+ Meer informatie

Voor onze Knapenverenigingen

5 minuten leestijd

A. Geen uitstel meer. De ark is weg. 1 Samuël 4.

In 1 Sam. 4 : I is sprake van Filistijnen. Hun naam wordt in de Bijbel al vroeg genoemd: n Genesis 10 : 13 en 14. Ook in Genesis 21 : 32 en 34 horen we weer van Filistijnen. Abraham woonde in het land der Filistijnen. (Nazien!)

De Filistijnen woonden langs de kust, van Egypte af en zo naar het noorden. Lees maar na in Exodus 13 : 17. (De weg door het land der Filistijnen was korter dan de weg, die Israël op 's Heeren bevel gaat).

Eerst in de tijd der Richteren horen we weer van Filistijnen. Israël vreest hen vanwege hun vijandschap. Telkens weer lezen we van gevechten en plunderingen.

Simson doodt bij zijn sterven meer Filistijnen dan in zijn leven. Blijkbaar is sedertdien geen inval van de Filistijnen meer geweest totnutoe. Maar nu (vers 1), enige tijd nadat de Heere Samuël tot profeet heeft geroepen en bevestigd, nemen ze weer een dreigende houding aan, die Israël noodzaakt uit te trekken. De Filistijnen kiezen als legerplaats Afek, in een vlakte, de Israëlieten Eben-Haëzer, waarschijnlijk op het gebergte. Israël wordt verplicht in het vlakke veld — waar de Filistijnen zich ongetwijfeld hebben ingegraven en versterkingen hebben aangelegd — tot de aanval over te gaan en is dus al direct in het nadeel. Bijna 4000 man blijven gesneuveld op het terrein van de strijd achter. De rest van het leger trekt naar het kamp terug (vers 3.) Daar beraadslagen de aanvoerders: Hoe komt het toch, dat we de strijd verloren hebben?

Dat de Heere geen hulp heeft verleend staat wel vast. Ze zoeken echter de oorzaak niet bij zichzelf. Dat lezen we wel in Jozua 7. (Nalezen, hoor!)

Israël heeft er hier genoeg aan vast te stellen, dat de Heere er niet geweest is om het voor hen op te nemen. Ze weten het (verkeerde) antwoord: Dan zullen zij de Heere halen. De Heere woont op de ark, die in Silo in de tabernakel staat. Is de ark er, dan is de Heere er ook! Dan kan ons geen kwaad overkomen. Er gaat een boodschap naar Silo, en Hofni en Pinehas, die altijd nog priester zijn en dus bevoegd de ark te dragen, reizen met de ark naar Eben-Haëzer.

Een groot gejuich gaat op. De aarde dreunt ervan. De Filistij-

nen snappen dit niet. Ze sturen spionnen uit. Die rapporteren al gauw, dat de ark des Heeren in het leger is aangekomen.

De verkeerde handelwijze van Israël doet nu de Filistijnen zeggen: God (= de ark) is in het leger gekomen. Dat is nog nooit eerder geschied. Dat zal een strijd worden, tegen die God, Die zoveel wonderen aan Israël heeft gedaan. Ze zeggen het allemaal niet precies (de meeste wonderen heeft de Heere in Egypte gedaan), maar toch hebben ze van de macht van Israëls God gehoord en ze vrezen! Ze wekken elkaar op, moedig te zijn: als ze verliezen, zullen zij geknecht worden en hun zelfstandigheid verliezen. Dan zouden de rollen geheel omgekeerd zijn, en dat mag nooit!

Het vertrouwen van Israël in de ark en de vrees der Filistijnen worden beiden beschaamd: sraël vlucht in wanorde, ieder naar zijn eigen huis. Omdat de eenheid verbroken is, is het aantal slachtoffers heel groot:30.000 man voetvolk sneuvelen. Ook Hofni en Pinehas zijn niet meer: p één dag zijn ze gestorven, zoals de Heere had voorzegd (1 Sam. 2 : 34). Voor hen geldt: Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God."

B. Eli sterft.

Heel Silo is in angstige spanning. Ook Eli ziet (niet letterlijk, dat kon hij niet meer) naar bericht uit. Dat komt. Maar het is een slecht bericht: de gescheurde kleren en de aarde op het hoofd van de boodschapper zeggen genoeg. Daarom klagen de inwoners van Silo. Ze begrijpen het al. Juist omdat Eli niet zien kan — hij is 98 jaar oud en blind — moet hij vragen, waarom de mensen schreien. Hij vreest, niet voor zijn zoons, maar voor de ark, het teken van Gods tegenwoordigheid. Wat is daarvan geworden? De onheilsbode komt nu naar Eli en vertelt alles: het ene is nog erger dan het andere. De tijding, dat de ark is weggenomen door de Filistijnen, is teveel voor Eli. De liefde tot Gods instelling krijgt een te grote slag. Eli valt achterover van de kruk, waarop hij zat; hij breekt zijn nek en sterft.

C. De zoon van Pinehas geboren. De vrouw van Pinehas gestorven.

In het gezin van Pinehas zal een kind geboren worden. Pinehas is al gestorven, zijn broer Hofni en zijn vader Eli ook. Het is al laat, als de weduwe van Pinehas dit alles hoort. Net als bij Eli, wordt het bericht van de roof van de ark de rechtstreekse oorzaak van haar sterven. Aan dit sterfbed staan verschillende vrouwen. Zij proberen de weduwe moed in te spreken: het is allemaal wel erg, maar ze heeft nu toch een zoon? Daar moet ze ook eens aan denken! De stervende vrouw heeft daar geen aandacht voor. Wel zegt ze, hoe de naam van haar zoon zal zijn: Ikabod, dat betekent: de eer is weggevoerd. De drie sterfgevallen zijn vreselijk, maar de ark weg, dat is het ergste. De liefde van deze vrouw tot 's Heeren dienst en instellingen is groter dan de liefde voor haar schoonvader Eli en haar man Pinehas.

In één familie en op één dag: vier mensen gestorven. De kleine Ikabod heeft zijn ouders en grootvader nooit gezien. Hij had een goddeloze vader en een godvrezende moeder. Had hij daar genoeg aan?


Vragen.

1. Wie van de zoons van Noach is de stamvader van de Filistijnen?

2. Wat is belangrijker, geloof in de ark, of in de God van de ark?

3. Wat leert ons de Bijbel over de ark? (Zie Exodus 25 : 10, 22, Exodus 37 : 1—9 en Exodus 40 : 20 en 21).

4. In welke Psalm (een van de Psalmen van Asaf) wordt dit laatste stuk (C) verteld? (In de onberijmde Psalmen nagaan, daarna nazien in de berijming).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.