+ Meer informatie

De ambtelijke arbeid in het licht van de wederkomst

31 minuten leestijd

De beelden, die in de Bijbel voor de kerk gebruikt worden, werpen licht op even zovele aspekten van onze ambtelijke arbeid. Het beeld van de kerk als een lichaam stelt onze ambtelijke arbeid in het licht van de roeping tot onder linge opbouw in gebondenheid aan het hoofd, Christus. Het beeld van de kerk als een kudde, stelt onze ambtelijke arbeid in het licht van de roeping om te hoeden en voor te gaan. Zo wordt in de Bijbel voor de kerk ook het beeld gebruikt van een bruid. Dit beeld voor de kerk stelt onze ambtelijke arbeid in het licht van de roeping om de kerk toe te bereiden voor het ontvangen van haar hemelse bruidegom bij Zijn komst. Wanneer wij dit aspekt van onze arbeid niet verwaarlozen, zullen wij ons voortdurend hebben af te vragen, of gebeur tenissen in onze dagen wellicht wijzen op de nadering van de komst van de grote bruidegom.

De Here Jezus heeft ons uitdrukkelijk op het hart gebonden om te letten op de tekenen van Zijn wederkomst, toen Hij zei, zoals we lezen in Matth. 16:2, 3: „Bij het vallen van de avond zegt gij: Goed weer, want de lucht ziet rood. En des morgens: Vandaag ruw weer, want de lucht ziet somber rood. Het aan zien van de lucht weet gij te onderscheiden, maar kunt gij het de tekenen der tijden niet?” (vgl. ook: Luc. 12 : 54-56).

Nu zullen we prof. Berkouwer in zijn boek over „De wederkomst van Christus” (II, blz. 22) moeten toestemmen, dat wat de Schrift ons noemt als tekenen van de naderende wederkomst, niet bedoeld is als een „reportage” van de toekomst. „Bij zulk een visie” — zo zegt prof. Berkouwer — „moet men wel trachten de tekenen te systematiseren tot een min of meer afgerond geheel, tot een foto grafisch beeld, dat dan in later tijd kan worden herkend, omdat het fotografisch beeld klopt op de dan beleefde en aanschouwde werkelijkheid” (blz. 25). Terecht waarschuwt prof. Berkouwer tegen zulk een visie. Maar, ook al zullen we ons voor een systematiseren van de Schriftgegevens ten aanzien van de tekenen van de wederkomst tot een fotografisch beeld te wachten hebben, we zullen ander zijds ook ten volle ernst moeten maken met de oproep van de Here Jezus om de tekenen der tijden te onderscheiden. Daarom gaat het ons bepaald te ver als ds. Telder in zijn boekje „Reformatorisch leven” zegt: „Het naderend oor deel zal zich in niets aankondigen .... want de Here komt onverwachts” (blz. 164). Verhelderend is in dit opzicht het beeld, dat van prof. Berkhof afkomstig moet zijn. Hij heeft de tekenen van de wederkomst eens vergeleken met de golven van de zee, die tijdens de vloed steeds hoger op het strand komen. Die vloed is er ook niet zo maar, in één keer, plotseling. Die vloed is iets, dat komt opzetten. Zo zijn de tekenen van de wederkomst geen gegevenheden, die ineens, plotseling voor ons staan, terwijl ze daarvoor totaal afwezig waren. Als dat zo was, konden we de tijd van de wederkomst immers „berekenen”, wat naar het woord van de Here Jezus onmogelijk is. In de tekenen van de wederkomst mogen we gegevenheden zien, die er altijd al waren, maar die tot een steeds grotere toespitsing komen, zoals bij de vloed de golven er altijd al waren, maar steeds hoger komen.

Op die toespitsing in onze dagen van dat wat er altijd al was, willen we elkaar vandaag attenderen. Wanneer we voor de toespitsing oog hebben, worden we er enerzijds voor bewaard om de tekenen der tijden te systematiseren tot „mijl palen” in de geschiedenis en blijven we ze anderzijds toch in het oog houden als „seinpalen” in de geschiedenis. Die toespitsing zullen we in twee richtingen mogen zien: in een negatieve en een positieve richting. We hebben in Rom. 13 : 11-14 gelezen, hoe Paulus de nadering van het heil zich ziet voltrekken in een steeds meer invallen van de nacht (dat is de negatieve kant) en in een steeds meer doorbreken van de dag (dat is de positieve kant). „Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd. De dag is nabij” (vs. 11, 12).

We willen U graag wijzen op twee tekenen van de steeds meer invallende nacht en op twee tekenen van de steeds meer doorbrekende dag.

Als tekenen van de steeds meer invallende nacht zien we:

1. het feit, dat de vrede van de aarde is weggenomen; en

2. het feit van allerlei machtssamenbundelingen, machtskoncentraties.

Als tekenen van de steeds meer doorbrekende dag zien we:

1. wat er gebeurt met het volk Israël in onze dagen;

2. wat er gebeurt met de gemeente, de kerk in onze dagen.

De meeste gegevens voor het volgende ontleen ik aan een boek van een Duits theoloog, Fritz Rienecker. Het boek heeft tot titel: „Wenn dies geschieht.... Vom endzeitlichen Charakter der Gegenwart” (uitgave: Brockhaus-Verlag, Wup pertal, 1958).

Als eerste teken in negatieve richting — teken van de steeds meer invallende nacht—zien we het feit, dat de vrede van de aarde is weggenomen: In Matth. 24 brengt de Here Jezus dit feit direkt in verband met Zijn wederkomst bij de voleinding der wereld, als Hij zegt: „Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen.... want volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk” (vs. 6, 7). Juist bij dit feit is het heel duidelijk, dat we niet met iets totaal nieuws te doen hebben. Oorlogen en geruchten van oorlogen zijn er altijd al geweest, sinds de dag, dat Abel gedood werd door Kain. Een Zwitserse theoloog dr. René Pache heeft uitgerekend, dat er in de laatste 3000 jaar van de mensheidsgeschiedenis, voor zover wij kunnen nagaan, slechts ongeveer 250 jaar „vrede” geweest is. In die 3000 jaar zijn er rond 8000 vredes verdragen gesloten, die alle uiteraard voor de eeuwigheid gesloten werden, maar die gemiddeld niet langer geduurd hebben dan twee jaar. Oorlogen en geruchten van oorlogen zijn er altijd al geweest. Toch zien we, hoe in dit opzicht de vJoed hoger komt: we zien de toespitsing van dat wat er altijd al was. Dat geldt allereerst de omvang van de oorlogen.

Waren de oorlogen vroeger veelal zeer plaatselijk bepaald, zodat in de Middel eeuwen Amsterdam oorlog kon voeren tegen Utrecht, tegenwoordig is van die plaatselijke bepaaldheid geen sprake meer. Bij een oorlog die ergens in Z.O. Azië woedt, zijn wij direkt betrokken. Bij de eerste wereldoorlog van 1914-1918 waren 57 landen betrokken. Bij de tweede wereldoorlog van 1939-1945 waren reeds 70 landen bij de oorlog betrokken En we weten allemaal, dat zou er een derde wereldoorlog komen, geen enkel land op heel de wereld buiten die oorlog zou kunnen blijven. In wat er altijd al was aan oorlogen en geruchten van oor logen zien we een duidelijke toespitsing.

Die toespitsing is er niet alleen, als we letten op de omvang van de oorlogen, maar ook als we letten op de wapenen, die in de oorlogen gebruikt worden of gebruikt kunnen worden. In de Middeleeuwen was de uitvinding van het bus kruit een geweldige uitvinding. In de eerste wereldoorlog was het de konstruktie van de tanks, waardoor de oorlog beslist werd. In de tweeede wereldoorlog werd de tank uit de eerste wereldoorlog ver en ver in de schaduw gesteld door de ontdekking van de atoombom. Doordat op twee Japanse steden, Nagasaki en Hiroshima een atoombom werd neergelaten, kwam de tweede wereldoorlog tot een einde. Hiroshima, een stad van 400.000 inwoners werd door die ene atoom bom voor drie kwart totaal verwoest. 80.000 mensen stierven in een ogenblik. In 1954 is op een kongres gepubliceerd wat ook achteraf door de uitwerking van de radio-aktieve straling nog de gevolgen waren: van 1945-1954 werden in Hiroshima ruim 30.000 kinderen geboren. Daarvan waren er — waarschijnlijk geheel of mede vanwege de radio-aktieve straling — 471 doodgeboren en meer dan 4000, d.w.z. bijna een zevende van het totaal, abnormaal. Van die 4000 kinderen waren er meer dan 1000 met misvormd beenderen- en spierenstelsel, meer dan 400 met misvormde reuk- en gehoororganen, 254 met misvormde lippen of tong, 243 met misvormde inwendige organen, 47 met misvormde hersenen, 25 zonder hersenen, 8 zonder ogen of oogholten. Het is een koude opsomming van getallen, maar achter die getallen ligt een zee van verschrikking. Bij de ontwikkeling van de atoombom is het niet gebleven. Na de atoombom is de waterstofbom ontwikkeld. Eén waterstofbom kan evenveel kracht uit oefenen als 2500 atoombommen samen. Wanneer we ons realiseren, wat die ene atoombom aan het einde van de tweede wereldoorlog al aan ellende kon aan richten, huiveren we er voor, als we er aan denken wat er met een waterstofbom wel niet kan gebeuren. Op een militair „gunstige” plaats tot ontploffing gebracht kan een waterstofbom direkt 36 miljoen mensen doden, terwijl na 60 dagen door de radio-aktiviteit dat aantal kan stijgen tot 70 miljoen. 70 miljoen, dat is meer dan zes maal de totale bevolking van ons land, weggevaagd door één bom. Ook bij de waterstofbom heeft de ontwikkeling niet stand gehouden. Na de waterstofbom is nog de kobaltbom ontwikkeld. Deze berust op hetzelfde beginsel als de waterstofbom, maar heeft alleen in plaats van een mantel van staal een mantel van kobalt. De werking van deze kobaltbom kan nog verschrikkelijker zijn. Bij de eerste proeven met deze bommen is door de Amerikaanse prof. Szilard (hoogleraar aan de universiteit van Chicago) uitgerekend, dat 300 kobalt bommen van 1000 kilo voldoende waren om door de radio-aktieve straling alle plantaardig, dierlijk en menselijke levens op de hele aarde te vernietigen. Sinds die tijd zijn de kobaltbommen ook nog weer „verbeterd”, zodat de Duitse prof. Hahn heeft verklaard, dat 10 kobaltbommen in verbeterde vorm voldoende zijn om het leven van de totale mensheid totaal te vernietigen.

Deze toespitsing van dat wat er altijd al was, brengt binnen onze direkte ge zichtskring b.v. wat we lezen in het boek Openbaring. Ik denk aan hoofdstuk 6 : 8: „En hem werd macht gegeven te doden het vierde deel van de aardt;” 8 : 7: „en het derde deel van de bomen van de aarde verbrandde”; 8 : 8: „en het derde deel van de zee werd bloed”; 8 : 9: „en het derde deel van de levende wezens in de zee stierf en het derde deel van de schepen werd verwoest”; 9 : 15: „en het derde deel van de mensen werd gedood.” Dit zijn allemaal Schriftwoorden, waar tot in het begin van deze eeuw velen om gelachen hebben, maar waar vandaag niemand om lacht, omdat ze ieder ogenblik verschrikkelijke werkelijkheid kunnen worden.

Ik dacht, dat we in deze toespitsing van de „oorlogen en geruchten van oor logen” het opkomen van de vloed moeten zien. En hoe zullen wij nu als ambts dragers moeten staan temidden van de verschrikkingen, die ons het steeds meer invallen van de nacht spellen? Moeten wij de mensen in onze gemeente zonder meer maar zeggen, dat ze niet bang hoeven te zijn? Neen, wanneer wij ons ambt recht verstaan, zullen wij dat niet doen. We zien, dat er om ons heen een grote angst is voor alles wat er kan gebeuren. Waarom zouden anders zo veel mensen zich van de ene ontspanning in de andere storten? Niet in het algemeen, maar tegen zijn discipelen zei de Here Jezus: „Wanneer deze dingen beginnen te geschieden richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw ver lossing genaakt” (Luc. 21 : 28). Dat zullen wij, als wij ons ambt recht verstaan, tegen de mensen in onze gemeente moeten zeggen, dat als zij nog geen discipel en discipelin van de Here Jezus zijn, inderdaad alle reden tot vrees aanwezig is. Want dat wordt in onze dagen wel duidelijk, dat van de toekomst niets te ver wachten is. Ware verwachting is er alleen bij het schuilen achter de Here Jezus Christus. Als ons ambtelijk werk in het licht van de wederkomst staat zal het doortrokken moeten zijn van de ernst, dat er buiten Christus geen leven is en zal er vanuit heel ons ambtelijk werk de oproep en de lokroep tot het discipel schap moeten klinken. Een discipel, een discipelin is iemand, die achter de Here Jezus aangaat en bij Hem hoort. Tot dat leven oproepen en lokken kunnen we alleen, als we zelf dat leven kennen. Daarom klemt voor ons persoonlijk allereerst de vraag, of wij bij de nadering van Jezus’ wederkomst ons hoofd omhoog kunnen heffen en of de Here Jezus bij Zijn wederkomst ons als dis cipelen van Hem zal aantreffen. Het ware ambtswerk begint bij onszelf.

Het tweede, waar ik als een teken van de steeds meer invallende nacht op zou willen wijzen, is het feit, dat we in onze dagen allerlei machtssamenbundelingen, machtskoncentraties kunnen zien.

We zien allereerst machtssamenbundelingen op politiek gebied. In dit kader zullen we waarschijnlijk ook de figuur van de antichrist hebben te plaatsen. Het is niet geheel zeker, of we bij de antichrist te denken hebben aan een bepaalde stroming, een bepaalde ideologie, zoals iemand als prof. Berkouwer b.v. uit drukkelijk wil („De wederkomst van Christus”, II, blz. 42, v.) of aan een be paalde persoon. Wanneer we lezen wat Paulus in 2 Thess. 2 over de antichrist zegt — ook al noemt hij hem daar niet met die naam — lijkt het mij het meest waarschijnlijk, dat we aan een bepaalde persoon te denken hebben. Deze persoon is de belichaming van de werelddiktatuur. Hij zal zich in de tempel Gods zetten om aan zich te laten zien, dat hij een god is (2 Thess. 2 : 4). Hij voert een soort alleenheerschappij en legt op alles zijn hand als was hij God. Als zodanig staat „de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet” waar Paulus over spreekt in 2 Thess. 2 op één lijn met „het beest uit de zee”, waar Johannes over spreekt in Op. 13 : 1-10. Heel duidelijk wordt met dit „beest uit de zee” een politieke figuur bedoeld. We lezen van hem in Op. 13: „en de gehele aarde ging het beest met verbazing achterna en zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest de macht gegeven had en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is aan het beest gelijk? en: Wie kan er oorlog tegen voeren?” (vs. 3, 4). In de brieven van Johannes wordt, dacht ik, in een andere zin over de antichrist gesproken. Daar ontbreekt die politieke gekleurdheid.

De greep naar de wereldheerschappij is als zodanig ook niet iets nieuws. Ook op dit terrein zien we evenwel in onze dagen een duidelijke toespitsing. We zijn naar die wereldheerschappij konkreter dan ooit in de geschiedenis op weg. De machtssamenbundeling op politiek gebied is evident.

Waar in de Middeleeuwen overal nog verschillende autonome stad-staatjes waren, daar kregen we de ontwikkeling, dat die stad-staatjes zich aaneensloten tot gewesten. Die gewesten sloten zich aaneen tot landen. De landen sloten zich aaneen tot grote machtsblokken. Vandaag zijn er eigenlijk maar drie grote machtsblokken: Amerika en alles wat er bij hoort, Rusland en zijn satelieten en heel de wereld van Afrika en Azië met China voorop. Wellicht dat in de weg van een nieuwe wereldoorlog of in de weg van onderhandeling nog duidelijker de vorming van één groot wereldrijk een realiteit wordt. Onmogelijk is het niet, dat nu reeds feitelijk één macht het in de wereld te zeggen heeft. Hoe dan ook, als wij toespitsingen en ontwikkelingen willen signaleren, moeten we zeggen, dat we vandaag aan de dag dichter bij een wereldheerschappij in politiek op zicht gekomen zijn dan ooit in de geschiedenis het geval was.

Machtssamenbundelingen, machtskoncentraties, zien we niet alleen op politiek gebied maar ook op ekonomisch gebied. Het is opmerkelijk, hoe Johannes in Op. 13 naast „het beest uit de zee”, waarmee duidelijk een „politieke” figuur bedoeld wordt een andere figuur stelt: het beest uit de aarde (Op. 13: 11-18). Van dit beest zegt Johannes, dat niemand zal kunnen kopen of verkopen dan wie het merkteken of de naam van dit beest heeft (vs. 17). Deze figuur heeft dus te maken met „kopen en verkopen”, dat is wat wij „het ekonomische leven” noemen. Nu zijn er ook op ekonomisch gebied opmerkelijke tendenzen en ont wikkelingen. Deze tendenzen en deze ontwikkelingen, dat het ekonomisch leven in zijn verschillende takken steeds meer in één hand terechtkomt. Waar vroeger overal kleinere zelfstandige bedrijven waren, b.v. kleinere zelfstandige krui deniersbedrijven, daar zijn al die kleinere bedrijven opgeslokt door grote machtige concerns. In Amerika is dat nog sterker dan in ons land. Daar is nu reeds voor bepaalde produkten, vanaf het eerste tot het laatste stadium van de pro duktie alles in één hand. Dat betekent niet alleen, dat het dan ook in één hand is om b.v. prijzen vast te stellen, maar dat die hand eventueel ook goederen kan weigeren, wanneer hij dat wil. Hier groeien we ekonomisch, dacht ik, heen naar wat Johannes noemt in Op. 13 „het beest uit de aarde”.

In Oost-Duitsland wordt dat zo al in veel gevallen konkreet beleefd. Daar is heel de woningbouw in handen van de staat. D.w.z. als iemand wil trouwen en hij gaat naar het stadhuis om ingeschreven te worden voor een woning, is de eerste vraag, die hem gesteld wordt: „Bent U lid van de communistische partij?” En als iemand daarop ontkennend moet ontwoorden, omdat hij geen lid van de communistische partij kan zijn. kan hij wel weer vertrekken en wordt hij niet ingeschreven voor woning. „Niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft van het beest”.

Niet alleen op politiek gebied en op ekonomisch gebied zien we opmerkelijke machtskoncentraties. maar ook op religieus-godsdienstig gebied. In het boek Openbaring vinden we dan ook in het gevolg van het beest: „de valse profeet” (vgl. b.v. Op. 19 : 20). Alleen die aanduiding „profeet” stelt hem al in religieus godsdienstig licht. Zoals er op politiek en ekonomisch gebied samenbundelingen van machten aan de gang zijn, zo is dat ook het geval op het religieus terrein. Vooral sinds het begin van deze eeuw en vooral na de tweede wereldoorlog is er een openheid gekomen bij vele kerken ten opzichte van andere kerken. Zeker zullen we daarbij niet alles op de noemer van wat Johannes „de valse profeet” noemt mogen schuiven. Wanneer er evenwel bij verschillende kerken een open heid tegenover elkaar komt, waarbij het Woord van de Here en de Christus der Schriften niet meer als kritische maatstaf fungeert, is dat, dacht ik, een ontwik keling in de richting van de „valse profeet”. We zullen de valse profeet moeten zien als de representant van de valse wereldreligie, een religieusiteit. waarin de Here Jezus Christus niet meer is de enige naam onder de hemel gegeven, maar „een” naam. In dit opzicht zijn er benauwende symptomen binnen de hele oecumenische beweging van onze dagen, ook zoals die gestalte gekregen heeft in de Wereldraad van Kerken, waar vele leidinggevende figuren het openlijk erkennen, dat ze bij andere wereldgodsdiensten toch ook iets ontdekken van de Geest van Christus. Die grotere toenadering van christelijke kerken tot de niet-christelijke godsdiensten is in juni j.1. nog op een duidelijke manier open baar gekomen, toen in San Fransico, in Amerika, een z.g. „festival of faith” werd gehouden, d.w.z. een feest van alle geloven. Hier kwamen de officiële woordvoerders van zeven van de wereldgodsdiensten bijeen, om in een gemeen schappelijke aanbiddings- en gebedsdienst op hun goden een beroep te doen om de Verenigde Naties te zegenen in hun pogingen om vrede te vestigen. De Grieks-Orthodoxe Kerken waren vertegenwoordigd. Een woordvoerder van het Vaticaan was uit Rome overgekomen. De Rooms-Katholieke bisschop van het diocees San Francisco presideerde. De voorzittter van de Boeddhistische wereld federatie sprak. Een woordvoerder van het Mohammedanisme kwam uit Cairo. Een ander vertegenwoordigde het Hindoeïsme. De Joden hadden hun rabbijn. De protestanten waren vertegenwoordigd in de persoon van de verschillende godsdiensten. Hier zien we een samenbundeling van religieuse machten, waarin de Christus der Schriften niet meer funktioneert en die direkt in dienst staat van de valse profeet.

Een laatste samenbundeling van machten die we in onze dagen zien, is de sa menbundeling van de machten van het kwade. We krijgen uit de Schrift de indruk, dat de wereld van het beest uit de zee en het beest uit de aarde en de valse profeet een slechte wereld is, waarin het goede kwaad en het kwade goed genoemd wordt. Nu is ook dat uiteraard niet iets nieuws. Zo is het in onze wereld, die „in het boze” ligt, altijd al geweest. Maar ook hier mogen we misschien weer die toespitsing opmerken. Wellicht is nog nooit zo duidelijk het goede kwaad en het kwade goed genoemd als in onze dagen. Dat is toch eigenlijk heel de teneur van de huidige filosofie, de filosofie van het existentialisme. De grondgedachte van die filosofie is, dat ieder mens op zichzelf is aangewezen en in zichzelf de grond van zijn bestaan moet vinden. Hij is dan ook op geen enkele wijze gebonden aan een maatstaf buiten zichzelf. Hij is zichzelf tot maatstaf en „goed” is daarom wat hij zelf wil, ook al druist het in tegen een Goddelijke orde of zelfs tegen een maatschappelijke orde. De gedachte is niets anders dan de troonsbestijging van de zelfzucht en het egoisme. In dit verband is opmerkelijk wat Paulus aan Timotheus schrijft: „Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen, want de mensen zullen zelfzuchtig zijn … ” (2 Tim. 3:1,2).

Voor velen is het niet slechts een theorie, maar ook praktijk, dat slechts dat „goed” is wat de mens zelf wil. De korruptie en de zedeloosheid hebben ont stellende vormen aangenomen. In 1960 werden per dag in Nederland 20 zede delikten bedreven. De gemiddelde leeftijd van de misdadigers in Amerika is 17 jaar. De liefde van ouders tegenover kinderen verkoelt veelal en omgekeerd is de achting van de kinderen voor de ouders vaak zoek. Ook dat noemt Paulus een teken van de „laatste dagen”, dat de mensen hun ouders ongehoorzaam zullen zijn (2 Tim. 3 : 2). Altijd zijn er natuurlijk problemen geweest in de ver houding tussen de verschillende generaties, maar treden ze vandaag wel niet heel duidelijk in het licht en zien we daarin niet een duidelijke toespitsing?

De liefde van de mensen onderling verkoelt ook veelal. In Amerika wordt één van de drie huwelijken weer ontbonden. In Amerika wordt gemiddeld iedere zes minuten een moord gepleegd. Daardoor heeft het leven veelzins iets demonisch gekregen.

En waar het dat demonische niet heeft, vertoont het veelal het beeld uit de dagen van Noach: het leven van eten en drinken, huwen en ten huwelijk geven. En meer niet. God is uit het leven uitgebannen. Is dat niet het typerende van onze dagen, dat er geen plaats meer is voor God, zelfs niet voor god, met een kleine letter? Zijn er in onze post-christelijke wereld geen duidelijke tendenzen in de richting van een atheïstische en zelfs areligieuze samenleving? In dit alles zien we, dacht ik, het opkomen van de vloed, het invallen van de nacht. Er is even wel ook die andere kant, waar Paulus over spreekt in Rom. 13: het doorbreken van de nieuwe dag.

Als eerste teken van de doorbrekende dag, zou ik willen wijzen op de bemoeie nis vande Here met het volk Israël. Het is bekend, hoe de Here altijd door de geschiedenis heen een bijzondere bemoeienis met het volk Israël gehad heeft. In de tijd van het O.T. was die bemoeienis van de Here ook duidelijk gebonden aan de belofte van de Here voor het volk Israël. Die bemoeienis vond zijn oorsprong niet in iets van het volk zelf. maar in de belofte, dat uil dit volk de Messias geboren zou worden. Vandaar de vaak verrassende uitreddingen, die de Here schonk. We denken vooral aan de uitredding uit Egypte en aan de uit redding uit de Babylonische ballingschap, waarbij het volk Israël als volk, men selijkerwijs gesproken, vaak langs de rand van de afgrond ging, b.v. bij het dreigen van Haman in het Medisch-Perzische rijk.

De grote vraag is, of ook in de periode van het N.T. die bemoeienis van de Here met het volk Israël nog is doorgegaan. We komen hier in aanraking met de verklaring van Rom. 9-11. waar Paulus over de geschiedenis van Israël spreekt en zegt, dat gans Israël behouden zal worden (Rom. 11 : 26). Volgens prof. Berkouwer mogen we daar geen konklusies uit trekken voor het Israël, dat wij in onze dagen kennen. Sprekend over de woorden, dat „gans Israël behouden zal worden”, zegt hij: „Daarbij is duidelijk, dat Paulus niet bezig is met een verre toekomst, maar met wat (voor hem) thans reeds aan het geschieden is. het „thans” der ontferming over allen” („De wederkomst van Christus” II, blz. 146). Het „Israël”, waar Paulus over spreekt betekent dan praktisch het geeste lijk Israël van het N.T. bestaande uit de gelovigen van Joden en heidenen.

Daartegenover staat de gedachte, dat Paulus in Rom. 9-11 toch echt over Israël in de zin van „het volk der Joden” spreekt. En als het in Rom. 9-11 inderdaad over het volk der Joden gaat, is dan de recente geschiedenis van dat volk een bewijs van de bemoeienis van de Here met dat volk. ook onder de nieuwtesta mentische bedeling? Is die bemoeienis een gedeeltelijke of misschien wel gehele vervulling van de beloften uit Rom. 9-11?

Niemand zal willen ontkennen, dat er in de recente geschiedenis inderdaad op merkelijke dingen gebeurd zijn met het volk Israël. Allereerst was er in de laatste wereldoorlog de verschrikkelijke aanval op dat volk onder het bewind van Hitler, waardoor miljoenen Joden gedood zijn. Daarna kwam de vestiging van de staat Israël in het oude land Kanaan in de nacht van 14 op 15 mei 1948. Tegen een geweldige tegenstand in. bij een verhouding van 50 Arabieren tegen over 1 Israëli wisten de bewoners van de nieuwe staat Israël zich te handhaven en een eigen staat op te bouwen.

Ik dacht, dat alles wat er in de afgelopen jaren met het volk der Joden gebeurd is niet hoeft los te staan van wat Paulus in Rom. 9-11 zegt. Er lijkt mij veel voor te zeggen, dat Paulus daar dan ook inderdaad aan Israël in de zin van zijn eigen volksgenoten denkt. Ik denk aan wat prof. Berkhof zegt in zijn boek „Christus, de zin der geschiedenis”: „De verrassende feiten zetten ons opnieuw aan het denken al mogen ze er niet toe verleiden om romantisch en speculatief over de huidige staat Israël te spreken. Deze staat is echter op zijn minst een voorteken van Gods toekomstig handelen met Zijn volk. Misschien is het niet meer dan een voorteken, dat als een fata morgana bij verandering der politieke atmosfeer zal verdwijnen. Misschien is het meer dan een voorteken en reeds het werkelijke begin van Gods nieuwe handelen met Zijn Volk” (blz. 142). En, zo zegt hij verder, „In elk geval is met het verrassende geografische en politieke feit der stichting van de staat Israël voor ons het ogenblik gekomen om op nieuw te gaan letten op de politieke en geografische elementen in het handelen Gods, die wij zo lang in westers dualisme, docetisme en spiritualisme buiten beschouwing hebben willen laten” (blz. 143).

Graag zou ik bij dit punt meer vraagtekens dan uitroeptekens willen zetten. Maar de vraag blijft, ook al zien wij bij het Israël van de staat Israël nog geen toe nadering tot de Messias, of in de recente geschiedenis van Israël toch ook niet iets te zien is van dat waar het ons vandaag om te doen is: de toespitsing. In dit geval: de toespitsing van de bemoeienis van de Here met het volk Israël. Dan zou de geschiedenis van Israël voor ons toch een teken van de doorbrekende dag kunnen zijn.

Nog duidelijker kunnen we, dacht ik, de dag van Christus’ toekomst zien gloren in wat er gebeurt in de gemeente. Dan denk ik in het bijzonder aan de zendings aktiviteit van de kerk in onze dagen. Die zendingsaktiviteit heeft de Here Jezus direkt met Zijn wederkomst in verband gebracht, toen Hij zei: „En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde gekomen zijn” (Matth. 24 : 14). Opmerke lijk is, dat de Here Jezus spreekt over een „getuigenis” van het evangelie. Hij spreekt dus niet over een onderwerping aan het evangelie. Opmerkelijk is verder, dat de Here Jezus spreekt over alle „volken” en niet over alle mensen, hoofd voor hoofd.

Nu is ook het werk van de zending niet iets nieuws. We lezen over dat werk al in de boeken van het N.T. Wel heeft later de kerk deze roeping geruime tijd verzaakt. Eerst in de vorige eeuw werd weer door velen de zendingsroeping ver staan en beleefd. Ook op dit terrein mogen we duidelijk van een toespitsing spreken. Vandaag aan de dag is het praktisch zo, dat alle volken het getuigenis van het evangelie van het Koninkrijk gehoord hebben. De Bijbel is in meer dan 1100 talen vertaald. Het werk van de zending mag, ook mede door moderne middelen — gebruik van vliegtuigen, radio, enz. — zich sneller ontwikkelen dan ooit in de geschiedenis. Op veel plaatsen, b.v. in China, is er voor de zending een gesloten deur. Niemand weet, of en hoe lang de deur in Afrika open zal blijven. Zit daar misschien ook iets in van een toespitsing, dat de Here het werk van de zending aan het „afronden” is voor Zijn wederkomst?

Het tweede, waar ik in verband met de gemeente op zou willen wijzen, is het feit, dat in het laatste der dagen de gemeente door de grote verdrukking gaat. Ook hier zullen we niet aan iets nieuws denken, dat plotseling opduikt. Altijd is de gemeente — nu hier dan daar — een gemeente onder het kruis geweest. De Here Jezus zei al tegen Zijn discipelen: „In de wereld lijdt gij verdrukking” (Joh. 16 : 33). Het gaat ook hier om een toespitsing en een heengroeien naar het einde. Daarbij mogen wij uiteraard niet zeggen, dat de verdrukking, waar in het laatst der dagen de gemeente doorheen zal gaan, geen realiteit is, omdat wij van de realiteit van de verdrukking betrekkelijk niets merken. Wij mogen vandaag hier rustig over de wederkomst spreken en denken. Maar er zijn tal van landen, waar dat niet het geval is. Ik denk in het bijzonder aan China. Daar is de gemeente vandaag aan de dag een gemeente in de grote verdrukking. Tal van voorgangers zijn gearresteerd. Tal van gelovigen zuchten in gevangenissen en koncentratiekampen. Voor velen wordt het kerkelijk leven onmogelijk gemaakt door verplichte gemeenschappelijke arbeid. In zijn boekje „Ziende de Onzien lijke” tekent Lesly Lyall daarvan een ontstellend en schokkend beeld. Soms krijgen we de indruk, dat de situatie in Rusland iets beter is. Helemaal zouden we in die indurk bevestigd worden, als we lezen, dat de leider van de Russisch

Orthodoxe Kerk een hoge decoratie van de staat ontvangt. Maar we weten, dat het alleen maar een indruk is, als we weten dat de voorgangers van de gedeco reerde patriarch van Moskou korte tijd voor de decoratie van zijn opvolger in ballingschap in Sybrië gestorven is. Dan weten we, dat óók in Rusland de eigen lijke kerk, kerk in de grote verdrukking, kerk onder het kruis is.

Hoe moet nu, wanneer we dit alles overzien, onze reaktie, ook als ambtsdragers zijn? Er zijn drie reakties mogelijk.

De eerste reaktie is die van de overspannen verwachting. Deze reaktie was er al in de gemeente van Thessalonica. Er waren in deze gemeente mensen, die meen den, dat zij bij de naderende wederkomst van de Here Jezus hun gewone werk in de steek moesten laten en dat als onbelangrijk moesten beschouwen in het licht van de wederkomst. Deze mensen worden door de apostel Paulus vermaand in 2 Thess. 3:11, 12: „Wij horen namelijk, dat sommigen onder u zich onge regeld gedragen door geen werk te verrichten, maar bezig te zijn met wat geen werk is; zulke mensen bevelen wij en wij vermanen hen in de Here Jezus Chris tus, dat zij rustig bij hun werk blijven en hun eigen brood eten”.

Telkens in de kerkgeschiedenis zijn er ook weer van die vlagen van overspannen verwachting geweest. Toen in de dertiende eeuw in N.-Italië de bevolking door grote rampen getroffen werd, zag men daarin de onmiddellijke nadering van de Here. Dr. Hélène Nolthenius geeft in haar boek „Duecento” een verslag door van een monnik uit Padua uit die dagen: „Zo groot was de vrees des Heren, die op hen viel, dat rijk en arm, jong en oud, tot vijfjarigen toe, naakt over de pleinen der steden trokken, slechts de schaamdelen bedekt, twee aan twee als in processie. Elk droeg een gesel in de hand en zuchtend en wenend sloegen ze zich op de schouder, zo hevig dat het bloed er uit sprong en in stromen van tranen, als hadden zij het lijden van de Heiland zelf voor ogen, smeekten zij met klagelijk gezang Gods erbarmen … af” (blz. 150). Ook in de tijd van de Reformatie kwamen dergelijke reakties veelvuldig voor bij spiritualistische groepen.

Ik dacht, dat wij voor déze reaktie niet zo bang hoefden te zijn.

De tweede reaktie is die van de ingezonden verwachting. Daar moest de Here Jezus de gemeente van Sardes in de tijd van de apostel Johannes al een verwijt over maken, dat ze niet waakzaam gebleven was in verband met Zijn komst (Op. 3 : 2, 3). Ik dacht, dat deze reaktie, ook — helaas — veelvuldig onder ons voorkomt. In onze kerken weet men uiteraard wel van het feit, dat Jezus weder komt, maar men leeft er veelal niet bij. Het is een pro-memorie-post geworden. Het leven staat niet in het licht van de wederkomst. Waar zijn de mensen, die opstaan en naar bed gaan met het gebed „Kom, Here Jezus, ja kom haastig”? Wat bedroeven we de Here daar mee. De wederkomst zal Jezus’ volmaakte glorie betekenen, die nu nog door zoveel verduisterd wordt. Hebben wij de Here Jezus dan zo weinig lief, dat we zo weinig verlangen naar Zijn volmaakte glorie?

Wij zullen als ambtsdragers dat moeten onderkennen in de kerk en allereerst in ons eigen persoonlijk leven. Ons tekort aan liefde tot de Here, waardoor wij niet of slechts zo weinig verlangen naar Zijn komst, moet ons eerlijk tot schuld worden. Dan kunnen we de schuld daarvan ook aanwijzen in de gemeente, waarin de Here ons gesteld heeft en dan komt de weg vrij voor de waarachtige verwachting.

Als ons leven gekenmerkt wordt door de verwachting van de komst van de Here, wordt het niet gekenmerkt door „bijzondere” dingen. In Rom. 13 zegt Paulus, dat als wij de nacht steeds meer zien vallen, wij moeten afleggen de werken der duisternis. Dat betekent dus heel konkreet en eenvoudig, dat de waarachtige verwachting van de komst van de Here openbaar komt in een leven, waarin we de zonde schuwen en mijden. En, zegt Paulus verder, als wij de dag zien aanlichten, moeten wij aandoen de wapenen des lichts. Dat betekent dus heel konkreet en eenvoudig, dat de waarachtige verwachting van de komst van de Here openbaar komt in een wandel in het licht.

Paulus vat dat alles samen, als hij zegt: „Maar doet de Here Jezus Christus aan” (Rom. 13 : 14). Zo alleen zijn wij werkzaam bij de komst van de Here, als wij bekleed zijn met Hem. Dat betekent allereerst, dat onze zonde en schuld overdekt moeten zijn met Hem. Maar dat betekent ook, dat onze plannen en idealen overdekt moeten zijn met Hem. Dat alles van ons leven overdekt moet zijn met Hem.

Als ambtsdragers hebben wij bij de nadering van de komst van de Here Jezus een bijzondere verantwoordelijkheid. Als wij niet wakend zijn voor de komst van de Here Jezus, hoe zullen we dan de kudde, die ons is toevertrouwd door de Here, kunnen voorgaan, opdat zij wakend zal zijn bij Zijn komst? Laat iedere bezinning op de komst van de Here ons mogen uitdrijven tot de Here Zelf, om met Hem bekleed te worden. Ons kleed gaat met ons mee, overal waar wij gaan en bij alles wat wij doen. Dan zullen we, bij alles wat we doen, leren heen te leven naar Zijn glorie. Dan zullen we het eerlijk leren zingen: „Vol verwach ting blijf ik uitzien tot die dag eens dagen zal!” Dan zullen we leren het ambts gebed bij uitstek — het ambtsgebed, waarin iedere ware ambtsdrager bidt om afgelost te mogen worden door de grote Ambtsdrager — „Kom. Here Jezus, ja kom haastig!”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.