+ Meer informatie

VRAGENBUS

5 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan : T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid I

\ J M. 't H. te R. heeft 3 vragen over de genezing van de bezetene(n) in het land der Gadarenen. Hij vraagt:

le hoeveel bezetenen er waren.

2e of de Heere Jezus een afkeer van zwijnen had.

3e waarom de Heere Jezus de man wegstuurde, die gaarne bij Hem wilde blijven.

Antvv. Deze geschiedenis staat ons beschreven in drie Evangeliën, n.1. Matth. 8, Markus 5 en Luk. 8. Ongetwijfeld zijn er twee bezetenen tot de Heere Jezus gekomen. Dat kunt U lezen in Matth. 8. Waarom Lukas en Markus maar van één spreken is niet heel duidelijk. Als beiden woiden genezen, kan het zijn, dat een van de twee om de een of andere reden meer de aandacht trok, dan de ander.

Greswell merkt op, dat de zedelijke uitwerking op de ene man, door Markus en Lukas vermeld, niet door Mattheüs genoemd wordt, die slechts een beschrijving van het wonder geeft; en hij werpt het denkbeeld op, of deze zedelijke uitwei'king misschien niet op de an-

dere man werd voortgebracht en Markus en hem daarom in hun verhaal niet noemen. Lukas

Wat de tweede vraag aanbelangt, waarom de boze geesten in de zwijnen voeren, zij opgemerkt, dat het was om de Joodse (indien zij Joods waren, wat niet zeker is) eigenaars te straffen voor het houden van deze onreine dieren, wat in strijd was met Lev. 11 : 7.

Eindelijk de derde vraag. Hierop wens ik te antwoorden met P. de Lange, die dit kostelijk woord schrijft:

„De Heere dringt Zich nergens op. Hij voldoet aan de beleefde afwijzing van de Gadarenen, maar daarvoor zorgt Hij bij Zijn heengaan, dat de genezene als een getuige Zijner daad bij hen achterblijft. Het scheen deze man in de ziel te smarten, dat zijn landslieden zijn Redder wegzonden. Toen daarom Jezus in het schip ging, bad hij dat de Heere hem zou toestaan bij Hem te blijven. Jezus gaf hem echter de last, om naar huis te gaan en de zijnen bekend te maken, hoe God Zich over hem ontfermd had.

De genezene nam deze opdracht met volle energie aan, maakte in het gehele gebied der tien steden bekend, wat hem wedervaren was en met de lof van God verkondigde hij ook de Naam van de Heere Jezus. Zo had de Heere Jezus in het duistere land der Gadarenen bij dat zo korte oponthoud van een mens, een getrouwe en ijverige prediker van Gods verlossende hulp en van het in Hem geopenbaarde heil."

A. v. D. te K. schrijft: „In het Handboek der Kerkgeschiedenis (voor Roomsen) door Mgr. Dr. J. de Jong lees ik, dat Luther aan Melanchton de volgende woorden zou geschreven hebben: „Zondig dapper, maar geloof sterker Wij moeten zondigen, zolang wij hier zijn."

En aan Weller zou hij geschreven hebben: „Er zijn gevallen, dat men eens teveel moet drinken en pleizier maken, in 't kort de een of andere zonde bedrijven Uit haat en minachting voor de duivel, om hem geen gelegenheid te geven ons gewetensangst in te boezemen over kleine nesterijen. O, dat ik eindelijk eens een enorme zonde kon uitdenken, om de duivel te misleiden en hem te doen begrijpen, dat ik geen enkele zonde erken."

Nu vraagt hij: „Is dat waar? En zo ja, welke betekenis moet ik daaraan nu geven? "

Antvv. Natuurlijk is het niet waar. 't Kan niet waarzijn. Luther was geen antinomiaan. Dat hij krasse woorden heeft gezegd, wanneer het ging over de invloed van de vorst der duisternis, is zeker in hem niet te misprijzen, want bedenk, dat de listen des satans hem niet onbekend waren.

Was hij het niet, die te midden van de aanvechtingen des duivels, de inktpot nam en die naar hem toewierp en zei hij het niet, toen hij naar de Rijksdag te Worms moest: „Al waren er zoveel duivels als pannen op de daken, nochtans zal ik gaan."

Als ge de geschriften van Luther leest zult ge nooit en nergens zulke onzin lezen, waarvan hij beticht wordt in het boek van die Rooomse schrijver.

Ik wil U verwijzen naar een verhandeling over 1 Tim. 1 : 5-7, waar Luther schrijft over de hoofdsom des Christelijken levens:

„Want als men zich zo op de leer van het geloof zou willen verlaten, dat men meende, als men deze had, dan ook maar te mogen doen al naardat het een iegelijk goeddunkt of belieft, onverschillig of dit tot schade of tot nadeel van de naaste is, dat zou in de volste zin des woords verkeerd zijn. Want dan zou de leer de naam krijgen, dat zij vrijheid gaf tot allerlei moedwil en schelmstukken. Neen, maar het luidt hier: liefde uit een rein hart en een goed geweten, zodat niemand u bestraffe of van iets kwaads beschuldigen noch het u verwijten kan.

Hoewel dit nu een prediking is van ons leven en doen en een Christen een ander mens voor God is, gelijk wij zullen horen: moet hy zich toch bevlijtigen, voor de wereld» onbcstraffelijk te zijn."

Het is de eerste keer niet en 't zal de laatste keer niet zijn, dat Rome onze hervormers woorden in de pen legt, die zij nooit hebben geschreven. Rome leert: „Het doel heiligt de middelen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.