+ Meer informatie

De ogen geduriglijk op de Heere

4 minuten leestijd

„Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren”. Psalm 25; 15.

Je voelt het direct: iemand, die zulke taal spreekt is gelukkig. Daar gaat wat van uit. Dat is geloofstaal. En die geloofstaal is weer vrucht van geloofsoefening. Waar kom je dat vandaag tegen. Iemand, die zijn ogen op de HEERE geslagen heeft. En dan nog wel geduriglijk, d.w.z. onafgebroken.

De dichter, David, heeft een heilig onbezorgd leven. We kunnen het zo gemakkelijk hebben. Als onze ogen maar geslagen mogen zijn op de HEERE.

Waarom hebben wij het vaak zo moeilijk? Heel eenvoudig: wij durven ons niet aan de Heere toe te vertrouwen. We zijn bang, dat het dan niet goed gaat. We zorgen veel liever zelf.

De praktijk leert veelal, dat we de Heere voor het laatst houden. We verwachten het van onszelf. Of van de heuvelen en de bergen. Of we vestigen ons vertrouwen op prinsen, waar men nimmer heil bij vindt.

Pas als we alles uitgeprobeerd hebben, als links en rechts, voor en achter, als alles is afgesloten, dan, ja dan bedenken we: de weg naar boven is er nog!

Vaak laat de Heere Zijn kinderen vastlopen, opdat zij zich op Hem zullen verlaten. „Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u”.

David heeft heel wat zorgen. Waarschijnlijk moeten wij hier denken aan de vervolging door Absalom, zijn eigen zoon. Hij wordt voortgejaagd als een veldhoen op de bergen. „Duizend zorgen, duizend doden kwellen zijn angstvallig hart”. Zijn grootste nood is echter de geestelijke nood. Gelukkig, wanneer we bepaald mogen worden bij de eerste oorzaak van onze ellende, n.l. de zonde.

David spreekt over de zonden van zijn jeugd. „Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen”. Vs. 7a. „Om Uws Naams wil, HEERE!, vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot”. Vs. 11. Hij komt voor God in de schuld. En dat alles drijft hem uit tot de Heere. Tot de God des Verbonds, Die gezegd heeft: „Ten dage als zij zich schuldig kennen, zal Ik aan Mijn verbond gedenken”. Met een door schuldbesef verslagen hart wendt hij zich tot de Heere. Dat geeft een levende hoop in het hart. Het geeft verademing en verruiming. Het wordt ervaren, dat de Heere met een oog vol ontferming nederziet op de arme en verslagene van geest. De dichter kan het gewoon niet meer nalaten zijn ogen op de Heere te slaan. „Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE”. Het is een heilige vanzelfheid. Niet alleen voor de eeuwigheid, maak ook voor de tijd mag hij zich restloos overgeven aan de Heere. En nu heeft David het gemakkelijk. Er daalt een vrede in zijn hart, die alle verstand te boven gaat.

De vrees voor zijn vijanden is weg „Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren”. Het net, dat zijn vijanden gespannen hebben, om hem te doen vallen en waarin reeds zijn voeten verward zijn. „Ik zal vol heldenmoed, daar mij Zijn Hand behoedt, tienduizenden niet vrezen.”

Wanneer wij rondzien op het kerkelijke erf, dan moeten wij zeggen: waar gaan we naar toe! Er is veel wat ons verontrust! Donderdag 20 augustus j.l. is Ds. M. S. Roos in den Heere ontslapen. Wij mogen hem de hemelse heerlijkheid niet misgunnen, maar onze kerken tellen weer een dienaar des Woords minder! Het is niet denkbeeldig, dat een gevoel van moedeloosheid zich van ons meester maakt.

Nu de vraag: waar brengt ons dit? Tot klagen? Zeker, daar is reden voor. Maar wat wordt er veel vrijblijvend geklaagd! Wat zijn er veel dode klachten. Hoe dat komt: Omdat men over de schuld heenwerkt. En dat doet de Heere niet. Nooit. Dat kan Hij niet.

Telkens is het nodig bij vernieuwing de Heere te ontmoeten. En in de ontmoeting met God, wat gepaard gaat met een diep besef van eigen verlorenheid en onwaardigheid, worden klachten geboren, maar dan levende klachten. „Wat klaagt dan een levend mens, een ieder klage vanwege zijn zonden”.

Wanneer de kerk voor God in de schuld komt, is er verwachting. Dan vragen we: Heere wij hebben het niet verdiend, maar wilt u nog eens aan Uw Verbond gedenken. Uw Verbond, dat van geen wankelen weet. Dan is het uiteindelijk niet onze zaak, maar Gods zaak. Het gaat om de verheerlijking van Zijn grote Naam.

Wij vragen dan de Heere of Hij nog jonge mensen wil afzonderen tot „het wondere ambt”, opdat zij de opengevallen plaatsen mogen vervullen.

Moge deze ontmoetingsdag in Zwolle er toe medewerken, dat wij door genade, te midden van alle zorgen, die ons omringen, de dichter mogen nazeggen: „Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE”.

Noordeloos.

(Weergave van de toespraak te Zwolle)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.