+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

23

Toen riep de oude heer Ongeloof: „Wel wie is er zo dwaas dat hij nog uit de handen zijner vijanden zijnde, gelijk wij, zijn macht uit de hand zal werpen en ze in handen geven van iemand die hij niet kent? Wat mij belangt, nooit zal ik vrede nemen met onbepaalde condities. Kennen wij de gewoonte en gestalte van de Koning niet? Sommigen hebben gezegd dat Hij toornig is op Zijn onderdanen, wanneer zij maar een haarbreed uit de weg treden. En anderen, dat Hij meer van hen eist dan zij kunnen volbrengen. Dus zult gij wijs handelen, o Mensziel, zo gij voor u goed toeziet, wat gij in deze zaak doet. Want zo gij eens bewilligt, geeft gij u aan een ander over en zijt niet langer uw eigen meester. Derhalve is het de grootste dwaasheid van de wereld, dat gij u zo overgeeft aan een onbepaalde macht. Want gij kondt dan berouw hebben, maar gij zoudt niet met recht mogen klagen. Maar kunt gij ook wel recht weten, als gij eens de Zijne waart geworden, wie van u Hij doden en wie Hij in het leven sparen zal? En of Hij niet een ieder van ons zal afsnijden en uit zijn eigen land een ander nieuw volk zenden om in deze stad te wonen?”

Weerzinwekkend was de toespraak van Majoor Ongeloof tot de stad Mensziel. Alle hoop op bevrijding werd haar ontnomen. Ontmoedigd zijn de kapiteins met hun mannen teruggekeerd naar hun verschansingen om zich meer dan ooit te verdiepen in de boosheid en bitterheid van Ongeloof. Zodat het geloof dat door de liefde werkt hen steeds meer dierbaar werd. Want in het hart van Majoor Ongeloof brandt het helse vuur van haat en vijandschap tegen Koning El-Schaddai en Zijn volk.

Terecht wordt de heer Ongeloof de eerstgeborene van Diabolus genaamd, die net als zijn vader niets liever doet dan liegen en bedriegen. Met een satanische vreugde in zijn hart begaf hij zich dan ook terstond na het uitspreken van zijn walgelijke rede naar het kasteel van Diabolus, die al op hem zat te wachten. Op een bedrieglijke wijze en het kan ook niet anders, want het ongeloof haat de waarheid, werd van hetgeen in de laatste dagen was voorgevallen verslag uitgebracht.

Aan het einde van het gesprek over de werken, die in de duisternis van de ongerechtigheid bedreven waren, deed Diabolus het voorkomen alsof Majoor Ongeloof van hem in alles afhankelijk was. En zo is het niet. Diabolus kan niets uitrichten als het ongeloof hem die macht niet verleent. Van alle kanten is Diabolus teleurgesteld in zijn listen en lagen om de Heere Jezus te verleiden en te verslaan, daar hij door het ongeloof geen vat op Hem kon krijgen. En dat is het enige lichtpunt voor Mensziel. Daar Christus door Zijn geloofsgehoorzaamheid tot in de vloekdood des kruises over het ongeloof heeft getriomfeerd, ja genageld heeft aan het kruis, kon Mensziel hoe donker het ook nog is, door Zijn genade uit de greep van het ongeloof verlost worden. Daarop ging de Majoor uit van Diabolus alsof hij in waarheid een grote gunst van hem had ontvangen door hem meer macht en aanzien te verstrekken in Mensziel. Trots als een tweede Haman stond het voor hem vast, dat Mensziel zich nu met deze bijstand van Diabolus met meer beslistheid aan hem onderworpen zou zijn dan voorheen.

Maar door dat alles heen ziet het leger van de Koning verlangend uit naar de verschijning van een tweede Mordechai, die hoe het ook gaat niet wenst te bukken voor Majoor Ongeloof. En wat zal dat dan een feestvreugde verwekken in Mensziel. Dat feest zal zeker wel genoemd worden het tweede Purimfeest. En wat bemerkt Majoor Ongeloof nu tot zijn grote verbazing wel op bij zijn verschijning in de stad? Wel, dat de burgers tijdens zijn verblijf in het kasteel van Diabolus aan het muiten geslagen waren. Met de behandeling de kapiteins en het volk van El-Schaddai aangedaan konden zij zich niet verenigen. Toen de heer Verstand en Registermeester Consciëntie kennis kregen van hetgeen aan de Oorpoort was voorgevallen, konden zij zich met de gang van zaken niet langer verenigen. Leven alsof er geen God is zoals Ongeloof en Diabolus dat wilden, wensten zij niet langer te verdragen. Het spreken van genade en vergeving in naam van Koning El-Schaddai deed ons weldadig aan. Al is die boodschap tot op heden door niet één burger met een volkomen hart aangenomen, dan past het ons nog niet haar te negeren. De goede woorden die tot ons gesproken zijn hebben wij te waarderen, want wij weten allen dat wij Hem trouweloos kwamen te verlaten. De heer Verstand wees er op, dat het redelijk en verplichtend geweest zou zijn ten opzichte van de toekomst der stad zulke goede woorden met ernst in overweging te nemen. Maar verder nog ging de heer Consciëntie door te spreken van het gericht, want op die weigering en schandelijke behandeling Koning El-Schaddai aangedaan, komt Hij zeker terug. En weet, dat er een gedenkboek is voor Zijn aangezicht. Het staat in het boek van Zijn alwetendheid aangetekend.

De menigte nu, ingenomen met de overtuiging van het kwade door de oude Ongeloof zo schandelijk bedreven, kwam er tegen in opstand. Op alle hoeken van de straten scholen troepjes saam om het onrecht met elkander te bespreken. Het werd zelfs hoorbaar uitgesproken: „O die brave kapiteins van El-Schaddai! wenselijk ware het, dat we onder het bestuur van de kapiteins en van El-Schaddai hun Koning wezen mochten.”

Toen nu de heer Majoor Ongeloof vernam dat Mensziel zo in oproer was, kwam hij af om het volk te stillen en meende de opgewonden volksmenigte met zijn grootheid in ’t vertonen van zijn gelaat wel wat af te kunnen koelen. Maar toen zij hem zagen kwamen ze op hem aanlopen en hadden hem ontwijfelbaar in zijn vermeende grootheid gekrenkt had hij zich niet in een huis teruggetrokken. Niettemin vielen zij op het huis waar hij in was, aan, om het boven zijn hoofd af te breken. Maar de plaats was te sterk zodat dit plan mislukte. Zodat Ongeloof vanuit dit huis tot de menigte door een venster kon spreken: „Mijne heren, wat is toch de reden, dat er zulk een oproer en geweld is?” Waarop de heer Verstand antwoordde: „Het is omdat gij en uw meester niet recht handelt door de kapiteins van El-Schaddai schande aan te doen. En de heer Consciëntie en mij hebt gij de gelegenheid ontnomen om ons uit te spreken omtrent het goede dat ons in naam van de Koning door de kapiteins welmenend werd aangeboden.”

Zie, al had de heer Verstand nog wel geen geheiligd verstand, zo had hij toch nog wel een redelijk verstand om te kunnen zwichten voor de redelijke godsdienst die Mensziel verkondigd werd.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.