+ Meer informatie

GEMEENTEBESCHOUWING

12 minuten leestijd

Gemeente des Heren

De conclusie uit ons eerste artikel moet luiden: In Oud en Nieuw Testament wordt de gemeente beschouwd als de gemeente van God of als de gemeente van Christus. Zo wordt zij genoemd. Daarop wordt zij aangesproken.

Het bleek evenwel, dat niet allen die tot de gemeente behoren, de kentekenen vertonen van het levend lidmaat zijn van het lichaam van Christus. In het Oude Testament zien we mensen leven in zonden. God zegt hun door de profeten en in Zijn wet het oor-deel aan. Hij voltrekt dat ook. We denken aan de verbreking van het verbond door het volk Israël, direct al in de woestijn. Mozes is nog op de berg Sinai’. Het volk vraagt Aäron om een gouden kalf. De HERE God straft zijn volk. „Zo sloeg de HERE het volk, omdat dit het kalf gemaakt had, dat Aäron vervaardigd had”, Exodus 32 : 25. Te wijzen valt ook op het oordeel dat God in de ballingschap aan Zijn volk Israël voltrok. Men zie vooral 2 Kronieken 36 : 15-17. Ook in het Nieuwe Testament komen we de waarschuwing tegen zonden in de gemeente tegen, 1 Corinthe 10:1-11 en de conclusie daaruit in vers 12 en 13; Hebreeën 12: 14-17, Openbaring 2 : 5, 14-16, 3:3, 15-17.

Zo komen we voor de vraag te staan: Hoe moeten we deze waarschuwingen tot hun recht doen komen? Er zijn twee manieren om met deze ernstige vermaningen een ver-keerde kant uit te gaan.

Het blijft niet vanzelfsprekend goed

In de eerste plaats is daar de mogelijkheid dat men deze waarschuwingen in de wind slaat. Men gaat dan in prediking en pastorale arbeid voorbij aan de ernst van het oor-deel, dat ongelovigen en onboetvaardigen in de gemeente treffen zal. Petrus schrijft: „Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het Evangelie Gods?” (1 Petrus 4 : 17).

Het zou radikaal verkeerd zijn om uitgaande van het bijbelse gegeven, dat de gemeente van Christus is, te concluderen: Dus kan haar verder niets kwaads overkomen. Dus is het met haar in haar geheel, en met ieder van haar leden in orde. Die houding zou ge-lijk zijn aan de houding van het volk Israël in de dagen van Jeremia. Men leze de zoge-naamde tempelprediking in hoofdstuk 7. De profeet wijst op zware zonden en roept tot bekering, maar kondigt ook het oordeel aan.

Het volk wil niet luisteren. Het vertrouwt op bedriegelijke woorden. „Des HEREN tem-pel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is deze”, 7 : 4. Zij zeggen eigenlijk: ons kan niets kwaads overkomen. Wij zijn des HEREN volk. Wij hebben als teken daarvan de tempel. Daarin ligt de garantie, dat het goed zal blijven gaan met ons. Op een andere plaats wordt aan het volk verweten: „Zij trachten de breuk van mijn volk op het lichtst te genezen door te zeggen: Vrede, vrede, terwijl er geen vrede is”, Jeremia 6 : 14.

Waarom spreekt Jeremia in dit verband over bedriegelijke woorden? Is het dan niet waar dat Israël het volk des HEREN is? Heeft het dan niet de tempel ontvangen als een geschenk van Gods genade, als de plaats waar God Zijn volk wil ontmoeten en waar feest gevierd mag worden?

Dat alles is waar. Doch het moet geloofd, beleden en gevierd worden. Ik kan het ook zeggen met de woorden van het Doopsformulier: in elk verbond zijn twee stukken be-grepen. Gods genade is geen vrijbrief om goddeloos te leven. Gods verbond houdt de roeping in om naar de stem van de Verbondsgod te luisteren en dienovereenkomstig te leven. Het verbond vraagt juist om leven uit en bij het verbond. Het is geen automatische garantie, dat alles goed zal blijven gaan. Het is juist de liefelijke uitnodiging, en te-gelijk de dringende oproep om naar de HERE te luisteren en Zijn stem te gehoorza-men. Paulus heeft dit alles op het oog, als hij de gemeente oproept „om de Here waar-dig te wandelen”, Colossenzen 1:10. Nooit mag uit het voorrecht dat de gemeente de naam van Christus draagt de conclusie getrokken worden, dat de gemeente derhalve nooit iets kwaads kan overkomen, en dat ze zonder meer verzekerd is van Gods Geest. Integendeel, het voorrecht gemeente van Christus te zijn brengt een dure roeping mee. Zij moet tegen de zonde strijden en haar Here en Heiland behagen in voortdurende dienst. Tot deze dienst moet in de prediking worden opgeroepen. De gemeente moet gewezen worden op het gevaar van afval, op de verzoeking om „te verachteren in gena-de”, op de strijd die gevoerd moet worden, niet maar „tegen vlees en bloed, doch tegen de boze geesten in de hemelse gewesten”, Efeze 6:12. Het ware een miskenning van de genade, als de gemeente zich op de borst zou slaan en zichzelf zou prijzen en van Gods gunst zich verzekerd zou houden, zonder te leven uit geloof en in strijd om zich aan de Here toe te wijden. Dan zou de gemeente zich Gods oordeel waard maken.

Ongelovigen hebben geen recht lid van de gemeente te zijn

Er is echter ook een andere misvatting mogelijk. Deze is precies tegenovergesteld aan de zojuist beschreven misvatting. We vinden haar daar, waar men de gemeente degra-deert tot een groep mensen, waarvan de een „een ander leven kent”, en de ander „on-veranderd” is. Men versta mij niet verkeerd. Ik bedoel niet te zeggen, dat er in de gemeente in het geheel geen onveranderde mensen zijn. Zij blijken er helaas te zijn. Doch zij hebben geen wettige plaats in Christus’ gemeente. Hier gaat het mij om - hoezeer het helaas ook voorkomt - dat er in de gemeente ongelovigen en onboetvaardigen zijn: zij hebben geen recht om zich leden van het lichaam van Christus te noemen.

Johannes schrijft: „Zij zijn van ons uitgegaan. Maar zij waren uit ons niet: want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn” (1 Joh. 2 : 19). De mensen die we nu op het oog hebben, horen bij ons niet, ofschoon zij onder ons verkeren. Nimmer mag de indruk gewekt worden, dat zij van ons zijn. Ongelovigen hebben geen recht op de naam: lid van Christus’ lichaam te zijn! Dit moge hard klinken. Het moet zo gezegd worden, terwille van de eer van het hoofd van het lichaam, Jezus Christus; ook terwille van de zuiverheid en de reinheid van de gemeente.

Het bezwaar tegen deze tweede misvatting is, dat ze de gemeente per definitie ziet be-staan uit gelovigen en ongelovigen. De gemeente is dan krachtens haar wezen een ge-mengde gemeente, bestaand uit gelovigen en ongelovigen!

Typering van twee misvattingen

Laat mij beide misvattingen met elkaar vergelijken. De eerste trekt uit het ideaal de conclusie en ziet voorbij aan de werkelijkheid. Zij miskent, dat er - tot onze diepe droefheid - in de gemeente mensen zijn, die niet naar het Woord leven.

De andere misvatting gaat uit van de zondige werkelijkheid en laat deze beslissend zijn voor haar beschouwing van de gemeente. In de ene visie domineert het ideaal, in de andere visie de zondige werkelijkheid. Beide hebben een punt van gelijk;toch zijn beide er naast, vanwege de verabsolutering van één zijde. Die verabsolutering brengt mee een miskenning van de andere zijde, die er evenzeer is, en die ook gehonoreerd moet worden. Hoe komen we hier uit? Is er wel een oplossing te vinden?

Getrouwe bearbeiding van de gemeente

Die oplossing is er wel. Zij kan echter niet bestaan in een beschouwing, die wij ten beste geven. Ze is geen statische theorie, die wij formuleren, om daarin de zaken vast te leggen. De oplossing bestaat in de opdracht om getrouw de gemeente te bearbeiden. Aan haar moet het Woord van God bediend worden, in prediking, pastoraat en catechese. In deze drie ambtelijke werkzaamheden Staat het Woord centraal, zij het op ver-schillende wijze. In de prediking gaat het om de verkondiging van het Woord. In het pastoraat wordt het Woord gebracht in de vorm van het gesprek. In de catechese wordt het Woord onderwezen, uitgelegd en met jongeren besproken. In geen van de drie ge-vallen gebeurt dit zonder relatie tot de dagelijkse praktijk van het leven. Het Woord is steeds middel voor gemeentelijke bearbeiding en voor gemeente-opbouw.

In dat Woord moet de gemeente aangesproken worden. Ze moet de beloften en gebo-den van God hören. Haar moet het werk van de Drieënige God tot behoud worden ver-kondigd. De gemeente moet ook hören wat de Here van haar vraagt; niet in overspan-nen activisme, doch als antwoord van geloof en liefde.

Het gaat om vruchten van de geest. Wij kunnen die zelf niet werken. Ze zijn gave van God. Toch worden wij erin betrokken. Opvallend is het naast elkaar voorkomen van de werkwoorden groeien en opbouwen in Efeze 4:16: „En aan Hern ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn gele-dingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde”. De groei hebben wij niet zelf in de hand. Op grond van de belofte van groei wordt gesproken over de opdracht ons op te bouwen.

Geschenk van genade èn verantwoordelijkheid. Beide zijn ze er. Beide moeten aan de orde komen. Geen lijdelijkheid waarachter men zijn onwil verbergt. Geen activisme dat miskent de noodzaak van het werk van de Geest.

Welnu, in deze spanning staat de prediking. Het is dan ook de prediking en verdere ambtelijke arbeid waarin ik de oplossing van het geschetste probleem zie. Als in de prediking de waarschuwing tegen ongeloof, de oproep om te strijden tegen de zonde, de noodzaak van het gebed om de Geest, niet aan de orde komen, dan verstart het leven. Dan wordt de gemeente in een valse gerustheid gebracht en in een gevaarlijke slaap ge-sust. De prediking moet verkondiging zijn van de volle raad van God en van al de aspec-ten van het heil. In de prediking moet rekening gehouden worden met kinderen, die wel de belofte ontvangen hebben, maar nog niet het beloofde heil bezitten. Hun moet de weg gewezen worden, waarin de Heilige Geest hun het heil deelachtig maakt. De weg om tot geloof te komen en in het geloof te blijven moet duidelijk gewezen worden.

Er moet aandacht zijn voor dwalenden. Er moet op gewezen worden, dat een kind van God van zijn plaats kan zijn. Met liefde en ernst, met geduld en tegelijk met overtui-ging moeten mensen vermaand worden.

Een stukje geschiedenis

Toen ik in gedachten met dit tweede artikel bezig was, las ik „En toch niet verteerd”, het fotoboek dat op de Schooldag werd aangeboden. Prof. Van ’t Spijker behandelt in hoofdstuk 7 „Spanningen de jaren door”. Hij vertelt over een meningsverschil tussen voorgangers in onze kerken, met betrekking tot het doen van belijdenis. De een was huiverig om bij het doen van belijdenis te spreken over het levende geloof van het hart. De ander stelde, dat de kerk niet met minder kan volstaan dan met de eis te stellen van een waarachtig geloof.

Hier hebben we het probleem van gemeentebeschouwing in de kern. Ik kan mij geheel vinden in wat prof. Van ’t Spijker ter afsluiting van dat stukje geschiedschrijving aan de lezers voorlegt. Om de eenheid te beklemtonen citeer ik met instemming die passage. Zij vertolkt precies wat ik in deze beide artikelen heb willen zeggen. Terwille van de zaak veroorloof ik mij een wat langer citaat.

In verband met het stellen van de eis van waarachtig geloof, schrijft Van ’t Spijker: „Dit is nog heel iets anders dan wat tot op de dag van vandaag - ik moet vrezen uit on-kunde - wordt beweerd: wij hebben de leer van de veronderstelde wedergeboorte bij de voordeur afgewezen en nu wordt deze bij de achterdeur op de manier van het veronderstelde geloof weer binnen gehaald. Deze voorstelling van zaken is aardig gevonden en zij doet in al haar simpelheid zeer verduidelijkend aan. Maar men maakt een grote vergissing. Wij spreken immers niet over de prediking, die nimmer de eis van het zelf-onderzoek mag laten varen en die helder en klaar moet aanwijzen wat de vruchten van het geloof zijn en hoe een mens tot geloof en bekering komt, waartoe hij wordt opge-roepen van Godswege. Dàt geschiedt in de prediking. Maar bij de belijdenis van het geloof hebben we niet met de prediking te maken, maar met het beleid van een kerke-raad inzake de toelating tot het Heilig Avondmaal. En wie hier de eis van waarachtig geloof laat vallen levert de kerk des Heren uit aan een massa, waarvan ieder openlijk zegt, dat zij onbekeerd is.

In het geding is het verschil tussen de wijze waarop in de preek wordt gesproken en de manier waarop het toelatingsbeleid tot de dis des Heren wordt bepaald. Als we dit niet zien, kunnen we de zaak niet begrijpen.

In geding is ten diepste de vraag of wij zullen begeren kerk te zijn, naar Schrift en belijdenis dan wel of wij een willekeurige vergadering van luisteraars zijn zonder innerlijke samenhang.

Maar het moet ons niet verwonderen, dat deze dingen leefden en nog leven. Zij behoren bij de erfenis, die we meekregen. Een kerk die hier geen enkele moeite mee heeft, die er dus voor zichzelf uit is, en op dit punt geen spanning meer beleeft, die kerk heeft zich af te vragen of er wel leven is.

Een gelukkig ding is het, wanneer er over kwesties als deze wordt gesproken. Men leze er de bladzijden van de eerste synoden maar eens op na: hier lagen de spanningen tus-sen De Cock en Scholte. En ze zullen er wel blijven.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.