+ Meer informatie

Attentie Van stap tot stap

4 minuten leestijd

Afwijking van Schrift en Belijdenis begint vaak met kleine dingen. Men spreekt dan over „middelmatige” dingen. Dingen dus, die de kern, het beginsel van Schrift en Belijdenis niet zouden raken. Een woord, dat het goed doet in onze tijd. Men spreekt dan over „tijdbeeld” en over „tijdgeest”. Waakzaamheid zou dan geboden zijn voor de „tijdgeest”, maar wat het „tijdbeeld” betreft, dan kan die waakzaamheid wel verflauwen, want het„tijdbeeld” zou het oude beginsel alleen maar willen brengen in een moderne verpakking. Inmiddels kan die „verpakking” zodanig zijn, dat de inhoud niet meer meespreekt, of zodanig met de „tijdgeest” zijn doortrokken, dat de inhoud een geheel andere waarde heeft verkregen.

Langs deze weg kunnen de zgn. middelmatige dingen uitgroeien tot een bedenkelijke afwijking van Schriften Belijdenis, al gaat dat dan geleidelijk van stap tot stap.

Het wordt een hinken op twee gedachten, ten slotte worden al die middelmatige dingen tot een hellend vlak!

Dan komt eerst het „kiesrecht der vrouw” en straks „de vrouw in het ambt”. In de „wandelgangen” van de Synode werd dit geluid reeds opgevangen.

Dan komt eerst de nieuwe berijming in bespreking, maar in verschillende kerkbladen spreekt men alleen maar over gezangen.

Dan worden eerst enkele opmerkingen gemaakt over het Schriftgezag, maar inmiddels worden de meest bedenkelijke opmerkingen reeds doorgegeven op de kansel.

Zou het gevaar dan niet gesignaleerd moeten worden, dat wij zo van stap tot stap steeds verder afdwalen van Schrift en Belijdenis, door de kerk der Afscheiding toch altijd voorgestaan.

Ik dacht, dat het daarom goed kon zijn nog eens het vermanend woord te laten horen van onze overleden Hof. Wisse.

In ons kerkelijk orgaan „De Wekker” schreef hij in een brief aan een vriend in het jaar 1956 het volgende:

„Ik voel mij gedrongen het u te zeggen, meer dan ooit heb ik gezien en gevoeld, dat men in de gronden en stukken, die gekend moeten worden, geen duimbreed moet afwijken van de echte ’34 richting; wilt ge van de oude reformatorische leer der zaligheid en Godzaligheid. Mijn ziel heeft geweend, eerlijk en oprecht, bij de overweging, hoe overal, helaas ook bij ons, bij leden en ambtsdragers, de afwijking, verwatering, inzinking valt waar te nemen. Laat u dan maar verachten en bespotten, de Heere is aan uw zijde. Vraag aan al dat nieuwe soort maar eens om iets te vertellen uit de Gods ontmoetingen hunner ziel, tien tegen één, dan stort het „vliegtuig” neer, of ze moeteneen noodlanding maken. In plaats van met hoog opgezette borsten in zelfver waandheid laag neer te zien op het volk, dat nog bij die oude paden wenstteblijven,mocht er wel een biddag worden uit geschreven over het verval en de innerlijke verwoestingen, die allerlei „nieuwe” geesten bezig zijn aan te richten.

Vooral is het vreselijk en diep betreurenswaardig als door „zieleherders” aan de nieuwe zaligheidsmanier voedsel wordt gegeven. Arme zielen, die daaraan voor een ontzaggelijke eeuwigheid worden toebetrouwd.

Nog één woord moet mij daarbij van het hart: de vruchten van alle zgn. nieuwe koersenvan de bedoelde, al meer bekend wordende lieden zijn uiteindelijk, dat er onrust en verwarring komt. Dat menzijngavevoorzending,school, evangelisatie enz. gaat inhouden. Dat men almeer begint te horen: „En dat nemen wij niet langer”; en dat men in naam van de opbouw Sions muren gaat afbrokkelen, en dat de getrouwen onze kerk niet meer met opgewekte vrijmoedigheid kunnen aanbevelen aan degenen, die tegen de afwijking en verslapping in andere kerkeneenschuilplaats zoeken voor hun hongerige en dorstige zielen. De Heere verhoede het, maar anders dreigt het einde de last te zullen moeten dragen.

Met weedom der ziel heb ik wel eens klanken moeten opvangen als deze: O dat antieke geslacht, dat sterft wel zachtjes uit, en dan hebben wij er geen last meer van en kunnen wij een niet „gemoedelijk of antiek”, maar gezond (ja, ja, gezond) christendom beleven. Dan houden wij niet anders da neen zingende, jubelende, huppelende en zelfs dansende kerk over.

In die geest heb ik inderdaad helaas klanken opgevangen. Of ook dit: O we zullen wel zorgen, dat we die minderheid de baas blijven. Nu, ik wens tot mijn laatste ogenblikken door de Heere bij die minderheid, bij dat overblijfsel bewaard te blijven”.

Tot zover Prof. Wisse.

Me dunkt, dit kon ook voor het jaar 1969 geschreven zijn.

Duidelijk heeft Prof. Wisse de gevaren gezien, er voor in alle ernst gewaarschuwd, en wij gaan van stap tot stap steeds verder van huis. Een verschijnsel, dat heus niet alleen gezien wordt in onze kerken, maar dwars door alle kerken heengaat. Reden te meer om al die gevaren te onderkennen, ook de gevaren van „tijdbeeld en tijdgeest”, ook de gevaren van de zgn. middelmatige dingen, de gevarenvan de „moderne verpakking”, waarbij men opgaat in de verpakking en de inhoud verliest, of reeds lang verloren heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.