+ Meer informatie

Kerk en catechisatie IV

8 minuten leestijd

Een verschuiving van betekenis

In een van de voorgaande artikelen attendeerde ik er op dat er in de beroepsbrief voor de predikant gesproken wordt over het onderwijs, dat hij aan de jeugd der gemeente te geven heeft, „uit leerboeken door de kerkeraad goedgekeurd.” De kerkeraad dient hier dus weloverwogen te oordelen in overleg met de predikant.

Om hiertoe in staat te zijn moet men enig inzicht hebben in de geschiedenis, die achter deze aanwijzing schuil gaat. Een geschiedenis, die vandaag nog voortgaat omdat de vraag, die er in aan de orde komt nog niet zodanig opgelost is dat ze niet meer aan de orde komt.

Er is namelijk sprake van leerboeken. Het meervoud wijst op verschillende mogelijkheden. En in deze mogelijkheden dient welbewust gekozen te worden.

(Ik laat nu maar in het midden of het juist is in een kerkelijk stuk deze keuze-moge-lijkheid zonder meer te accepteren alsook of, wanneer er inderdaad gekozen moet worden, dat dat de taak van de kerkeraad is. De formulering sluit zich blijkbaar bij de bestaande werkelijkheid aan. Wij doen dit dan ook maar).

Om te kunnen kiezen dient men iets van het verleden te kennen, waaruit de situatie van het heden voortgekomen is en ook alleen verstaan kan worden.

Deze geschiedenis raakt vooral de ontwikkeling in ons land en doet ons een verschuiving van betekenis zien in wat als hulpmiddel voor het onderwijs van de jeugd der gemeente gebruikt wordt.

Aanvankelijk — het was in 1568 — koos men voor de Heidelbergse Catechismus. Deze was door de vertaling die Petrus Datheen er, in 1566, in zijn Nederlandse psalmboek van gegeven had, bekend geworden en onder het bereik gekomen van de kerken. Voor de kerken van Waalse (Franse) vluchtelingen liet men de mogelijkheid

open de Geneefse catechismus, die Calvijn in 1545 uitgegeven had in de Franse taal, te gebruiken bij het onderwijs.

Na enkele jaren werd nog het gebruik van een derde leerboek toegestaan dat blijkbaar ingang gevonden had n.l. de z.g.n. Embden-se catechismus. Deze was oorspronkelijk opgesteld in de vluchtelingenkerk te Londen door Valerandus Pollanus en in het Nederlands vertaald door Jan Utenhoven.

Later bleek bij het gebruik van deze cate chismi dat ze voor sommige leerlingen wat te breed waren en dat vooral ook voor het onderzoek dat de kerkeraad instelde bij hen, die begeerden belijdenis des geloofs af te leggen, teneinde toegelaten te worden tot het heilig avondmaal, teveel stof bevatten. Er kwamen uittreksels van de bestaande catechismi in gebruik. Ik noem er enkele: Allereerst de z.g.n. Corte onderzcekinge enz. van Marten Micron, die een verkorte inhoud gaf van de Embdense catechismus. Marnix van St. Aldegonde gaf een „Cort begrijp enz.” Een uittreksel uit de Heidelb. Catechismus. Dit heeft weinig opgang gemaakt. Marnix was nu eenmaal in zijn tijd geen erg geziene figuur op kerkelijk terrein. Nog later kwam het nog onder ons bekende „Kort begrip enz.” van de Middelburgse dominee Herrn. Faukelius. Dit boekje werd algemeen aanvaard voor de voorbereiding tot de openbare belijdenis.

Een belangrijk punt bij deze verschillende geschriften was gelijk. Zij gaven allen wat men kan noemen „geloofscatechese”. De opzet was namelijk zó dat zij maar niet een uiteenzetting van de leer gaven maar deze zagen in de functionering van het persoonlijk geloof. Het ging daarbij maar niet alleen om het weten van de zaken maar ook om het verstaan tot persoonlijke omhelzing in een levend geloof. (Men denke hier b.v. aan de taal, die de catechismus spreekt) TeTecht dragen sommige van deze geschriften het opschrift dat zij onderwijs willen geven in de christelijke religie. Het doel is dan ook niet kleine theoloogjes te kwekenmaar vrome, praktische christenen, die de rijke openbaring Gods beleven.

Zo was de toestand toen de grote Dordtse Synode van 1618–19, in breed beraad, aandacht aan de catechisatie wijdde. (Zie vorig art.)

Zij onderstreepte dat de Heidelbergse catechismus het leerboek voor de kerk was. Daarnaast wilde zij een „Kort begrip”. Een voorstel daartoe, met ontwerp, was ter synode maar werd niet behandeld en daarom ook nooit uitgegeven. Het kort begrip van Faukelius nam deze plaats in. Voor de beginnelingen wilde de Synode een A.B.C. boekje — later het „Haneboekje” genoemd — waarvoor een ontwerp werd aangenomen. Het omvatte: 10 geboden, 12 art. Gebed, enkele eenvoudige vragen over de stof uit de catechismus en wat teksten, die de jong sten moesten opwekken tot de vreze des Heren.

Wat mon te Dordt besloot bracht echter de rust niet. Integendeel, in de twee eeuwen, die volgden verscheen een stroom van catechisatie-boeken en -boekjes.

Wat de oorzaak daarvan was? Ik noem enkele factoren.

Sommige predikanten meenden dat er niet genoeg aandacht besteed was aan de kennis van de Bijbel. Ds. Jac. Borstius van Rotterdam schreef een boekje ter aanvulling, waarin hij ook aandacht aan de bijbelse geschiedenis gaf. Ondanks de slordigheid in de opbouw en de oppervlakkigheid werd het lang gebruikt.

De dichterlijke dominee Jodocus v. Loden stein gaf zijn „rijmbijbel”.

Anderen meenden dat Catechismus en Kort Begrip eigenlijk nog te weinig gaven. De stof moest uitgebreid worden en vooral breed toegelicht. Breed maakt het vooral ds. Corn. v. Peudroyen, een leerling van Voetius. Hij bracht het tot een boekwerk van 1240 bladzijden, waarin de catechismus, die voor hem nog wel uitgangspunt bleef, bedolven werd onder honderden spitsvondige vragen en niet minder dwaze antwoor-

den. Hier kan wel van een verschuiving gesproken worden. De geloofscatechese is hier overgegaan in de theologische.

Anders deed ds. Joh. d’ Outrein die zijn „Korte schets der goddelijke waarheden” gaf. Hij is dus van de catechismus overgestapt op de dogmatiek. In de indeling sloeg hij alle vliegen in één klap. Het werk bevatte vragen voor beginnenden, verder-gevorderden en meer-ontwikkelden. Blijkbaar ging het er in. In 46 jaar verschenen 15 uitgaven terwijl het ook in vijf talen vertaald werd.

Een derde factor die meespeelde in het verschijnen van vraagboeken zonder tal, was de theologische onenigheid, Voetianen en Coccejanen met hun variaties wilden elk eigen opvattingen in jonge harten zaaien in de hoop dat dit zaad ontkiemen zou.

Elke dominee, die zichzelf respecteerde en de kans kreeg gaf een samenstel der goddelijke waarheden uit. Van verschuiving gesproken!

Het belijden van het geloof werd niet gecatechiseerd maar theologische formuleringen en beschouwingen kregen de overhand. Uit deze tijd van verwording stamt ook het nog wel bekende „Voorbeeld der goddelijke waarheden” De Voetiaan, ds. Abr. Hellen broek, heeft, hoewel hij een van de Iateren was, die aan de markt kwam, niet kunnen vermoeden dat zijn boekje zo lang zou voortleven.

Ik heb de indruk dat de kerkeraden niet veel zeggenschap hebben gehad in deze overvloed van boeken en boekjes. Of hebben ze dat van hun eigen dominee bij voorbaat geprezen?

Het is tegen de achtergrond van dit beeld, waarvan ik maar enkele sobere trekken tekende, dat er straks een reactie kwam van de kant van de meer bevindelijke mensen, die al dit onderwijs maar zo, zo vonden. Bij hen vinden we, in hun werken, die de reactie onder woorden brengen en het pleit voor de bevindelijke kennis voeren, de figuur van „Letterwijze”, die een hoofd vol kennis heeft maar geen hart dat verstaat. Er schuilt overdrijving in deze reactie, die gemakkelijk met caricaturen werkt, maar het feit lag er tcch, dat de catechisatie een andere taal was gaan sproken dan de kerk, in haar catechismus, waaruit zij de jeugd wilde onderwijzen, in de eerste tijd sprak. Het kiezen en gebruiken van hulpmiddelen voor de catechisatie is dus wel een belangrijke aangelegenheid. De geschiedenis bewijst het maar al te duidelijk.

Zelfs in de vorige eeuw zijn de kerken uit de Afscheiding niet aan dit gevaar ontkomen dat wij in de geschiedenis signaleerden. Ds. Hendrik de Cock nam een goede inzet. Een van zijn eerste daden was het „Kort Begrip” weer uit te geven.

Maar later kwamen de vraagboekjes weer. Zelfs was er op een van de synoden een voorstel voor een kerkelijk leerboek voor de catechisaties. Gelukkig heeft men dit niet gedaan.

Dr. A. Kuyper Sr., die leiding gaf aan het kerkelijk leven der Dolerende Kerken, greep ook weer terug naar de oorspronkelijke leerboeken der kerk. Hij oordeelde hard over wat hij in krasse taal noemde „het beschimmelde mengelmoes van allerhande mogelijke en onmogelijke catechisatieboekjes, een verderfelijk soort litteratuur, dat ongemeen veel schade aan het geestelijk welzijn der kerk heeft aangebracht. Dat men ze toch uitroeide, ze afschafte en er volkomen mee brak”. Hij vindt de formulieren van enigheid voldoende bron tot onderwijzing in de leer des gelocfs.

Merkwaardig is dat ondanks deze waarschuwende stemmen uit het verleden toch telkens weer pogingen zijn gedaan om leerboeken op te stellen, waarin de orde van de dogmatiek de leiding had.

Pogingen zijn zelfs gedaan èn in de Gereformeerde Kerken èn in onze Christelijke Gereformeerde Kerken om zulke kerkelijke gesanctioneerde vraag- of lesboeken te verkrijgen.

In geen van beide kerken is dit gelukt. En dat is goed ook. De kerken zouden dan uitspraak moeten doen over vragen, waarop in theologische beschouwingen niet door allen gelijk geantwoord wordt.

Wat hier de goede weg is? Daarover in een volgend artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.