+ Meer informatie

VARIA

5 minuten leestijd

REFORMATORISCH DAGBLAD pagina 7

Een kleine poel, dicht bij de afrit van een autosnelweg, gegraven voor het zand dat daar nodig was en nu opvang voor het teveel aan regenwater. Omzoomd door berken, eiken en lage wilgestruiken. In korte tijd uitgegroeid tot een boeiend stukje natuur, zonder spectaculaire zaken, maar vol interessant leven. nu overal bij binnenwateren vliegt. De pootjes en het lange lijf bewegen nog, want de libel komt al weer bij. Hij is afwisselend lichtblauw en zwart. Lengtestrepen over het borststuk; het slanke lijf met vier smalle zwarte banden, aan het eind twee langere zwarte stroken, dan weer een wat langer stuk blauw en nog een puntje zwart, waar de kleine grijphaken zitten waarmee het mannetje tijdens de paring het veroverde vrouwtje achter de kop vastgrijpt. Men kan ze zo gezamenlijk wel zien vliegen. knikkertjes aan de kop. Het aparte borststuk, de beweegbaarheid van de poten en de naar achteren ingeplante vleugels, die een kunstwerk op zich zijn. Wie oog heeft voor details moet ,echt eens zo'n diertje, met wat ether, half bedwelmen en aandachtig beschouwen, juist als het ,,bijkomt" en het met alle ledematen zijn behendigheid demonstreert, waarbij ook de in verhouding geweldige grijpkaken open en dicht gaan, alsof het bezig is prooi te verslinden. ten zijn met gescheiden facetogen.

De achtervleugels van de grote libellen zijn aan de basis sterk naar achteren verbreed. Zij worden dan ook ingedeeld bij de Ongelijkvleugeligen of Anisoptera; de kleine bij de Gelijkvleugeligen of Zygoptera. De grote glazenmakers vliegen snel en elegant en behoren tot de beste vliegers van het dierenrijk. Volgens de deskundige Dr. Kabos, zijn snelheden van 100 km per uur geen zeldzaamheid.

De larven van de libellen leven in het water en worden nymfen genoemd, maar hebben niets bevalligs. Het zijn ook vraatzuchtige rovers, met uitschuifbare monddelen, het zogenaamde „vangmasker", dat op de tekening goed zichtbaar is. Nergens anders in het dierenrijk treft men zo'n aangepaste omvorming yan de monddelen aan, als bij de larven van de libellen. Het bestaat uit twee verlengde, scharnierachtige met elkaar verbonden delen, die aan het eind sterke haken hebben. In de rusthouding is het vangmasker onder de kop geklapt, schiet plotseling snel naar voren om een prooidier te grijpen met de beweeglijke haken en het naar de mond te brengen. De larven van de waterjuffers halen adem door de drie kieuwplaatjes aan het achterlijf, die ze ook bij het zwemmen gebruiken. De grotere en dikkere larven van de glazenmakers, die ook in het water leven, ademen door het achtereinde van het darmkanaal. Door het samentrekken van de darm, kan ook het water er krachtig worden uitgestoten, waardoor de larve vooruit schiet. Het dient dus ook voor de voortbeweging.

87. „Oij zijt mij, Heer, ter schuilplaats in gevaren, OiJ wilt inij voor benauwdheid trouw bewaren..."wordt er gezongen, en onder die zang valt alle beklemming van Bvert af. Dezelfde psalmen als op Urk woi;den hier gezongen. Zij bieden steeds een. wondere troost aan die in nood verkeren.

In het gebed heeft de dominee, sprekend over de ellende van de oorlog, het ook over de velen, die, van huls verdreven, ronddolen door het land, en over hen die „bij ons een schuilplaats vonden"... Dat geldt mij, weet Evert. De dominee denkt aan mensen zoals ik. Er wordt voor hem gebeden hier. Hij weet zich opgenomen in de kring van de gelovigen in de Wieringermeer. In dit kleine kerkje is het even goed als in de kerk van ürk. De kerkgang doet Evert deugd. Boer Hoekstra en zijn vrouw zijn, als Evert thuiskomt, uit. De meid, die kofGe heeft gezet, dringt aan op spoed omdat zij weg wil naar haar vrijer. Alleen Evert en Jan Eoekman zijn dan nog op de boerderij. Maar na de kofHe gaat Jan er ook vandoor, naar Medembllk, waar hij een voetbalwedstrijd zien wil. „Oa mee," raadt hij Evert. „Er spelen een paar goeie clubs en we schommelen er vast wel een paar Grieten op. Het kan een Jofel dagje worden." „Ik heb een meisje," antwoordt Evert, „en Jij..." Hy maakt de zin niet af. Hij meende dat hij een gladde gouden ring om Jan z'n vinger had gezien, maar nu zijn z'n handen blank. „Bedoel Je dat?" lacht Jan. HIJ haalt z'n portemonnaie voor de dag. „Die ring berg ik zondags op. Mijn meisje in Rotterdam is een lief kind, hoor. Maar om één hoef je ze toch niet allemaal te haten. En anders... Jij mag na die match ook zoet naar huls gaan, hoor." „Op zondag ga ik niet naar een voetbalmatch," zegt Evert. Jan lacht spottend. „Jullie fijnen mogen ook niks. Ik..." Maar opeens knapt hij zijn woorden af. Het is alsof hij spijt heeft van zijn spot. „Tot vanavond, hoorl" groet hij, „en veel genoegen." Evert kijkt Jan na, terwijl hij wegrijdt üi de richting van de beide torens, die ver in het zuiden zichtbaar zijn. FROUCK VAN DER HOONING

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.