+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

70

Daar kan soms een innig verlangen zijn in het leven van Gods kind ontbonden te mogen worden van het lichaam der zonde om altijd bij de Heere te wezen.Want al zijn de oprechten hier gasten en vreemdelingen, zo is dat verlangen toch niet altijd even sterk. Maar al hebt u voor een tijd een bijzonder aangenaam hemelsgezind leven, dan is dat nog geen bewijs dat u zit in het land Beulah om thuis gehaald te worden. Soms is dat een voorbereiding voor een weg van kruis en druk om u daaruit later te sterken, en te betuigen dat het maar een verdrukking is van tien dagen gezien in het licht van de eeuwige heerlijkheid.

Doch anderzijds heeft het ook plaats dat de Heere Zijn kinderen brengt in het land Beulah om ze thuis te halen, zonder dat men er erg in heeft. Van strijd en donkerheid wordt dan niet gesproken. Wat is het hart vervuld met een hemelse feestvreugde, en dat in onderhouding van de gemeenschap der heiligen. Maar achteraf is voor de achterblijvenden wel duidelijk dat de Heere deze of gene kwam rijp te maken voor de eeuwige heerlijkheid, terwijl de persoon er zelf schier geen erg in had. Op de vraag: Zouden deze twee pelgrims er wel eens erg in gehad hebben dat zij zo dicht bij het Vaderhuis waren, weet ik niet een duidelijk antwoord te geven.

Maar dat doet hier toch ook niet ter zake. Het is tot eer van de grote Koning, de waarachtige God en het eeuwige Leven, een zaak te verbergen. De voornaamste zaak, het innig verlangen om altijd bij de Heere te zijn, leeft in het hart. Hoor maar: „Toen zij deze landstreek doorwandelden, genoten zij meer dan in andere, meer afgelegen plaatsen des rijks, en nu zij dichter bij de stad kwamen hadden zij er een duidelijk gezicht op. Zij was gebouwd van paarlen en kostelijke stenen; de straten waren geplaveid met goud, zodat de heerlijkheid der plaats, verhoogd door de gouden zonnegloed, de pelgrims krank maakte van verlangen om haar te mogen binnengaan. Ook Hoop gevoelde een innig heimwee. Zij vleiden zich neder en riepen uit, naar de poorten der stad ziende: „Als gij mijn Liefste ziet, zeg Hem dat ik krank ben van liefde”.

Na enige tijd toen zij zich een weinig konden bedwingen, wandelden zij verder en kwamen al nader en nader voorbij boomgaarden, wijngaarden en tuinen, die aan de grote weg uitkwamen. Zij zagen de hovenier aan de ingang staan, en nu zeiden de pelgrims tot hem: „Wie behoren die heerlijke wijngaarden en tuinen?” Het antwoord luidde: „Zij behoren de Koning en zijn hier aangelegd voor Zijn eigen genot en tot verkwikking der pelgrims”. De hovenier nodigde hen uit in de wijngaard te komen en zich met de heerlijke druiven te verkwikken. Ook toonde hij hun de wandeldreven des Konings ende prieelen waarin Hij gaarne vertoefde”.

En hier mochten zij zich ophouden en wat uitrusten.

Nu bemerkte ik in mijn droom, dat zij meer spraken in de slaap dan zij gedurende hun ganse reis hadden gedaan. Terwijl ik daarover nadacht, zei de hovenier tot mij: „Waarom peinst gij over deze zaak? Het is de aard van de vrucht dezer wijnstokken, dat zij zo aangenaam en zoet zijn, dat de lippen der slapenden spreken”.

Zelfs in de rust des slaaps is het hart nog bezig met de heerlijkheid die de Koning Zijn volk bereid heeft, en die Hij hier al zo ruim doet smaken. In hun slaap zijn zij niet alleen bezig met de volheerlijke bediening van Gods genade, maar zij spreken daarvan ook tot verheerlijking van de Heere met Zijn volk. Dag en nacht is het hart er mee vervuld, zodat zij er niet van kunnen zwijgen; het verlangt eeuwig te zingen van de wegen des Heeren.

Daarop zag ik, dat zij bij hun ontwaken zich gereed maakten om naar de stad te gaan. Maar, zoals ik zeide, de zonneglans op de stad van zuiver goud was zo buitengewoon heerlijk dat zij er niet op konden zien, tenzij dan door een opzettelijk daarvoor vervaardigde kijker.

Vervolgens zag ik, toen zij verder gingen, hoe twee mannen naar hen toekwamen, wier kleding schitterde als goud en hun gelaat als het licht. Deze mannen vroegen de pelgrims vanwaar zij kwamen, en dit deelden zij hun mee. Ook vroegen zij waar zij een onderkomen hadden gevonden; aan welke moeilijkheden en gevaren zij waren blootgesteld geweest en ook welke aangename ontmoetingen zij op de weg hadden gehad; en omtrent dit alles gaven zij bericht.

Neen, de voile heerlijkheid die de Heere bereid heeft voor Zijn erfdeel is hier met het oog des geloofs, al is het nog zo helder, niet te aanschouwen. En door de allerwelsprekendste in het geloof is deze heerlijkheid ook niet onder bewoording te brengen. Daarvan kan in deze bedeling alleen met verwondering en aanbidding gestameld worden.

Het zal dan ook voor de pelgrims een geweldige verandering zijn bij het komen vanuit het geloof tot het aanschouwen van Gods voile heerlijkheid in de hemel der h^melen. Wij kunnen ons niet indenken hoe het mogelijk is eens ten voile en voor altijd bevrijd te zijn van het verderf der zonde. Zij worden niet alleen opgenomen in de eeuwige heerlijkheid, maar de Schrift zegt ook dit: „Gij zult mij leiden door Uw raad en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen”. En hoe wonderlijk zal dat toch zijn, als de ziel in heerlijkheid zal opgenomen worden.

Nooit en nooit meer gekweld te worden door het inwonend verderf, die onzalige fontein van boosheid en bitterheid. Dan zal de Heere eeuwig gediend en verheerlijkt worden zoals Hij het waardig is en het nieuwe leven der genade dat begeert te doen.

Gekomen in het land Beulah worden de pelgrims door een blij vooruitzicht gestreeid. De Heere te aanschouwen in gerechtigheid om verzadigd te worden met Zijn beeld is I de vreugde van het hart.

Het is ons aangenaam deze breeders waarI van wij zoveel gehoord en geleerd hebben, I voor ’t laatst, wat deze bedeling betreft, te mogen ontmoeten in de poorten der eeuwigheid. De Heere wil dat wij letten op de vromen en zien naar de oprechten, want het einde van die man zal vrede zijn.

Hier wordt het ons vanuit de poorten der eeuwigheid toegeroepen, dat het niet te vergeefs is de Heere te vrezen, in Zijn wegen te wandelen. Komende uit de grote verdrukking, ontvangen zij de kroon derrechtvaardigheid. En de gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn.

Maar bij het blikken in al die heerlijkheid, met het genot van de zoetste en zaligste voorsmaak daarvan in het hart, uit het heil dat hen wacht, staan zij nog voor de Jordaan des doods; behoren zij toch nog tot de strijdende kerk.’ „De laatste vijand, die te niet I gedaan wordt, is de dood”. En zo kon hij het de pelgrims door de werkelijkheid van zijn verschrikkingen nog weleens moeilijk maken.

Toen zeiden de mannen als getrouwe dienaren van de Heere tot hen: „Gij zult nog twee moeilijkheden moeten overwinnen en dan zijt gij in de stad!”

Toen verzocht de Pelgrim en zijn reisgezel die mannen om hen te vergezellen. En begrijpelijk, want gezelschap vanuit de hemel op weg naar de hemel, is van grote betekenis. Hier in bewilligden zij terstond in gehoorzaamheid aan hun Zender. „Maar zeiden zij — gij moet er komen door uw eigen geloof”. De Schrift zegt: , ,Zalig zijn de doden | die in de Heere sterven, van nu aan”. En dat sterven in de Heere is een daad van het geloof, een hartelijke overgave aan Hem. „Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid, en hun werken volgen met hen”.

A

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.