+ Meer informatie

Het volk krijgt een stuk taai proza gepresenteerd

Taal- en stijlfouten en andere wanklanken in de Troonrede

11 minuten leestijd

Passage uit de Troonrede van vorig jaar: „Mensen, die niet of niet gemakkelijk voor zichzelf kunnen zorgen..." Niemand zal willen beweren dat van alle mensen geldt dat ze zo hulpbehoevend zijn als hierboven omschreven. Toch staat dat er; de komma achter 'mensen' veroorzaakt dus onbedoeld een glasharde leugen. Ergerlijke taalfouten zijn niet de enige wanklanken in de Troonrede. De zinnen zijn lang en gecompliceerd en het aantal 'gewichtigdoenerijen' is indrukwekkend. Bepaald geen oog- en oorstrelend stuk proza.

Het had zo leuk kunnen zijn: het Genootschap Onze Taal deed in juni het aanbod om de tekst van de Troonrede in beter en begrijpelijk Nederlands te herschrijven. Bij taalminnend Nederland werd deze mededeling met blijdschap ontvangen. Wie gedacht had dat ook de regering enthousiast zou reageren en het vriendelijke aanbod met beide handen zou aangrijpen had buiten de waard gerekend: de overheid liet, bij monde van het kabinet van de minister-president, hooghartig weten haar eigen boontjes wel te kunnen doppen op het gebied van taalbeheersing. Het antwoord (in een brief die, ironisch genoeg, nogal wat stijl- en spellingfouten bevatte) kwam hierop neer: tot het moment van uitspreken blijft de Troonrede geheim. Inzage door derden, zelfs als die zich door de beste bedoelingen zouden laten leiden, is onbestaanbaar.

De weigering werd fijntjes geïllustreerd met het volgende voorbeeld: „De vroegere voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dr. A. Vondeling heeft in 1976 een herschreven versie van de Troonrede 1975 gepubliceerd. Deze was langer dan de oorspronkelijke tekst en volgens het commentaar van het ministerie van algemene zaken had de herschrijving onder meer in een groot aantal gevallen ook tot een verandering van de inhoud geleid".

Ter geruststelling werd opgemerkt dat de opstellers van de Troonrede steeds streven naar een zo goed mogelijk taalgebruik. Bij wijze van gratie mocht iemand van het Genootschap Onze Taal wel de weekwisseling voorafgaande aan de derde dinsdag een kritische blik op de spelling van het geheel mogen werpen.
Van al te veel bescheidenheid kan het Rijk niet, worden beticht: Tamelijk arrogant liet de directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst weten dat „er helemaal geen tijd voor discussie met een meneer die pretendeert dat hij het taalkundig allemaal beter weet. Als de regering de Troonrede niet duidelijk vond, liet ze die niet zo de deur uit gaan. Wie de Troonrede niet snapt, moet de volgende dag de krant maar lezen".
De reactie van Algemene Zaken was al even hooghartig: „De kritiek van Onze Taal? Die horen we graag... na afloop. En we zullen daar kennis van nemen".

Tekenend
P. H. M. Smulders, redacteur-secretaris van het Genootschap Onze Taal en voozitter van de Taaladviesdienst, herinnert zich wat spijtig de tijden van weleer, toen de overheid welwillend tegenover verbeteringen stond. Tien jaar geleden was de troonrede volgens hem van een beter gehalte. Kamervoorzitter Vondeling had zelfs een eigen taalkundig adviseur en riep de Commissie duidelijk taalgebruik in het leven. Kortom: het lééfde toen. „Dolman heeft geen taalkundig adviseur meer en het is tekenend dat die commissie-Vondeling ter ziele is gegaan".
Hoe noodzakelijk die commissie was, bleek in 1973 uit het volgende opmerkelijke voorval: „Uitgaande van de gedachte dat door het grote aantal vreemde woorden in de taal der overheid deze taal wel haast een vreemde taal geworden is, begon het statenlid de heer H. J. A. M. Vrouwenvelder zijn rede bij de behandeling der begroting voor 1973 van de provincie Zuid-Holland in het Frans. Toen hem door de voorzitter verzocht werd zijn rede in het Nederlands te vertalen en in het Nederlands voort te zetten, antwoordde de heer Vrouwenvelder dat men in een democratie moet streven naar een goede communicatie, een essentiële voorwaarde voor het tot stand brengen van die democratie. Hij had het Frans gebruikt, omdat hij zich enige weken hiervoor bij de lezing en bestudering van een toen behandelde nota over gewestvorming- menigmaal had afgevraagd of het taalgebruik in de nota nog wel helemaal viel onder het begrip „algemeen beschaafd Nederlands".
Niet iedereen bracht zijn bezorgdheid over de kwaliteit van het Nederlands op een dergelijke drastische wijze tot uitdrukking maar de vele bijvalsbetuigingen die naar de commissie-Vondeling werden gezonden gaven aan dat de manier waarop de overheid met de taal omging velen een doorn in het oog was. De commissie stond kennelijk dicht bij het gewone volk. Zo kregen Vondeling c.s. eens een brief van een Brabantse gemeente („een boerendorp waar de koeien meestal nog met de hand gemolken worden"). Het Planologisch Studiecentrum had het dorp aangeschreven in verband met een onderzoek en vroeg om gegevens over een bepaald probleem. De inwoners hadden „jaren op de brief gestudeerd" maar wisten nog steeds niet waar het onderzoek over ging...

Samen met de taalkundige J. Renkema schreef Vondeling „De troonrede van Ridderzaal naar huiskamer", dat in de zomer van '76 verscheen. Het boekje bevatte een "vertaling" van de Troonrede van '75 en een uitvoerige toelichting. De eerste zin kon al een stuk duidelijker: „De werkloosheid is in vele landen van de westerse wereld gestegen tot een peil dat niet meer mogelijk was geacht" werd veranderd in: „De werklosheid is in vele westerse landen gestegen tot een peil dat wij niet meer voor mogelijk hielden. Toelichting: 'Vele landen van de westerse wereld' klinkt erg omslachtig. Waaróm niet: 'vele westerse landen'? In een redevoering die bestemd is voor alle Nederlanders, is het beter persoonlijke en eenvoudige taal te gebruiken: '... een peil dat wij niet meer voor mogelijk hielden".

Humeur
De officiële Troonrede van '75 vermeldde: „Zij heeft daarmee de bestedingen voor nog verder inzakken behoed en op velerlei wijze hulp geboden aan het bedrijfsleven. De 'alternatieve' passage luidde: „Daardoor zijn de bestedingen niet nog verder afgenomen en is het bedrijfsleven op vele manier geholpen". Commentaar: „Waarom klinkt 'op velerlei wijze hulp bieden' zo afstandelijk? Dit komt omdat je deze uitdrukking eerder in een boek leest dan zelf gebruikt in een gesprek. Ach, een paar van die boekenwoorden is niet zo erg. Maar als ze overal staan, dan krijg je zo'n quasi-plechtstatige tekst".
Zeer terecht merkten de schrijvers het volgende op: „Als het waar is wat Willem van Oranje beweerde, namelijk dat de Staten-Generaal „die gelegenheijt des lands ende de humeuren van de ingesetenen het best" kennen, dan zullen zij bij de regering moeten bepleiten dat de Koningin in staat wordt gesteld taal te spreken die de ingezetenen begrijpen, zodat ze tenminste daardoor niet uit hun humeur raken".
De pennevruchten van Vondeling en Renkema werden met instemming begroet. „Ze hebben laten zien dat een wat minder statige woordkeus en een wat minder verkrampte zinsbouw de waarde en de waardigheid van de rede niet aantasten", schreef Onze Taal.

Zakelijk
Tot voor kort werd de Troonrede tevoren bekeken door een Leidse hoogleraar, maar nadat er ooit een komma foutief werd veranderd nadat hij de tekst had gecorrigeerd, trok hij zich terug.
Smulders kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er een verband is tussen de samenstelling van het kabinet en het belang dat men hecht aan goed taalgebruik. „Bij Lubbers staat de zakelijkheid voorop, terwijl het bij Den Uyl voor de hand lag dat het erom ging dat de gemiddelde Nederlander er iets van zou begrijpen. Je kunt je afvragen: wat is eigenlijk de taak van de troonrede? Mag ze gebruikt worden om alles zo bedekt mogelijk te vertellen zonder dat de regering er haar vingers aan brandt?"
Daar ligt dan ook meteen de moeilijkheid: „Je kunt taalfouten corrigeren maar wil je wat ingrijpender verbeteringen in de tekst aanbrengen, dan kom je op politiek terrein. Ons aanbod aan de regering betrof het verbeteren van taalfouten maar journalisten hebben er meteen van gemaakt dat wij de tekst begrijpelijker wilden hebben. Overigens is het opmerkelijk dat er op de bijdragen van bij voorbeeld Onderwijs en Justitie nauwelijks iets aan te merken viel. Het waren vooral de onderdelen van de 'softere' departementen, zoals dat van WVC, waar het nodige aan haperde.

Onwaarheden
De tekst van de Troonrede rammelde vorig jaar aan vele kanton. De fouten zijn onder te verdelen in diverse categoriën. Zo zijn er bij voorbeeld de kommafouten, waarvan in het begin van dit artikel al een voorbeeld gegeven is. Wanneer komma's er niet staan terwijl ze er wel horen te staan, of andersom, kunnen er niet alleen leesproblemen optreden, maar ook grove onwaarheden worden verteld. Dan zijn er de taalfoutjes, waarbij blijkt dat de regering zich niet houdt aan de voorkeurspelling van 1954. En dat terwijl je juist van een regeringsstuk zou mogen verwachten dat het de richtlijnen volgt die worden gegeven in de woordenlijst van de Nederlandse taal (het 'Groene boekje'), samengesteld in opdracht van de Nederlandse en Belgische regering. Het woord 'terwille' bij voorbeeld bestaat niet en 'temeer' evenmin.

Grote moeite blijkt onze landsregering te hebben met de koppeltekens. Smulders: „Sommige fouten kun je zelfs als een belediging uitleggen".
Bij voorbeeld als er staat: lagere inkomensgroepen (zoals het er nu staat zou het niet om lagere inkomens, maar om lagere groepen gaan! Het moet dus zijn: lagere-inkomensgroepen). Over verkeerde accenten, voorzetsels en foute samentrekkingen zullen we het nu maar niet hebben. Ernstiger is de afdeling "boekenwoorden", zoals 'daarenboven' en 'gemeen overleg'. En wat te denken van lange woorden die een combinatie van termen herbergen maar die evengoed kunnen worden omschreven: arbeidsvoorwaardenoverleg, jeugdwerkgarantieplan, koopkrachtverbetering, achterstandsposities?.
Voorts: wat moeten eenvoudige burgers met woorden als vigerende (geldende) wetten, implicaties (gevolgen) en implementeren (uitvoeren)?
In bepaalde gevallen is er gegronde reden om de opstellers van de Troonrede te verdenken van het opzettelijk gebruik van onbekende woorden of verzachtende uitdrukkingen om de boodschap wat minder hard te laten aankomen. De categorie figuurlijk taalgebruik (afslanking, ombuiging, bevriezing) leent zich daar uitstekend voor. Een mooie eufemistische uitdrukking is 'de pas versnellen'. Smulders: „Dat betekent gewoon: we moeten meer doen".

Speels
Het Genootschap Onze Taal, (opgericht in 1931, met nu ruim 15.000 leden) stelt zich ten doel „het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen en aan hen die haar gebruiken meer begrip en kennis daarvan bij te brengen". In het maandblad Onze Taal, dat niet alleen de technische, maar ook de speelse kanten van de taal laat zien, komt „niet alleen de vakman aan het woord, maar ook en vooral de taalgebruiker in welke hoedanigheid dan ook".
De "bijstand" van de taaladviesdienst wordt gratis verleend, dat wil zeggen: deze diensten worden gefinancierd door de leden (die overigens een alleszins redelijke contributie betalen: ƒ 22,50 per jaar, waarvoor ze tien keer het blad "Onze Taal" krijgen). De soorten van dienstverlening lopen heel erg uiteen: Smulders: „De hulpvragers variëren van een huismoeder die wil weten waar de naam van haar dochter vandaan komt tot Philips, die het jaarverslag van taalkundig commentaar wil laten voorzien".

Engels
Het taalgevoel van de gemiddelde Nederlander is niet om over naar huis te schrijven. „Dat zie je onder meer aan het gemak waarmee Engelse woorden worden overgenomen".
Dat het met de mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid droevig is gesteld, is bekend. „En dat wordt alleen maar erger. Wat dat betreft kunnen we nog een hele tijd doorgaan".

De Taaladviesdienst voert sinds kort dan ook een wat 'agressiever' beleid. „Tot voor kort verleenden : we niet ongevraagd adviezen. We waren eigenlijk meer observator, het was niet onze taak om zelf alarm te slaan. Die kant gaat het echter wel meer op; als het Nederlands in het geding is, maken wij de betrokkenen daarop attent".
Een van de onderwerpen waarover de dienst zich de komende tijd gaat buigen is het taalgebruik in krante-advertenties. Het gaat daarbij om vacatures bij de rijksoverheid, gemeenten en dergelijke. Dat wordt ongetwijfeld een hele klus. Men hoeft niet eens neerlandicus te zijn om te constateren dat dergelijke stukjes tekst zelden in aanmerking komen voor een schoonheidsprijs. „Iemand moet de overheid daar kennelijk op wijzen".
Tot zijn genoegen constateert Smulders dat het genootschap steeds meer gezag begint te krijgen, zowel in overheidskringen als daarbuiten. „We worden veel gebeld door gemeentes, ministeries, bedrijven. Er is kennelijk behoefte aan een instituut dat knopen doorhakt".


Zo kan het ook...

Op ons verzoek 'vertaalde' de heer Smulders een paar 'zorgelijke' zinnen uit de Troonrede van vorig jaar. Links de officiële passage, rechts dezelfde boodschap, maar dan in begrijpelijker en compacter Nederlands.

Bij de beoordeling van de ontwikkeling op langere termijn van de omvang van de Rijksdienst moet erop gewezen worden dat bij de verminderingen over een breed front soms ook uitbreidingen onvermijdelijk zijn Bovendien betekent voortgezette inspanning met betrekking tot de verdeling van het werk, waarover met de bonden voor de komende jaren nog afspraken gemaakt moeten worden, dat herbezetting en uitbreiding het effect van de afslanking ten dele zullen compenseren.

Het streven naar inkrimping van de rijksdiensten op lange termijn heeft niet altijd direct resultaat. Door de algemene verminderingen is uitbreiding van sommige diensten onvermijdelijk. Bovendien moeten met de bonden nog afspraken worden gemaakt over de herverdeling van werk. De noodzakelijke uitbreiding en de herbezetting van banen zullen samen het effect van inkrimping ten dele tenietdoen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.