Bekijk het origineel

Gedachten over Psalm 119 vs. 27—29.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gedachten over Psalm 119 vs. 27—29.

5 minuten leestijd

„Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uwe wonderen betrachte. Mijne ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw Woord. Wend van mij den weg der valschheid; en verleen mij genadiglijk Uwe Wet.

Vs. 27. „Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw Woord betrachte." — Uwe bevelen zijn, dat ik geloof, dat ik mijne zonde op Uw Lam leg, en op dat Lam zie, zooals het voor mijne zonde geslacht wordt en sterft.
Leer mij, waar mij die weg heen leidt, namelijk, dat ik in dat Lam voor U rechtvaardig ben. Leer mij, waar Gij mij daarmede heenleidt, als Gij mij zegt en genadiglijk beveelt, dat ik alleenlijk geloove en mij alleenlijk aan Uwe genade houde, opdat ik, door Uw genadelicht bestraald, met hart, ziel en zin overwege al die wonderen van het heilgeheim onzer eeuwige verlossing en bewaring; hoe Gij met machtige hand en uitgestrekten arm gedurig Uw Israël verlost uit al zijne zonden, nooden en benauwdheden, ja door alles heen uitkomsten geeft, gelijk Gij hebt toegezegd: „Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken" (Jes. 43 : 2). Ach, dat ik maar door al die verzoekingen geoefend worde!
Vs. 28. „Mijne ziel druipt weg van treurigheid: richt mij op naar Uw Woord." — Mijne ziel bezwijkt onder zooveel angst en nood. De Satan klaagt mij aan, de kinderen der wereld hoonen mij, en lasteren wat zij niet verstaan; ik zelf kom mij zoo weerloos, zoo dom en onwetend voor, zoo dat ik niet weet wat te doen of te laten. Al mijne kracht is onmacht, ik ben als lam aan handen en voeten, heb geene kracht, om iets aan te vatten, of voor mij zeiven vast te houden wat Gij zegt. Ik lig gansch terneder en kom uit dat alles niet weêr uit, zoo Gij niet komt en mijne ziel troost in haar geween, en tot mij zegt: Ik ben uw heil! Ik ben uw God! Ik wil het voor u doen; Ik wil voor u den weg banen door dit dal des doods heen. — Ach ik verga, ik kan niet meer opkomen! Richt Gij mij op, help Gij, Gij mij op met Uwe sterkte! dat hebt Gij Heere! immers van U laten betuigen : „Hij geeft den moeden kracht en vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft." (Jes. 40 : 29). Sterk mij dan in mijne machteloosheid! laat mij sterk zijn in het geloove; blaas weder aan den rookenden vlaswiek, en bewaar mij bij Uw Woord en bij Uwe genade, opdat ik niet door de treurigheid over mijne onmacht en algeheele onbekwaamheid verslonden worde, — neen Heere! maar doe mij vreugde en blijdschap hooren; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt." (Ps. 51 : 10).
Vs. 29. „ Wend van mij den weg der valschheid, en verleen mij genadiglijk Uwe Wet." — Ach wat is mijn weg, mijn denken, oordeelen en kiezen en al mijn doen zonder U anders als valschheid, en alles vergeefsch en ijdel overleg en doen; en ach, er is in mij geen andere weg; op dien weg betrap ik mij elk oogenblik en meen telkens, dat ik het doen moet, al is het dan ook met Uwe hulp. Aldoor bevind ik mij in den waan, alsof het bij mij, alsof het in mijne hand stond, dat het goed gaat. Zoo ben ik dan aan het overleggen, aan het schikken en verschikken der dingen, die toch alleen van Uwe voorzienigheid en Vaderlijke schikking afhangen, van natuur gewend! Dan laat ik mij bovendien van de menschen, die overal met hunne wijsheid er tusschen komen, verschrikken en verwarren, zoodat mijn oog niet bestendig op U is, Die alleen alles schept, zet en regelt naar Uw Woord. Zoo meen ik altijd, dat het van mijn doen afhangt, en wil mij zeiven heiligen en anderen heiligen met stinkend water, — en meen inet zulken weg het doel te bereiken. Hoe kom ik van dien weg af, waarop ik niets als verdriet, hartzeer en onrust vind? Wend dien weg van mij af, zoodat ik er niet meer op kan, dien weg niet meer vinden kan, al moet het ook door de diepte heen. Vergeef het mij, dat ik mijzelven in mijzelven zulk een harden en pijnlijken weg aangelegd heb, — maak dien verder voor mij onbegaanbaar, en wees mij zoo genadig, dat ik niet naar mijne wet en mijnen wil, zooals ik het zetten mocht, ook niet naar des menschen wet en wil meer vraag, maar alleen naar Uwe Wet, naar Uwen weg en wil, daar Gij toch van U laat betuigen: „Werp al uwe bekommernis op den Heere; want Hij zorgt voor u;" Hij is over u bekommerd, en: „Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn."
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 januari 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Gedachten over Psalm 119 vs. 27—29.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 januari 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken