+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

34

’t Gaat bij Godsvrucht om het komen tot Gods zoete gunst en zalige gemeenschap in Jezus Christus.

Daar kan inderdaad heel veel vertoon zijn in het godsdienstige leven, waarin de godsvrucht ontbreekt. Men kan de naam hebben, dat men geestelijk leven kent, dat men leeft met de Heere, en toch nog dood is.

In de ware godsvrucht gaat het om de vrucht, die dat leven komt af te werpen. Een goede boom brengt goede vruchten voort, die geprezen worden door de Heere. Vruchten waarmede alle godvruchtige zielen in de Heere begeren te eindigen. Want zij zijn uit Hem, door Hem en tot Hem.

Het zijn vruchten, waarin de geur des hemels gevonden wordt. Vruchten die anderen tot Christus trekken, die voor Hem gewonnen worden.

Godsvrucht heeft al veel van de Pelgrim mogen horen, waarin de vruchten van Gods wederbarende liefde en trekkende liefde gevonden werden, ’t Was in alles merkbaar dat hij met zijn hart de Heere zocht in gebondenheid aan de troon van Zijn genade.

Maar de Pelgrim weet nog niet het eigendom van Jezus Christus te zijn. Tenminste, ’t is Godsvrucht nog niet meegedeeld. En dat deed haar komen tot de vraag: „En wat hebt gij op uw weg nog meer gezien?”

„Wat ik nog meer gezien heb?” zo vraagt de Pelgrim, alsof hij wilde zeggen: „Ik ben blij dat ge mij met deze vraag te stellen in de gelegenheid stelt te vertellen wat mij boven alles dierbaar is”.

„O, ik ging slechts een weinig verder toen ik een Man zag, en ’t was mij als zag ik Hem bloedend hangen aan een hout, en toen ik op Hem zag, viel mijn last mij van de schouders (Want ik ging onder een zeer zware last gebukt). Dit was voor mij een gans ongewone ervaring, want nimmer tevoren zag ik zo iets; en terwijl ik naar boven stond te staren (want ik kon niet aflaten op Hem te zien) kwamen drie lichtende gestalten naar mij toe. De een verzekerde mij dat mijn zonden vergeven waren; een ander deed mij mijn gescheurde klederen uit en gaf mij dit fraai geborduurde kleed, dat gij ziet, en de derde zette het teken op mijn voorhoofd en gaf mij deze verzegelde rol” (en met deze woorden haalde hij die tevoorschijn).

Gedurig wordt hier gesproken van „zien”. En dan hebben Vrij door dat zien niet het zien van een bepaalde godsdienstige beschouwing te verstaan. Het gaat hier om het geestelijk en gelovig zien op het Lam Gods, dat de zonde der wereld weg neemt.

In dat zien wordt de liefde van de Vader aanschouwd. Het Lam Gods is het geschenk van de Vader tot zaligheid van zondaren. De Vader geeft door Zijn Goddelijk schenken de grootste der zondaren het recht der genade tot Hem te komen en op Hem te zien. Niets is de Vader meer welbehagelijk dan het zien op het Lam, Dat geslacht is van de grondlegging der wereld. In dat kinderlijk en gelovig zien Op het Lam Gods wordt Hij in Zijn borgtochtelijk lijden en sterven omhelsd. Het is een staan in het licht van de Zon der gerechtigheid. Wordt de zon aanschouwd in het rijk der natuur, dan laat zij ons delen in al haar licht, in al haar warmte en in al haar heerlijkheid. En zo laat Christus, de Zon der gerechtigheid, ons delen in al de grechtigheid, door Hem verworven tot zegen en zaligheid van ons hart.

En zo laat de Vader Zijn vergevende liefde stromen in het hart. Hier mocht de Pelgrim blikken in de dienst der engelen. „Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?” In het teken op zijn voorhoofd was hem de verzegeling van Gods beloften geschonken tot een pleitgrond des gebeds. Voor het geestelijke leven is het van grote betekenis de vervulling van Gods beloften biddende te zoeken. Vanuit de praktijk moet het ons wel bekend zijn dat de vervulling van Gods beloften maar al te weinig gezocht wordt.

Wat blijft menigeen toch gemakkelijk staan in de eerste beginselen van het genadeleven. Vanuit de verzegeling van Gods beloften schenkt de Heere ons een verzegeld recht haar vervulling biddende te zoeken. En dat stelt ons tegelijkertijd onder een grote verantwoordelijkheid. Na het spreken van het teken aan zijn voorhoofd, liet de Pelgrim de rol van Gods verkiezende liefde in Christus zien. Dat deed hem het getuigenis van de Heilige Geest smaken.

Het was voor de eerste keer dat de Pelgrim onder Gods kinderen mocht getuigen van de grote daden des Heeren. ’t Was dan ook voor hem als een heerlijke wijnoogst, zodat hij zich mocht verheugen in de weerklank der bergen.

De Pelgrim is het zo maar niet gaan vertellen, dat zou hij niet gedurfd hebben. Door de vaderlijke hand der Goddelijke voorzienigheid is hij gebracht onder Gods kinderen. En daar wist Godsvrucht hem uit te halen om te spreken van het werk der genade. Het verlangen onder Gods volk te mogen komen om te spreken van de wegen des Heeren, was er wel, maar daartoe moet de weg geopend worden. Het is de aard der oprechten niet zich op te dringen bij Gods kinderen. ’t Is en blijft een geschenk van de Heere een plaats te bekomen in het hart van Zijn kinderen. Zeker, de Pelgrim heeft nog andere dingen gezien, maar de dingen die hij verteld heeft, waren wel de beste. De andere dingen waarvan hij nu gaat spreken, zijn nodig om geoefend te worden in de strijd. Hij heeft toch de goede strijd te strijden.

Toen hij terzijde van de weg de drie mannen, Dwaasheid, Luiaard en Verwaand zag liggen, zonder enig besef van het gevaar waarin zij verkeerden, moest hij de strijd aanbinden tegen de slaap der zorgeloosheid. Terecht is weleens gezegd dat zorgeloosheid de kortste weg is naar de hel. Daarom waarschuwt de Pelgrim en allen die met hem leven in een vruchtbaar geloofsleven, deze zorgeloze broeders op de weg naar Sion om niet om te komen gelijk als de vrouw van Lot op haar vlucht naar Zoar. De zorgeloosheid hoort in Sodom thuis en de goddeloosheid is een huis gebouwd in Sinear.

Bij het ontmoeten van Vormelijk en Schijnheiligheid heeft de Pelgrim niet minder dapper gestreden tegen de zonde van ongehoorzaamheid. Door de enge poort voorbij te lopen en te klimmen over de muur, om zo de weg naar Sion te bereiken, waren zij de Zoon ongehoorzaam. Ongehoorzaam, daar het ingaan door de enge poort uit Zijn mond is voortgekomen. En dat heeft Hij gepredikt in gehoorzaamheid aan Zijn God en Vader, opdat het ons door de inspiratie van de Heilige Geest bewaard zou blijven.

Ongehoorzaam, daar de enge poort der waarachtige bekering door de Zoon gebouwd is in Zijn borgtochtelijk sterven en triomfantelijke opstanding. De zaligheid, die Christus door Zijn gehoorzaamheid heeft verdiend, is alleen in de gehoorzaamheid des geloofs te verkrijgen. Het is de aard en natuur des geloofs de Heere gehoorzaam te zijn. „Maar vooral”, en daarmee werd het gesprek met Godsvrucht besloten, „vond ik het een heel zware taak deze heuvel te bestijgen, en een verschrikkelijke zaak was het voor mij die leeuwen voorbij te gaan, want ik moet betuigen, als de deurwachter ginds bij de poort mij niet had geholpen, dan zou ik tenslotte toch misschien nog zijn omgekeerd. Maar nu, Gode zij dank, bevind ik mij hier en ik dank u voor uw vriendelijke ontvangst”.

En was het niet aangenaam naar dit gesprek te luisteren? Of houdt u zich nog bedekt door zwijgende over de aarde te gaan? Kom, ga daarin niet voort. De Heere zegt: „Laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen”.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.