Bekijk het origineel

Ev. Joh. 20 vs. 28.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ev. Joh. 20 vs. 28.

7 minuten leestijd

„Mijn Heere, en mijn God."

„Mijn Heere en mijn God." Dat was de belijdenis van Thomas, in hem gewrocht door de almachtige liefde des Heeren Jesus; daarin sprak hij zijn geloof uit in den Christus Gods, den opgestanen, eeuwiglevenden Heiland. Die geloofsbelijdenis was echter volstrekt niet Thomas' verdienste; immers hij zat in het ongeloof gevangen, om zoo te spreken meer nog dan een der andere discipelen des Heeren; j a , ook deze waren vol ongeloof geweest en waren niet beter, niet gelooviger, dan hij, maar de verschijning van den opgewekten, levenden Heiland, die Zich aan hen zoo krachtig en heerlijk geopenbaard , en Zijn vredegroet zoo genadiglijk hun toegeroepen had, — had hun ongeloof en vreezen en treuren verbannen, zoodat zij nu wèl-getroost elkander sterkten door samen te spreken over de wonderen Gods. Maar Thomas, bij die eerste verschijning niet tegenwoordig geweest, omdat hij in groote moedeloosheid en diepe droefheid zich uit het gezelschap der broeders in de eenzaamheid had teruggetrokken, — hij had, ook nadat hem de blijde boodschap van Jesus' opstanding door de broeders gebracht was, niet willen gelooven, maar gezegd: „indien ik in Zijne handen niet zie het teeken deinagelen, en steke mijnen vinger in het teeken der nagelen, en steke mijne hand in Zijne zijde, ik zal geenszins gelooven."
Schrikkelijk, hardnekkig ongeloof was het, waarin deze discipel verkeerde, waardoor hij zich van den troost der opstanding Christi beroofde. Dat ongeloof houdt ons het Evangelie voor, opdat wij daarover niet heenglijden, wanneer wij deze heerlijke belijdenis „mijn Heere en mijn God" lezen, en nu zeggen: j a , Thomas is, wel is waar, zeer ongeloovig geweest, heeft zwaar gezondigd, maar hij heeft zich bekeerd en is geloovig geworden, — zoodat wij ten slotte hier eene prediking ontvangen van de geloofskracht eens discipels, en hem nu als een geloofsheld hebben na te streven. Geenszins; het Evangelie Gods wil geen roem des menschen, die er ook niet is — geen vleesch zal verhoogd zijn, maar alleen 's Heeren Naam geprezen! — en ook wil het den armen mensch, die zich van allerlei ongeloof heeft aan te klagen, niet afstooten of lasten opleggen, maar het bedoelt juist om de van verre staanden en verlegenen moed te geven en te bevrijden van eiken last, die de ziel drukt en kwelt. Het Evangelie verkondigt ons de éénige zondaarsliefde des Heeren Jesus, Zijne wonderbare genade en onwankelbare trouw, volgens welke Hij niet laat varen de werken Zijner handen, opdat wij, geloovende in Zijnen Naam, het eeuwige leven hebben. De belijdenis van den in zichzelven zoo zwakken discipel is het werk van de liefde Christi, de vrucht van Zijnen heiligen Geest. Zóó was in hem het geloove te voorschijn geroepen. Daardoor was hij diep getroffen — dat had zijne ziel ganscli verbrijzeld, dat die Heer, zijn lieve Heiland, wiens woorden hij niet geloofd had, hem niet om zijn ongeloof had verworpen, maar hem in Zijne groote genade had opgezocht, en hem trots zijne hardheid des harten, zijne verdraaidheid en verkeerdheid, in liefde was tegemoet gekomen, en hem het voorrecht schonk om zich van Zijne opstanding te vergewissen.
Nu bekende hij het: Gij zijt mijn Heere en mijn God, die mij in Uwe eeuwige liefdearmen genomen hebt, die Uw bloed hebt vergoten tot vergeving mijner zonde , die U voor mij in den dood gegeven hebt, opdat ik eeuwig leven zou.
„Mijn Heer en mijn God"; weinige maar veel omvattende woorden, die het geheel des geloofs uitdrukken. Jesus de Heere, de Vorst des levens, de Koning van zonde en genade, van dood en leven, van alle dingen — de Heer Zijner Gemeente. Jesus, de uit dooden opgewekte, Hij is de Christus, de van den Vader verordineerde en met den Heiligen Geest gezalfde tot het heil, het licht en leven der menschen, tot den eenigen en volkomenen Zaligmaker van zondaren ; Hij de Overwinnaar van zonde, dood en hel, de eeuwig-gezegende en vol-heerlijke Verlosser van het arme en ellendige volk Gods. Jesus is de Heere, de eeuwigblijvende, onveranderlijke, getrouwe en algenoegzame. Hij is God, de waarachtige God, in Wien het eeuwige leven is; Zijne is de wijsheid en sterkte, Zijne het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid.
Mijn Heere en mijn God! U zij de lof en dankzegging, de eere en aanbidding voor Uwe grondelooze barmhartigheid en liefde, trouw en waarheid, in welke Gij ons bezocht hebt in onzen dood en onze duisternis. J a , mijn Heere en m i j n God! die Zich over mij , stof en assche, mij doemschuldigen ontfermd hebt met eeuwige ontferming; die mij ongeloovigen, afgedwaalden, wederhoorigen, die alles bedorven heb en verkeerd gemaakt, niet hebt verstooten, maar mij met de koorden Uwer liefde hebt opgehaald uit de diepte mijner verlorenheid; die mijne banden, waarmede ik mij door den duivel heb laten binden, genadiglijk hebt verbroken, die mij omringd hebt met Uwe goedertierenheid en barmhartigheden, terwijl ik niet anders verdiend heb dan eeuwige vernieling.
In het „Mijn Heer en mijn God", is uitgesproken de diepste vernedering en hartgrondige verootmoediging van Thomas, en de hoogste verheerlijking van zijnen getrouwen God en Zaligmaker; zijne belijdenis is de belijdenis van alle heiligen Gods (rein om des woords Christi wille , rein in het bloed des Lams), die verbrijzeld door 's Heeren liefde zichzelven veroordeelen en aanklagen en den Heere God gelijk geven en in het recht stellen, die, bij de erkentenis van hunne eigene zonde en doemwaardigheid, hunnen „Heere en God" loven voor de daden Zijner vrije liefde, waarmee Hij hen liefgehad heeft voor de grondlegging der wereld in Christus Jesus den Heere, die is „overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze reehtvaardigmaking."
Zie, zoo weet de Heere Jesus alles uit den weg te nemen, wat ons bezwaart, wat ons ten verderve, zou voeren, en wil ons recht vroolijk maken in Zijn heil. Ja, de zwakken, de hulp- en troosteloozen, de kleinen zoekt Hij voor anderen in liefde op en bedekt hen met Zijne genade en vervult hen met Zijnen troost, zoodat de tong des bedrukten wordt losgemaakt, om den lof des Heeren te zingen, om te verkondigen Zijne gerechtigheid en groote daden.
Dat is onze zonde, dat wij niet gelooven, — niet gelooven, dat geen graf den Heere houden kon, dat Hij leeft en over allen dood zegeviert; dat is onze ellende, dat wij niet gelooven: Jesus Christus is de H e e r e , is God. Gelooven wij dat? dan is het met onzen dood gedaan, maar ook met onzen naam en onze gerechtigheid, en geldt alléén het leven Christus, Zijn Naam, Zijn Rijk, Zijn Werk. Dan spreekt het geloove: mijn Heere en mijn God! — En zegt ook de door ongeloof geplaagde en bestredene ziel: in mij geene kracht noch moed tot dit geloof, — het Evangelie in Thomas' geschiedenis geeft toch moed. Deze discipel kon wel geene schoone dingen, groote en krachtige daden van zich verhalen, — 't was bij hem alles ongeloof; maar heerlijke, machtige dingen heeft hij in zijne belijdenis van J e s u s verkondigd: n. 1. de Heere Christus, mijn lieve Heiland heeft mij ongeloovigen en weerstrevigen in Zijne groote liefde opgezocht en heeft al mijne gruwelijke zonden goedertierenlijk bedekt.
Ons geloof doet het niet, maar de genade Jesu Christi geeft macht en vrijmoedigheid om te aanbidden : Mijn Heere en mijn God! —

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 april 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ev. Joh. 20 vs. 28.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 april 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken