+ Meer informatie

Ter overweging

12 minuten leestijd

Ds. H. J. Hegger, Hand in hand met Rome? Uitg. T. Wever, Franeker 1973. 181 blz. f 14,50.

Dit boek met zijn sprekende titel is zeer welkom. Het heeft een tweeledig doel. In de eerste plaats hoopt de schrijver. dat vele rooms-katholieken inzien, dat het roomse stelsel volkomen in strijd is met Gods Woord en dat zij op zoek gaan en de heerlijkheid van Christus mogen ontdekken in de bevrijdende vreugde van het Evangelie. In de tweede plaats moet het een waarschuwing zijn voor Protestanten, die toch maar volop oecumene willen bedrijven met Rome.

De auteur is terecht uitgegaan van de officiële leeruitspraken. De beslissingen van het concilie van Trente, waar het op aankomt, worden ons in een goede Nederlandse vertaling voorgelegd. leder kan er zich een oordeel over vormen. Daarnaast staan passages uit de Nieuwe Katechismus van 1966 („de vrijzinnige Nieuwe Katechismus”) met de correcties die op last van Rome moesten worden aangebracht. Men krijgt daardoor tegelijk een indruk van de spanningen die er heersen.

Ds. Hegger zou ds. Hegger niet zijn, als hij het bij een weergave van de oude roomse leer en de nieuwe opvattingen liet. Wie zou ook kunnen zwijgen, als zozeer tekort wordt gedaan aan de genade van God waardoor wij moeten worden behouden? Naar aanleiding van een uitspraak van Paulus VI merkt hij op, dat de diepste dwaling van de roomskatholieke kerk daarin bestaat, dat zij meent te kunnen beschikken over de genade die Christus voor ons heeft verworven. Ergens anders zegt hij, dat de tendens van deze kerk niet gaat in de richting van de Reformatie met haar leer van de rechtvaardiging door genade en geloof alleen, maar eerder in de richting van de vrijzinnigheid: de mens wordt verlost eventueel zonder enige gemeenschap met Christus als Verlosser van zondaren (blz. 80).

Het zal duidelijk zijn, dat de vraag van de titel: Hand in hand met Rome? beslist ontkennend wordt beantwoord. Geen oecumene met Rome, maar wel het getuigend gesprek!

Daarvoor kan dit werk, omdat het helder en met bewogenheid geschreven is, goede diensten bewijzen. Niet alles wat tussen Rome en de Reformatie in geding is, kan in een boek van nog geen 200 bladzijden aan de orde worden gesteld. Ds. Hegger concentreert zich op de weg des heils en op de sacramenten. Hier en daar komt een uitweiding voor, b.v. over de verzoeningsleer van dr. H. Wiersinga en over de charismatische beweging. De onderscheiding tussen wedergeboren en gedoopt zijn door de Heilige Geest zou ik zo niet overnemen, terwijl ik het toch wel eens ben met de strekking van wat gezegd wordt over de voortgaande vervulling.

Het getuigend gesprek, zoals ds. Hegger het zich voorstelt, bevat ook een persoonlijk element. Het ontbreekt ook in dit boek niet.

Er is zoveel goeds van te zeggen, dat ik het hartelijk kan aanbevelen.

In de serie „Nieuwe cahiers voor het christelijk onderwijs” verscheen in september 1974 no. 15 getiteld: „Supplement - 1974”.

Het is een aanvullende organisatiesen adressenlijst bij het „Nieuw A.B.C. van de Protestants-Christelijke Onderwijsorganisaties - 1973”.

Een waardevolle informatiebron.

De Stichting Unie „School en Evangelie” beijvert zich informatie te verschaffen en voorlichting te geven op het terrein van het Protestants-Christelijk onderwijs in binnen- en buitenland.

Die voorlichting heeft vooral betrekking op de eigenheid van de school met de Bijbel.

Langs een drietal kanalen tracht de Unie die taken te vervullen. Het uitgeven van de serie „Nieuwe cahiers voor het Christelijk Onderwijs”. Het bieden van „Bulletin”, Tijdschrift voor documentatie van en bezinning op het christelijk onderwijs; vooral bestemd voor het kader op het onderwijsveld.

Het zenden van het blad „Uniepost” (gestart in 1974) als huisorgaan over de activiteiten rondom de Unie-collecte en voor populaire voorlichting aan allen die met christelijk onderwijs te maken hebben.

De nummers van „Uniepost” die voor mij liggen bevatten interessante berichten over binnen- en buitenlandse projecten, zijn prettig geïllustreerd, geven goede voorlichting.

Om U een indruk te geven van wat de per kwartaal verschijnende Bulletins bieden, doe ik een greep uit de inhoud van enkele nummers uit de derde jaargang (1975).

No. 1.: Onderwijs — instrument tot verandering van de maatschappij?

No. 2.: Een speciaal nummer dat gewijd is aan de „kwestie Zwolle”: het ontslag aan de C.P.N.-godsdienstleraar daar.

Over deze kwestie was trouwens al veel van de inhoud van Bulletin no. 1 van de derde jaargang gewijd èn van Bulletin no. 4 van de 4e jaargang (1974).

Het geheel is een uitgebreide en deskundig overzicht van genoemde kwestie, gestaafd met documenten. Zeer lezenswaard!

No. 4 van de 4e jaargang is ook hierom interessant voor ons omdat het de volledige tekst bevat van de rede die prof. dr. J. P. Versteeg hield op de vergadering van 7 september 1974 in Amersfoort op uitnodiging van ons deputaatschap „Kerk en Onderwijs”.

De uitvoering van de Bulletins is voortreffelijk en de inhoud van zodanig belang dat U er wel kennis van móet nemen om in Uw ambtelijke arbeid èn principieel toegerust èn gedegen geïmformeerd over zaken van opvoeding, vorming en onderwijs mee te kunnen spreken.

En wie moet dat niet tegenwoordig!

M. Vollenhove-Meijer, Op weg naar het Koninkrijk. Uitg. Wever - Franeker. Prijs f 9,50.

Dit boek van 131 bladzijden voert de ondertitel: Israël en de volken in bijbels perspectief. Wanneer dat perspectief afhankelijk zou zijn van de kwantiteit van de geciteerde teksten uit de Bijbel, behoeven we ten aanzien daarvan niet in twijfel te verkeren. Slechts één bladzijde (84) kent geen verwijsplaats naar een Bijbeltekst, maar ook dan ontbreekt het Bijbelcitaat niet! Maar voor „Bijbels perspectief” is de kwantiteit niet allesbeslissend. Dan komt er wel iets meer aan de orde: een worstelen om de zin van de Schrift, de betekenis van de tekst te verstaan.

’k Kan me moeilijk aan de indruk onttrekken dat de schrijfster in dit opzicht de weg van de minste weerstand heeft gekozen. Dat betekent niet dat zij zich niet voldoende op Israël èn de volken betrokken weet. Juist haar grote betrokkenheid op Israël doet weldadig aan: laten wij hen onze broeders noemen, zoals Petrus en Paulus dat deden en ook daarnaar handelen (64). Van de „grote smart” en het „voortdurende hartzeer” waarover Paulus spreekt, is bij ons vaak weinig te merken die zo graag onze monologen houden en zo moeilijk kunnen luisteren. De ergste scheur op aarde is die tussen joden en christenen (31), maar „smart” en „hartzeer” hebben we er niet van. En de joden-christenen onder ons kregen het al maar moeilijker (62). Volgens de schrijfster staan zij medeschuldig met de heiden-christenen aan het ongeloof van hun joodse broeders (74), terwijl zij een brug naar Christus hadden moeten zijn. Hebben wij, christenen-uit-de-heidenen met ons latente, ondergrondse antisemitisme, recht om onze joodse medechristenen dit te zeggen? Het „wekken tot jaloersheid” (129) was nimmer onze sterkste kant! Maar kennelijk heben we dààrvan niet de meeste last! Ook al zullen we misschien niet meer zo kras als vroeger van „Godsmoordenaars” spreken (wat Hitler c.s. wel welkom was), nun „verharding” weegt ons doorgaans zwaarder dan onze eigen verharding.

Daarom is het goed dat de schrijfster zoveel nadruk legt op de blijvende geldigheid van Gods beloften (23). Zij spreekt dan graag over „vóórvervulling” of „beginvervulling” en „eindvervulling” (21, 41 enz.). Voor het verstaan van de Schrift kan deze onderscheiding van grote betekenis zijn. Maar het geheel krijgt iets kunstmatigs, opzettelijks wanneer zij onderscheid, soms zelfs een tegenstelling gaat maken tussen „Jozef en Juda” (17, 25, 33 enz.). In heel haar betoog krijgt dat een essentieel karakter. Weliswaar staan ook na de scheuring van Davids rijk, zelfs na de wegvoering van het Tienstammenrijk beide niet los van elkaar — dankzij de maagdenroof van Richt. 21 is dat rijk toch bij Juda vertegenwoordigd! (34) — maar het zijn twee „uitroepsels”: „eerst was er één volk Gods, één Israël met 12 stammen, dat ook werd genoemd: Jacob, huis van Jacob of Israël … Dezelfde namen worden ook gebruikt voor de 11 stammen, toen Juda — als stam — alleen stond en daarna voor de 10 stammen … Zo ontstonden er twee uitroepsels, twee huizen of rijken: Jozef en Juda, beide een deel van het ganse Israël der 12 stammen” (38). Na de val van Samaria verdween „Jozef” onder de andere volken (40, 48), maar werd niet vergeten (49). „Jozef” keerde niet terug, maar was dank zij Benjamin toch bij Juda present (66); Juda, het joodse volk dat zich zelf als enige erfgenaam van de belofte ging zien, maar geen raad wist met de profetieën over het verloren huis van Jozef. Toen de joodse natie, die het heil het eerst aangeboden kreeg, dat heil weigerde, was de tijd gekomen dat God Jozef samen met de andere volken ging zegenen en liet voorgaan op Juda. Dat „samen met de andere volken” speelt dan een grote rol in het betoog. Telkens weer spreekt de auteur over de „Jozef-volken”. Wanneer de „volheid der volken” (allereerst dèze volken) binnengaat, zal de „verharding” van het joodse deel worden opgeheven en aldus zal gans Israël — Juda en Jozef — behouden worden (77, 111). De volheid van de Jozef-volken en het huis van David moeten weer te voorschijn komen (120). De „min of meer gekerstende naties”, waaronder de schrijfster dan de westerse volken verstaat (121, 122) „onze kustlanden”, kunnen de Jozef-volken genoemd worden. Wanneer dan het „lichaam van Jezus Christus”, Zijn gemeente, volgroeid is en Hij met dat lichaam verenigd is, verschijnt Hij met dat lichaam in heerlijkheid om een huwelijk te sluiten met Zijn bekeerde, teruggekeerde vrouw Israël (81).

Dit min of meer chiliastisch georiënteerd betoog, wordt dan gesteund door de enorme kwantiteit van teksten die niet worden uitgelegd, maar m.i. in feite alleen maar „gebruikt” om de theorie te staven. De Bijbel wordt dan een doos met stukjes voor een legpuzzel die bijelkaar worden gezocht en inelkaar worden gepast naar het patroon dat de schrijfster voor ogen stond. Dat elke tekst z’n eigen plaats heeft in de Godsopenbaring, wordt al te gemakkelijk vergeten: het klopt precies — als je niet te veel op de tekening van de „legpuzzelstukjes” let, maar associatief op de „kleur” alleen afgaat!

Maar komen we het Bijbel-gebruik „op de klank af” niet herhaaldelijk tegen? Dat „gebruik” geen „verklaring” betekent, laat dit boek wel heel duidelijk zien!

Ds. A. A. Spijkerboer en dr. Herman Ridderbos, Eén belijdende kerk. Theologie en Gemeente, deel 9. Uitgeversmaatschappij J. H. Kok, Kampen 1974. 84 blz. f 7.90.

Dit boek dankt zijn ontstaan aan een ontmoeting van prof. Ridderbos en ds. Spijkerboer tijdens de gemeenschappelijke vergadering van de synodes van de Ned. Herv. Kerk en de Geref. Kerken in Nederland in Utrecht (1973). Vandaar de ondertitel: Over hereniging van Hervormden en Gereformeerden.

Van Spijkerboer is het aardige beeld van de twee zeilschepen. De beide synodes deden hem denken aan twee zeilschepen die bij windstil weer bij elkaar proberen te komen.

Lettend op de toenemende spanningen in de kerken zelf zegt Ridderbos het nog even anders: Er is wel beweging in het water, er staat zelfs een zware deining. Wat ontbreekt is het duidelijke bestek waarop zee gekozen en gevaren kan worden.

Daarop volgt een poging om de koers uit te zetten. In hoeverre moeten wij het met elkaar eens zijn om te kunnen verenigen? Welke functie moet in deze eenheid de belijdenis hebben? Hoe kunnen wij de polarisatie tegengaan?

Prof. Ridderbos spreekt klare taal, als hij het kleinste-gemene-veelvoud-schema afwijst. Men moet zich niet kunnen voorstellen, dat er een hereniging plaats zal vinden, waarbij het reformatorische geloof weersproken, geloochend of verzwegen zou worden.

Leertucht moet er zijn, al heeft Ridderbos er leergeld mee betaald en wil hij er omzichtig mee omgaan. Als hervormd predikant vindt Spijkerboer justitiële leertucht, waarbij de kerk ambtsdragers die het belijden van de kerk aantasten, uit hun ambt ontzet, verschrikkelijk. Overigens is ook hij van mening, dat toenadering en vereniging alleen maar zin hebben, als het belijdend karakter van beide kerken erdoor wordt versterkt.

Een opmerkelijk verschil tussen de beide schrijvers komt naar voren, als het over de mogelijkheid van een nieuw belijdenisgeschrift gaat. Ridderbos pleit voor een „eenvoudige, doorzichtige en in de taal van onze tijd uitgedrukte belijdenis” en acht de historische belijdenisgeschriften niet geschikt om in onze tijd nog volop kerkelijk te functioneren. Spijkerboer schrijft: „Belijdenisgeschriften worden in de nood geboren en niet aan de groene tafel gemaakt”.

Er zijn tussen Ridderbos en Spijkerboer dus wel accentverschillen, maar geen grote tegenstellingen. Vele hervormden en gereformeerden staan echter verder van elkaar dan zij. De ene belijdende kerk waarover zij het hebben, zie ik daarom nog niet.

Om het onderwerp en om de wijze waarop het geschreven is, verdient dit werk van de beide auteurs met belangstelling gelezen te worden.

Th. C. Vriezen en anderen, Breuklijnen in Kerk en Theologie. Hoofdmomenten van het Getuigenis, 139 blz., f 13,90. Kok, Kampen.

Het werd druk gelezen en ook bekritiseerd. Er is van sommige kanten zelfs heel scherpe kritiek op geoefend. Het zou helemaal niet maatschappijkritisch zijn, zeer eenzijdig in zijn theologische opstelling en eigenlijk alleen maar conservatief de status quo willen handhaven.

In dit boek gaan opstellers en sympathisanten op deze kritiek in. Aan het begin van elk hoofdstuk wordt een passage uit het Getuigenis overgeschreven, die in het desbetreffende hoofdstuk aan een nadere bespreking wordt onderworpen. De rechtvaardiging van het schrijven van het Getuigenis wordt niet gezocht in een polemiek met anderen, om hun bezwaren te ontzenuwen. Zwaartepunt ligt in het positieve. Dat treft ons direct in het artikel van prof. Vriezen over de bevrijdingsgedachte in het boek Exodus. Een waardevolle studie, die zegt dat alleen terugkeer naar God de bedoeling van de Exodus recht doet. Eigenlijk zou ik van elk artikel een korte kenschets moeten geven. De ruimte ontbreekt me daarvoor. Ik noem met name nog de bijdrage over de kerk als de arke Gods, van de hand van dr. De Ru. Ik herinner ook nog aan het artikel van prof. Van Itterzon over de Verzoening. Het is een belangrijke bundel geworden, die bij de literatuur over en naar aanleiding van het Getuigenis niet ontbreken mag. Men kan zeggen: Het Getuigenis was nodig en heeft nog niets van zijn actualiteit verloren. Het wees aan, wat de titel van dit boek zegt, waar de breuklijnen in de reformatorische kerk en theologie lopen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.