+ Meer informatie

Waterstaatskerken ontstonden pas na 's konings bemoeienis

Typerend echter is neo-klassieke bouwstijl

6 minuten leestijd

WADDINXVEEN — "Het begrip Waterstaatskerk heeft een min of meer spottende gevoelswaarde. Eigenlijk is het beter om van neo-classicistische kerken te spreken. De naam „Waterstaatskerk" ontstond nadat Koning Willem I in 1824 bepaald had dat geen nieuwe kerken meer gebouwd mochten worden zonder voorafgaande koninklijke goedkeuring. De praktijk leerde dat ingenieurs van Rijkswaterstaat de ontwerpen maakten, of toezicht hadden op ontwerpen van anderen. De bouwstijl in de negentiende eeuw was veelal neo-classicistisch".

Dat zegt C. Neven uit Waddinxveen. Hij maakte deel uit van een commissie die de mogelijkheden tot (de inmiddels uitgevoerde) restauratie van de (Waterstaats) Brugkerk in Waddinxveen onderzocht.

Al met al zijn er in Nederland ongeveer 75 neo-classicistische kerken. Ongeveer vijftig daarvan behoren tot de Rooms-katholieke Kerk, het restant is Hervormd kerkbezit.

Om duidelijk te maken hoe deze bouwstijl in Nederland terecht kwam, De Brugkerk in Waddinxveen. maakte C. Neven een uitstapje naar de historie. Neo-classicisme komt eigenlijk uit Frankrijk waar men na de Rocoen- en Empirestijl naar een nieuwe strakke vorm zocht. Het gaat om de tijd dat de laatste Lodewijk leefde en Napoleon aan de macht kwam.

Klassiek gericht

Twee Franse architecten, Percier en Fontaine, kwamen naar voren. Beide waren sterk klassiek gericht. Een rol speelde dat opgravingen in Pompei en Herculaneum net achter de rug waren. Percier vluchtte onder Robespierre naar Engeland en ontmoette daar veel collega's die ook klassiek beïnvloed waren.

Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat in Engeland reeds vroeg in de 18e eeuw
die klassieke trend gestalte kreeg door het werk van James Gibbs die in
1721 de bekende St. Martin in the Fields in Londen bouwde. Percier komt terug naar Frankrijk en krijgt enorme invloed. Mede door de „Franse tijd" krijgt hij die invloed ook in Nederland.

Nederlandse architecten studeerden in Parijs. Bekende namen zijn dan A. Tollus, P. Huijsers, Th. Romein en A. Roodenburg.

A. Tollus (1783-1847) was de Haagse stadsarchitect. Waterstaatskerken van zijn hand vinden we in Rijsenburg, Den Haag en Schiedam. De bekende St. Johannes de Doperkerk in Schiedam, eens bestemd voor de slopershamer
totdat Johan Maasbach op de proppen kwam, werd door Tollens ontworpen.

In het noorden des lands was architect Romein (1811-1881) uit Leeuwarden
actief. Hij tekende de hervormde zaalkerk in St. Jacobaparochie. Die kerk vertoont grote verwantschap met Waddinxveens Hervormde kerk.
In het zuiden werkte architect P. Huijsers (1781-1848). Hij tekende gelijkuitziende kerken in zowel Breda als Steenbergen en leverde het ontwerp
voor de Grote kerk in Zierikzee, zij het oorspronkelijk met toren.

Verder werkten m neo-classicistische stijl architecten als A. Roodenburg (1804-1884) en in ongeveer dezelfde tijd de Rotterdamse stadsbouwmeester Adams.

Een begrip


C. Neven legt er evenwel de nadruk op dat niet alle Waterstaatskerken ook onder directe verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat gebouwd zijn. Nco-klassieke stijl werd verwoord door het begrip „waterstaatskerk". Evenmin werden die kerken door het Rijk bekostigd. Veelal draaiden de gemeenten en parochies zelf voor de kosten op. In Waddinxveen bijvoorbeeld zou dat een jarenlang financieel drama worden.

De staatsbemoeienis — de koning bemoeide zich, getuige zijn handtekeningen
onder van alles en nog wat, bijna overal mee — werd niet door iedereen in dank afgenomen. Met name voor Rooms-katholieken waren de bezwaren tegen deze bouwstijl vrijwel onoverkomelijk.

Vooral de sfeer in de kerk stond bekende schrijvers van Rooms-katholieken
huize als Alberdingk Thijm, Cuypers, Jan Kalf en Gerard Brom hele Klassiek gericht maar niet aan. Deze mannen stortten hun fiolen van toorn uit over de huns inziens heidense trekken van deze toen in zwang zijnde neo-classicistische (waterstaats)bouwstijl.

Motieven tegen

C. Neven, hij baseert zich onder andere op een studie van drs. H. P. R.
Rosenberg „De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland", voert een aantal, door die Rooms-katholieke critici, gebruikte motieven aan.

Men vond het illusionistisch karakter van neo-classicistische architectuur
verwerpelijk. Het gaat dan om het (witte) stucwerk dat beeldhouwwerk moest verbeelden, het gemarmerde hout en de combinatie van klassieke zuilen met gewelven van hout en gips. Hét voorbeeld van hoe het eigenlijk moet is voor de Roomskatholiek uit die dagen de neo-gotiek. Na zoveel jaren zien objectieve kenners echt niet zoveel verschil tussen beide stijlen.

Koel sfeertje


Een ander door Rooms-katholieken gebruikt argument is dat de hele sfeer niet bij hun godsdienstige beleving past. Waterstaatskerken hebben witte muren en plafonds en ramen met helder glas. Men zou het kil kunnen noemen, voor protestanten is dat helemaal geen bezwaar, integendeel, het gepredikte woord staat centraal. Voor een ^ooms-katholieke liturgie moet men eigenlijk wel een mystiek sfeertje hebben. Een Mariabeeld in een helderwitte ruimte staat gewoon niet. Trouwens, een kaarsje branden in zo'n helderwitte ruimte is toch ook geen gezicht! Kleine ramen, donkere, bakstenen muren en liefst gekleurd
glas zodat een sfeertje ontstaat hoort veel meer bij een Rooms-katholieke kerk. Het grote voorbeeld daarbij is de St. Pieterskerk in Rome. Men heeft ook wel gezegd dat architecten uit de neogotiek (waar Rooms-katholieken zo mee wegliepen) een mystiek rookgordijn om de kerk legden.

De door Rooms-katholieken aangevoerde motieven dat de aan de Grieken
en Romeinen ontleende vormen heidens zijn en dus onaanvaardbaar, wordt door onder anderen drs. Rosenberg van de hand gewezen.

Gelijkwaardig


„Men ervaart het veelal zo dat in de kerkelijke architectuur van de negentiende
eeuw een veelheid van stromingen en levensbeschouwingen openbaar komt. Boeiend is het te zien hoe bouwmeesters uit het tijdvak der neo-stijlcn, gebruik makend van vormen en motieven uit het verleden, kunstwerken wisten te scheppen die even karakteristiek zijn voor de negentiende eeuw, als de bouwwerken van voor1860 voor hun tijd". aldus  Rosenberg.

Deze mening is van belang vanwege het feit dat drs. Rosenberg deskundige is bij de Rijksdienst voor Monumentenzorg. Omdat ook die dienst niet (meer) over een onuitputtelijke geldbron beschikt moeten er prioriteiten gesteld worden.

Inzet

De Waterstaatskerk van St. Jacobiparochie is inmiddels gerestaureerd. In Waddinxveen is men dank zij de inzet van zowel de burgerlijke overheid als een plaatselijke commissie erin geslaagd aan te tonen dat er praktisch geen tweede kerk in Nederland is zoals in Waddinxveen.

Deze kerk is gebouwd in opdracht van het toenmalige hoofd van Rijkswaterstaat, ir. J. R. Beyerink — hij gaf leiding aan de drooglegging van de
Zuidpias, die ir. A. Blaauw J. Hzn. opdracht gaf tot het ontwerp. Het verband
met architecten als Tollus en anderen is weliswaar onduidelijk, maar moet zeker niet uitgesloten worden geacht. C. Neven heeft daar argumenten voor.

Hoe het allemaal ook zit, het begrip Waterstaatskerk is te danken aan de bemoeienis van Koning Willem I, een bemoeienis die niet door iedereen in dank is afgenomen. Had men geen bezwaren tegen de stijl dan waren er wel bezwaren tegen de verplichting om vaak dure nieuwbouw te plegen terwijl anderzijds, zo is later gebleken, ingenieurs van Rijkswaterstaat geen kerkbouwers van huis uit bleken te zijn gezien de geconstateerde bouwkundige blunders, met alle gevolgen van dien.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.