+ Meer informatie

Invloed opiniepeilingen gering

"Meesten bepalen hun standpunt allang van te voren"

4 minuten leestijd

LEIDEN — De uitslagen van enquêtes over het stemgedrag van kiezend Nederland worden meestal met argusogen bekeken, maar heeft de publikatie van dergelijke opiniepeilingen invloed op de uiteindelijke keuze van de kiezer?

Volgens prof. dr. G. A. Irwin niet. „De meeste mensen hebben hun standpunt al lang van te voren bepaald. De resultaten van het bevolkingsonderzoek zijn dikwijls een bevestiging van deze keuze. Wat niet wegneemt dat de opiniepeilingen er nu eenmaal echt bij horen. Ze zijn zelfs nodig in een democratische samenleving, omdat de mensen anders overgeleverd zouden zijn aan de informatie van politici, die niet objectief beoordeeld kan worden".

Prof. Irwin, als hoogleraar verbonden aan de vakgroep politieke wetenschappen van de Universiteit van Leiden houdt zich al jaren bezig met allerlei aspecten van de verkiezingen in Nederland en in het buitenland, het kiezersgedrag en de invloed van opiniepeilingen.

Na veel studie is hij tot de conclusie gekomen dat dit soort onderzoeken weinig verandering brengt in de uiteindelijke keuze van de kiezer. Een groot aantal mensen weet al maanden tevoren waarop gestemd wordt. Het kleine percentage, dat op het laatste moment zijn keuze bepaalt, is over het algemeen weinig geïnformeerd of politiek actief. De beïnvloeding van de opiniepeilingen is daarom gering.

Omgeving

Een veel grotere rol bij de uiteindelijke keuze speelt de politieke opvatting van mensen in de maatschappelijke omgeving van de kiezer. Hij laat zich dikwijls leiden door het stemgedrag van de mensen in zijn buurt, familie- of vriendenkring of op het werk. Hij past zich aan bij hetgeen zijn omgeving van hem verwacht, aldus prof. Irwin.

Een van de redenen waarom opiniepeilingen weinig invloed hebben op het uiteindelijke stemgedrag is dat het publiek over het algemeen weinig in de kranten leest over politiek. Bij gevolg worden ze evenmin geïnformeerd over de uitslag van de bevolkingsonderzoeken. Het zijn alleen de politici en de politiek actieve mensen die daarvan kennis nemen. Maar zij hebben hun keuze al lang bepaald.

Winnaar

Op grond van onderzoekingen bestaat het vermoeden dat mensen graag op een winnende partij stemmen. Hiervan zou D'66, die volgens de opinie-onderzoeken op een ruime winst kan rekenen, kunnen profiteren. De geloofwaardigheid van D'66, die in de uitslag van de opiniepeilingen tot uiting komt, kan een belangrijke factor zijn bij de stemming.

Aan de andere kant bestaat er volgens Irwin bij de kiezers de neiging om hun voorkeur te geven aan de verliezende, onderliggende partij. Bij gevolg zou een aantal stemmen kunnen gaan naar die partijen die volgens de opiniepeilingen op weinig winst of zelfs verlies moeten rekenen.

Methoden

Prof. Irwin acht de methoden die de bureaus voor opinie-onderzoek, zoals Infomarkt, Lagendijk en NIPO, gebruiken wetenschappelijk juist. Alleen voor de kleinste partijen valt een weinig betrouwbare voorspelling te doen. Daarvoor zijn de steekproeven onder de 500 à 1.000 mensen te klein. Ze zijn voldoende om een goed beeld van het stemgedrag ten aanzien van de grote partijen te krijgen. Voor de kleinere zou de opiniepeiling onder meer mensen verricht moeten worden.

Ook al worden de opinie-onderzoeken goed verricht, de interpretatie die de publiciteitsmedia eraan geven is naar de mening van Irwin dikwijls onjuist. Op grond van de cijfers is het volgens hem onmogelijk een juiste zetelverdeling te bepalen, laat staan iets zinnigs te zeggen over de verdeling van de restzetels.

In tegenstelling tot het buitenland, waar politieke partijen vaak eigen onderzoeken laten verrichten, kent Nederland slechts opiniepeilingen door onafhankelijke bureaus. Dit is volgens hem een goede zaak, omdat de partijen dan ook niet met cijfers kunnen manipuleren.

Nadelen

Ondanks de vele goede kanten die er aan opiniepeilingen zitten, zijn er ook enkele nadelen aan verbonden. Prof. Irwin wijst daarbij op enkele voorvallen in het buitenland. Toen de Engelse Labour-kandidaat Wilson in 1970 op grond van opiniepeilingen meende op het toppunt van zijn populariteit te zijn, deed zijn partij weinig in de verkiezingsstrijd. Labour was zo zelfverzekerd van haar overwinning, dat zij elke extra inspanning om kiezers voor zich te winnen achterwege liet. Uiteindelijk ging Wilson met zijn partij de mist in.

Het tegenovergestelde gebeurde toen de Amerikaanse presidentskandidaat Humphrey in 1968 dacht niet te zullen winnen. Op het moment dat opiniepeilingen aangaven dat zijn populariteit groter was dan men aanvankelijk dacht, was het te laat om de verkiezingscampagne goed op gang te brengen.

Dat opinie-onderzoeken tot op het laatste ogenblik van belang kunnen zijn moge volgens Irwin blijken uit de verkiezingsstrijd tussen de Amerikaanse presidentskandidaten Carter en Reagan. Uit de resultaten van het laatste opinie-onderzoek wisten beiden aan de vooravond van de verkiezingen aan wie, de kiezers hun voorkeur gaven. De uiteindelijke uitslag kwam voor hen daardoor minder als een verrassing dan ogenschijnlijk werd aangenomen.

Onderzoek

De vakgroep politicologie van de Universiteit van Amsterdam stelt thans een onderzoek in naar het stemgedrag van de bevolking bij de komende verkiezingen. Deze wordt vergeleken met de resultaten van onderzoekingen, die de universiteit al in januari hield en een dezer dagen uitvoert. Vlak na de verkiezingen zal de mening van de ondervraagden opnieuw gepeild worden. Later dit jaar zullen de resultaten van dit nationale onderzoek bekend worden gemaakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.