+ Meer informatie

Het tweede kwaad (6)

6 minuten leestijd

De genoegzaamheid van Christus’ dood

Het is nu nodig, dat we stilstaan bij de waardigheid van de dood van Christus. Het is niet uitgesloten, dat men ook ons beschuldigt van tekort te doen aan de overvloedige genoegzaamheid van die dood tot verzoening van de zonde van de gehele wereld. Misschien wel door te stellen, dat die door ons geloochend wordt. Laten we dat daarom bij voorbaat afsnijden.

De genoegzaamheid van Christus' lijden en sterven wordt onweersprekelijk in DL. 2-3 beleden en bevestigd. Ds. G.H. Kersten zegt ervan in zijn Dogm. I blz. 353: „Met de beperking van de voldoening van Christus tot de uitverkorenen alleen, beleden de Hervormden echter geenszins dat er enige ongenoegzaamheid in de gerechtigheid van Christus zou zijn". En even verder schrijft hij: , , Dat zij alleen de uitverkorenen ten goede komt, ligt dus niet aan enige beperktheid van die voldoening, doch aan de toerekening, en deze geschiedt naar het souverein welbehagen des Vaders". Ook door de Catechismus wordt de genoegzaamheid bevestigd als er gesproken wordt over de toorn Gods tegen het ganse menselijke geslacht. Zie antw. 37. Daarvan zegt ds. Kersten: , , Geen voldoening dus voor alle mensen en toch zulk een eeuwige voldoening aan Gods recht, dat geen zonde te groot is om te worden weggenomen. Dit geeft ons zulk een grote vrijmoedigheid om Christus te prediken en Die gekruist tot elk, wie hij ook zij en anderzijds opent dit de rijkdom der genade voor doemschuldigen".

Deze genoegzaamheid stelt ook Owen in zijn werk over de dood van Christus, hoewel hij zo uitgebreid en volledig ontkent, dat Christus voor alle mensen gestorven is. Hij leert, dat de grond van deze genoegzaamheid gevonden wordt in de waardigheid van de Persoon van Christus en de grootheid van Zijn lijden. Deze volheid en genoegzaamheid is een fundament om het Evangelie te prediken aan allerlei naties en alle creaturen. Mark. 16 : 16. En ofschoon Gods verborgen Raad de predikers onbekend is, mogen ze toch ten volle verzekerd zijn, dat er in de dood van Christus genoeg is voor ieder, die tot Hem gaat en gelooft. Echter maakt hij bezwaar tegen de uitdrukking, dat Christus voor allen stierf wat betreft de algenoegzaamheid en het rantsoen, dat hij betaalde, of dat het bloed van Christus een genoegzame prijs was voor de zonden van allen in de wereld. Dat zou zo kunnen zijn, ziende op de waardigheid van Christus' voldoening. Maar dat het een prijs en een rantsoen is, wordt niet bepaald door die waardigheid, maar door het doeleinde van God en van Christus. En dat doel is om alleen de uitverkorenen tot de zaligheid te brengen. Wat echter de waardigheid op zichzelf beschouwd betreft, zegt Owen: Ook al waren er duizend werelden, het Evangelie van Christus mocht op deze grond aan hen allen verkondigd worden, omdat er in Christus genoeg is voor de zaligheid van hen allen, indien zij krachten uit Hem willen ontvangen en Hem door geloof omhelzen". The Death, blz. 184-185.

Hetzelfde leert ook dr. Steenblok in zijn Dogmatiek, vraag 1130, over de overvloedige genoegzaamheid van Christus' dood. „Dit zegt", zo zegt hij, „dat de dood van Christus, wegens Zijn goddelijke Persoon en natuur, op zichzelf wel genoegzaam is, zelfs voor duizend werelden, enz." Echter de uitgestrektheid wordt bepaald door de wil van Gods besluit. Daarom vindt hij in de voorgaande vraag ook, dat de uitdrukking, dat Christus genoegzaam gestorven is voor allen, maar krachtdadig voor de uitverkorenen, minder juist en daarom te mijden. Het blijkt aldoor weer, dat men zo graag op de één of andere wijze wil stellen, dat de Heere Jezus voor alle mensen gestorven is. Sommigen breiden de dood van Christus uit tot alle tijdelijke weldaden en de prediking des Woords aan alle hoorders. Maar anderen zoeken aan de leer van de particulieren genade te ontkomen door te stellen, dat Christus dan toch in elk geval voor alle mensen en de gehele wereld stierf, wat betreft de waardigheid en de genoegzaamheid.

Ds. Harinck begint al op de eerste volle bladzijde een opvallende vraag te stellen, als volgt: „Mag in de verkondiging gezegd worden: Jezus is voor uw zonden gestorven op het kruis? Of moet eerst de Wet gepredikt en mag alleen wanneer er verbrijzeling over de zonde tot stand is gekomen het Evangelie van de verzoening gepredikt worden? " In het tweede deel van deze vraag tekent hij een karikatuur van hen, die hij ziet als het tweede kwaad. Misschien beseft hij zelf niet wat hij zegt, maar anders mogen we uit de tegenstelling aannemen, dat hij het eerstgenoemde als wettig en toegestaan erkent. Dan is het , , genoegzaam gestorven voor allen" in de plaats gekomen van „gestorven voor allen". In de verkondiging van een algemeen pardon zal er dan zeker na verloop van tijd weinig verschil meer zijn met de Remonstranten uit de 17e eeuw.

Moeten we zo zijn boek opvatten? Betekent de titel „De uitgestrektheid van de verzoening" met name en vooral, dat de verzoening in zekere zin tot allen uitgestrekt is? Wat begint als een nadruk leggen op de innerlijke waardij, de waardigheid van het voldoenend lijden en sterven van Christus, wordt dan: „een algemene verkondiging van de verzoening als genoegzaam voor de zonden van de ganse wereld". (Blz. 57). In zekere zin is dan de verwerving toch uitgestrekter dan de toepassing. Dan zou uit de opbouw van D.L., hoofdst. 2, blijken, dat van het artikel over de genoegzaamheid van Christus' offer overgegaan wordt tot de verkondiging van een algemeen pardon. De onbekeerden en ongelovigen zijn niet langer kinderen des toorns, zonder God in de wereld en zonder de verbonden der belofte, zolang zij zo blijven, maar ook voor hen is er verzoening tot stand gebracht. Hierop moeten zij antwoorden met bekering en geloof (uiteraard onvolmaakt), dan zijn ze op de weg der zaligheid. En als er nu mensen zijn, die dat doen, dan blijkt dat ze uitverkoren zijn. Echter stelt hij ook, dat „de belofte van de verzoening met God voor een iegelijk, die in Christus gelooft, rust op de werkelijkheid en de algenoegzaamheid van de aangebrachte verzoening". (Cursiv. van mij). Een zin, waarmee we het, mits recht beschouwd, eens kunnen zijn. Maar dit toont wel aan wat een verwarring er met dit drijven in het leven wordt geroepen.

Reeds Petrus Lombardus, hoogleraar en bisschop te Parijs, die leefde in de 12e eeuw, sprak van de genoegzaamheid van de prijs voor allen. Alleen voor de uitverkorenen was het werkzaam. Beza vond deze uitdrukking dubbelzinnig en wilde liever spreken over de oneindige waardij en het doel van Christus' dood. De afgevaardigden van Utrecht stelden reeds, dat uit de genoegzaamheid van Christus' dood niet volgt, dat God de Vader met allen en een ieder mens verzoend is. (Acta, blz. 735). Piscator volgde Beza en sprak van een ijdele schijn, die zichzelf tegenspreekt. Amesius wilde de zaak nauwkeurig onderscheiden hebben. De genoegzaamheid rust op de waardigheid van de Persoon, niet op Gods bedoeling tot de zaligheid.

Zo zien we, dat het een wijze raad is van dr. Steenblok om te vermijden om te zeggen, dat Christus genoegzaam voor alle mensen gestorven is, maar krachtdadig voor de uitverkorenen. De verwarringen der meningen dient alleen om ruimte te scheppen voor de leer van het algemeen pardon.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.