Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hoofdstuk V. Het twistgesprek met de wederdoopers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoofdstuk V. Het twistgesprek met de wederdoopers.

Petrus Dathenus, naar zijn leven en werken voor de Gemeente Gods.

8 minuten leestijd

Reeds langen tijd had de Keurvorst Frederik de Derde den wenscli gekoesterd, om Dathenus tot zijnen hofprediker te beroepen. Eindelijk in het jaar 1570 kon hij aan dien wensch voldoen. In die jaren had Dathenus veelvuldige ontmoetingen met Boquinus, Olevianus en Ursinus, om met hen te beraadslagen over de toenmaals brandende vragen ten aanzien van de kerkelijke tucht, meer in 't bijzonder van de excommunicatie (kerkelijke ban) of uitsluiting uit de kerk van dezulken, die eeneu openbaar slechten wandel hadden. Beslist stond hij aan hunne zijde tegen den bestrijder van zoodanige tucht, den geneesheer Erast. Van hooge beteekenis en alleszins gedenkwaardig is in do levensgeschiedenis van onzen theoloog het godsdienstig twistgesprek met de zoogenaamde Wederdoopers, hetwelk van 28 Mei tot 19 Juni 1571, dus drie weken lang, te Franlcendal gehouden werd. De Keurvorst wilde gaarne deze menschen langs den weg van zachtmoedige onderwijzing in de Gereformeerde Kerk brengen, want de schandelijke grondstelling der Duitsche vorsten van zijnen tijd: cuius regio, eius religio, d. i. zooals de godsdienst van den vorst, zoo die der onderdanen, vond hij afschuwelijk. De raadsheeren van den vorst, Ehem en Zuleger, vingen dat gesprek aan, hetwelk Dathenus vervolgens met de opgekomene leeraars dier gemeenschap voerde. Wij leeren daaruit niet slechts het leerstellig standpunt van Dathenus kennen, hetwelk door en door gereformeerd is, maar evenzeer den vaardigen en in Gods Woord ter dege onderwezenen, geleerden theoloog. Eene betere wederlegging van alle baptistische dwalingen, dan die van Dathenus, zal men niet gemakkelijk vinden. Tevens treft ons zijn liefdevol optreden tegen deze mensehen, dat vrij was van alle hartstochtelijkheid, hoezeer deze zich dikwijls in den loop van het gesprek zeer aanmatigend en in geestelijken hoogmoed openbaarden.
Men heeft helaas! hier en daar in onze dagen de bewering durven uitspreken, ofschoon men waarlijk het bewijs er voor wel schuldig blijven zal, als zouden de Gereformeerden met de Baptisten verwant zijn, ja zelfs hier en daar uit hen zijn voortgekomen. Zulks is ten eenenmale onwaar. Integendeel zijn te allen tijde de Gereformeerden de meest besliste tegenstanders van het Baptisme geweest. Wij herinneren hier slechts aan den eerwaardigen opsteller der Nederlandsche Geloofsbelijdenis, Guido de Bres, die in 1565 een in het Fransch gesteld, uitvoerig geschrift tegen de Anabaptisten het licht deed zien, dat later in 1570 in het Nederduitsch te Amsterdam uitgegeven is onder den titel: „De wortel, de oorspronck, ende liet fundament der Wederdooperen of tlerdooperen van onzen lijd". Jan Taffin, dien Ritschl en Hoppe in hunne werken over de geschiedenis van het Pietisme in de Gereformeerde Kerk, als een voorlooper dier richting in de Nederlanden voorstellen, heeft in 1589 te Haarlem in het licht gegeven: Instruction contre les erreurs des Anabaptisles. En zoo hebben de uitstekendste leeraren der Gereformeerde Kerk steeds en allerwege de baptistische dwalingen tot op den huidigen dag op de meest besliste wijze bestreden.
Dat het nochtans niet slechts om den Doop gaat, maar om de betrekking van den mensch zelf tot God en Zijn Woord, om vrije genade of den vrijen wil, toont een blik in het naderhand gedrukte Protocol over dit gesprek, dat nog in hetzelfde jaar, door Caspar Heidanus vertaald, evenzeer in het Nederduitsch verscheen onder den titel: „Protocol, dat is de gansche Handelinge des Gespreks, te Frankenthal in der Cheurvorstelicker Paltz met dien, welke men Wederdoopers noemt."
Dertien punten der leer, waarin voornamelijk liet verschil tusschen deze Baptisten en de Gereformeerden uitkomt, werden hun voorgelegd. Een grondig antwoord bleven zij, ondanks hunne vele spitsvondigheden, schuldig. Behalve de vragen betrekkeljjk den Doop, waren daaronder nog verdere hoogst belangwekkende, als:
1°. Of de Schrift des Ouden Testaments voor de Christenen even geldig is als die des Nieuwen; m. a. w. of de leer van de hoofdstukken van het Christelijk geloof en den christelijken wandel zoowel uit het Oude Testament komt en moet bewezen worden als uit het Nieuwe;
2°. Of de Yader, Zoon en Heilige Geest hot eenig goddelijk wezen zijn, doch in drie personen onderscheiden;
3°. Of Christus het wezen Zijns vleesches uit de substantie des vleesches der maagd Maria genomen heeft, of op andere wijze;
4°. Of de kinderen in de erfzonde ontvangen zijn;
5°. Of de geloovigen van het Oude Testament met de geloovigen van het Nieuwe Testament ééne gemeente, één volk Gods zijn;
6°. Of de volkomene gehoorzaamheid van Jesus Christus, door het waarachtig geloove aangegrepen, de eenige en algenoegzame betaling onzer zonden en oorzaak onzer zaligheid is;
7°. Of liet wezen dezes vleesches ten jongsten dage zal opstaan, of wel een ander door God geschapen wordt;
8°. Of de ban en liet ongeloof het huwelijk ontbindt. Om het standpunt van Dathenus in dit twistgesprek goed te doen uitkomen, houden wij ons hier op bij zijne verklaring over de vijfde vraag. De Wederdoopers zijn van gevoelen, dat na dit leven tusschen de geloovigen van het Oude en van het Nieuwe Verbond wel geen onderscheid meer zal zijn, maar in het leven hier beneden bestaat zulks wel. Yoor hunne beschouwing beroepen zij zich op Ilebreën VIII. Mozes en de Profeten zijn slechts dienstknechten , geen leden der Kerk geweest. Nadat Dathenus hun het verkeerde hunner beschouwing had aangetoond, stelde hij in het licht, hoe zoowel de geloovigen uit liet Oude als uit het Nieuwe Testament belijden en hebben éénen en denzelfden God, Jesus Christus en den Heiligen Geest, eenzelfde Woord, dezelfde artikelen des Geloofs, eenzelfde vergeving der zonden uit genade, eenzelfde sacrament, wat wezen en substantie betreft, eenzelfde belofte van de opstanding des vleesches en van het eeuwige leven. Daaruit volgt, dat de geloovigen van het Oude en het Nieuwe Testament één volk, ééne gemeente Gods zijn.
Op de vraag, of de vromen van het Oude Testament eene verlossing door Christus gehad hebben, antwoordt Dathenus: Wel heeft Christus in Zijn persoon inderdaad slechts eenmaal geleden; evenwel is de kracht en de werking van de gehoorzaamheid, het lijden en het sterven van Christus niet gebonden aan den tijd, in welken Hij leed en stierf, maar strekt zich die uit tot den aanvang der wereld, als ook nog over den tijd, waarin wij zijn, tot aan het einde. Gelijk het geloof de kracht des lijdens Christi, dat voor 1500 jaren plaats gehad heeft, voor ons alsnu tegenwoordig stelt, zoo heeft evenzeer het geloof de kracht des toekomstigen lijdens Christi voor hen als tegenwoordig gesteld.
Bovenal blijkt Dathenus voortreffelijk ten strijde toegerust tegen alle bewijsvoeringen der Wederdoopers tegen den kinderdoop. „Dat de doop slechts hun toekomt, welken het Evangelie gepredikt wordt, die gelooven en zich bekeeren," zoo antwoordt hij, „betwisten wij geenszins; dat is ook niet de vraag.
Maar dat is de vraag, of de doop niet toekomt den kinderen van de zoodanigen, die het Evangelie met waarachtig geloove hebben aangenomen? Dan herhalen wij: j a . " (Tevoren had hij aangetoond, dat de kinderen derzulken heilig zijn en derhalve met God in zalige gemeenschap staan, en hun deswege de heilige Doop naar het Woord Gods als een zegel dier gemeenschap toekomt.) Dat toont ook Handelingen I I : 39; daar noemt Petrus drieërlei volkeren, wien de belofte van den doop in den Naam van Christus, van de vergeving der zonden en het ontvangen van den Heiligen Geest toekomt, namelijk de Joden, die hij vermaant: bekeert u; ten tweede hunne kinderen, die zich nog niet hebben kunnen bekeeren, die ook Christus niet gekruisigd hadden, gelijk hunne vaderen; en ten derde do Heidenen, die daar nog verre geweest zijn, gelijk ook in Efeze I I : 3 staat.
Wat de woorden in Matth. 28 en Markus 16 aangaat, houden wij vol, dat de doop daar niet ingesteld wordt, naardien /.ij reeds vroeger door Johannes, Jesus en Zijne discipelen gebruikt en ingevoerd is geworden, maar wij beweren, dat Christus daar Zijne Apostelen leert, hoe zij zich ten opzichte der Heidenen, wien het Evangelie toenmaals aanvankelijk zou gepredikt worden, te gedragen hadden. Want de Heidenen zijn toenmaals geweest, zooals Efeze II : 12 staat, zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden des belofte, geene hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Bij hen heeft men niet anders dan met de prediking kunnen aanvangen, opdat zij God en Christus zouden leeren kennen. Daartegen verzetten wij ons niet. Want indien wij geroepen werden, om den Turken of den Heidenen te prediken, wij zouden niet anders kunnen handelen." Op de tegenwerping, dat de kinderen, als zij volwassen zijn en de belofte aannemen, de belofte ontvangen, antwoordt Dathenus: „do Apostel spreekt van den tegenwoordigen tijd: u en uwen kinderen komt deze belofte loe. Wat gij van de kinderen der Christenen t Joden en Turken acht, die noch goed, noch kwaad kennen, die gij vermengt — gij doet daarmede inderdaad Gods eeuwig verbond te niet, hetwelk God niet met alle mensehen, ook niet met alle kinderen der mensclien gemaakt heeft, maar alleen met Abraham en zijn zaad, Genesis XVII. Doch die buiten zijn, gaan ons niet aan. De vraag is slechts: of de kinderen der Christenen met de geloovigen als een volk Gods gerekend worden of niet?"
Wij willen hier afbreken. Ondanks alle Schriftuurlijke bewijzen lieten die menschen hunne eenmaal opgevatte meeningen niet varen, zooals ook nog in onze dagen bij alle sectemakers wordt waargenomen. Ja tot op heden blijft tegenover zulke dwaalgeesten de uitspraak van Gods Woord gelden: „De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden", en Luther zegt Spreuken XVIII : 1 „Wie zich afzondert, die zoekt iets naar zijnen zin en stelt zich tegen alles, wat goed is."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 maart 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Hoofdstuk V. Het twistgesprek met de wederdoopers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 maart 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's