteland. Ook in de kerken uit de Afscheiding van 1834 geboren vinden we deze figuren van gecombineerd beroepen. Het is een verschijnselen dat wij in ons land reeds eeuwen aantreffen en dat ook nu nog bij allerlei kerkgemeenschappen gevonden wordt.

Hoe moeten wij nu over dit combineren denken? En verdient het aanbeveling om het aangaan van zulk een combinatie tot het gezamenlijk beroepen van een dienaar des Woords te stirnuleren, of moeten we dit eerder afremmen?

Zoals dit met de meeste dingen het geval is heeft ook een combinatie van kerken twee kanten, er zijn voordelen aan verbunden maar ook nadelen.

Om met het laatste te beginnen: zowel van de zijde der kerken en kerkeraden kunnen er bezwaren rijzen, en komen er ook dikwijls metterdaad bezwaren, als van de kant van de predikanten.

In de kerken of wil men liever in de gemeenten kan bij een combinatie het gevoel gaan leven, dat men voor zich toch eigenlijk maar een „halve” dominee heeft, omdat men hem immers met de andere gemeente moet „delen”. Men denkt dan bijvoorbeeld aan het feit, dat er om en om gepreekt wordt op zondagen, biddagen en feestdagen. En de gemeente, die niet het voorrecht heeft het predikantsgezin in zijn midden te hebben wonen, krijgt allicht de gedachte, dat de dominee toch eigenlijk de dominee van die andere gemeente is.

Men heeft het wel eens zo uitgedrukt: „Wij hier in X mogen gebruik maken van de diensten van de dominee die in Y woont; hij is veel meer dominee van Y dan van ons, wij hangen er maar een beetje bij”. Verder wijst men dan dikwijls op het feit, dat de leden van de gemeente X niet zo gauw met hun vragen en moeilijkheden naar de pastorie gaan als de leden van Y. De eersten moeten altijd naar een andere plaats en de afstand is vaak een ernstig bezwaar. En zo kunnen er van de zijde der gemeenten nog wel meer bezwaren geopperd worden.

Doch ook van de zijde der predikanten gezien zijn er allerlei bedenkingen te noemen. De predikant heeft te maken met twee gemeenten, die door bepaalde oorzaken van elkaar verschillen, en tussen welke misschien wel een zekere rivaliteit valt te constateren, en met twee kerkeraden, en dit is lang niet altijd gemakkelijk — het kan zelfs allerlei spanningen oproepen. Bovendien is het rayon, dat de predikant moet bearbeiden, in de regel behoorlijk groot en dat geeft ook zijn moeilijkheden. En zo ware er meer te noemen. Al met al kunnen er tegen gecombineerd beroepen vele ernstige en minder ernstige bezwaren te berde worden gebracht.

Er is echter ook een andere kant. Tegenover al deze bezwaren kunnen vele voordelen worden genoemd, of liever gezegd, tegenover deze bezwaren kan één groot voordeel gesteld worden, waaruit vele andere voortvloeien: zulk een combinatie is voor sommige kleine kerken de enige mogelijkheid om een eigen dienaar des Woords te krijgen met daaruit voortvloeiend een regelmatige voorziening in de dienst des Woord en een behoorlijke pastorale bearbeiding. Er zijn immers kleine plaatselijke kerken, die zo zwak in ledental en financiële draagkracht zijn, dat zij onmogelijk een predikantsgezin kunnen onderhouden, ook al zouden zulke kerken een bijdrage ontvangen uit een kas voor onderlinge bijstand. Doch wanneer nu twee van zulke kerken de handen ineenslaan kunnen zij meestal wèl een toereikend tractement opbrengen, al of niet financiëel uit een kas voor hulpbehoevende kerken of onderlinge bijstand gesteund. Zo kunnen zij toch een eigen herder en leraar krijgen. Vanouds heeft men een kerk zonder een eigen predikant incompleet genoemd — en inderdaad, daar is een ledige plaats. Bij een kudde behoort immers naar Gods bestel een herder? En daarom moet het streven van elke kerk er op gericht zijn om de plaats van herder en leraar vervuld te krijgen. Wij mogen wat abnormaal is niet als normaal gaan beschouwen of fatalistisch ons gaan schikken in wat wij onvermijdelijk achten.

En nu moge het niet ideaal zijn als twee kerken samen één predikant hebben het is toch beter dan dat geen van beide kerken er een heeft. En het is al meer dan eens gezien dat een combinatie zo zegenrijk werkte dat met verloop van jaren ieder van de beide gemeenten een eigen predikant kon onderhouden.

Hier ware natuurlijk nog meer van te zeggen, maar we laten dat rusten, om alleen nog even de aandacht te vestigen op het belangrijke feit, dat een predikant, die twee van zulke kerken dient hierin een volle en bevredigende „dagtaak” kan vinden, terwijl dit juist niet het geval zou zijn als hij maar aan één kerk verbonden was, gesteld dat deze hem voldoende levensonderhoud zou kunnen verschaffen, tenzij hij zich aan een kleine gemeente wilde verbinden om zich speciaal op de studie toe te leggen.

In een volgend artikel nog iets meer over deze taak.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.