Bekijk het origineel

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk IV. (Slot).

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk IV. (Slot).

6 minuten leestijd

Nadat wij den blik geslagen hebben op den uitwendigen druk en de heerlijke uitredding der Apostelen, keeren wij met hen in de Gemeente terug (Vs. 23) en z i e n daar de gemeenschap der heiligen, hetwelk toch anders een Artikel des g e l o o fs i s ; zij treedt aan het licht in de gemeenschap aan de vreugde en aan hel lijden (Ys. 23), in het gebed (Vs. 24—31) en in de wederkeerige mededeeling ook van stoffelijke gaven (Vs. 32—37.) — De Apostelen „kwamen tot de hunnen" (— naaiden Geest en het geloof, welke banden sterker en inniger zijn dan die des bloeds —) „en verkondigden" hun (— en dezen verlangden vurig dit te hooren —) „al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden" (want gedaan hadden zij hun niets). (Ys. 23.) De geloovigen zagen hierin een groote daad Gods en eene overwinning van het getuigenis; want „als zij dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hunne stem op tot God" (Vs. 24). De zaak der Apostelen was hunne zaak, en hunne zaak was Gods zaak en de zaak des Woords; daarom brachten zij Gode de offeranden des lofs en der dankzegging. —
Nu wenschen wij te vernemen, hoe zulk een gebed van de eerste Christengemeente luidde, waarin de Heilige Geest leefde en werkte. Dit gebed werd opgezonden tot den eenigen, waren en levenden God, die hemel en aarde gemaakt heeft, en zooals Hij Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, dus tot den God en Vader onzes Heeren Jesus Christus; dit is de eerste eisch bij een recht, Gode welgevallig, Hem verheerlijkend gebed, en dat daarom door Hem verhoord wordt. (Heidelb. Catech. Vr. 117.) De aanspraak noemt God bij Zijnen Naam „ Heere' als Heerscher' en Gebieder over alles en als de eeuwig getrouwe Verbondsgod, en daarna bij Zijne eigenschappen en Zijne werken; immers zij zeggen: „Gij zijl de God, die gemaakt liebl den hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelve zijn" — dat is het, waarop het aankwam, en waaraan de ellendige zieh vastklemt in zijnen nood; Gij zijt de God, die helpen kunt! —en verder: „L)ie door den mond van David, Uwen knecht, gezegd hebt'1 — d.i. Gij hebt U in Uw Woord geopenbaard, en Uw Woord gaat nu in vervulling, zooals men zich dan ook steeds op Uw Woord verlaten kan. — Deze aanspraak (evenals: „Onze Vader, die in de hemelen zijt") gaat nu aanstonds in het gebed over in het nederleggen van den nood, dien men heeft, en in het uitspreken van den dank voor Zijne genade, trouw en macht, waardoor Hjj hulp en heil verschaft. Do tweede eisch toch voor een recht gebed is, dat wij onzen nood en onze ellendigheid recht en grondig kennen, en ons voor het aangezicht Zijner Majesteit verootmoedigen. Zie Vs. 25—28. Hoe fijn verstaan zij de Schrift en weten die toe te passen op hunnen toestand (Vs. 27); hoe is dat Woord Gods hun tot licht in de duisternis, tot troost en houvast in de ellende (Vs. 25—27); hoe gepast troosten zij zich hiermede, dat niets bij toeval geschiedt, maar dat alles gaat naar Ziin bevel, dat alles Zijnen raad en Zijnen wil dienen moet (Vs. 27, 28). Iloe vertrouwen zij dies op de voorzienigheid Gods (Vs. 27). En hoezeer worden zij juist door deze ondervinding versterkt in het geloof, dat Jesus de Christus is, dat de Vader Hem gezalfd heeft (Vs. 27), dat Hij toch Zijn geliefd Kind, Zijn eengeboren Zoon is, al willen do vijanden ook niet, dat Hij over hen regeert (Ps. 2 ; Matth. 21). O hoeveel ware nog te zeggen! —
Nu, waar zulk geloof, zulk vertrouwen tot God in Christus is, daar is gewis ook aanwezig het derde stuk van een recht en levend gebed: „dat wij dezen vasten grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus wil zekerlijk wil verhooren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft." Want in het vertrouwen op deze verheerlijking Gods is het nu ook, dat zij blijmoedig de bede opzenden: „En nu dan, Heere ! zie op hunne dreigingen (dat Gij die onschadelijk maakt) en geef Uwen dienstknechten met allo vrijmoedigheid Uw Woord te spreken (om dat Woord gaat het toch alleen) (Vs. 29); daarin, dat Gij Uwe hand (d.i. Uwe macht) uitstrekt tot genezing, en dat teekenen en wonderen geschieden door den Naam van Uw heilig Kind Jesus." (Vs. 30). Zulk een gebed kon niet alleen niet onverhoord blijven, maar moest ook het vertrouwen op en de zekerheid van de verhooring van God ontvangen; God betuigde Zijne genadige nabijheid, Zijne macht en de verhooring van hun gebed hierdoor, dat de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen werd, en dat zij allen vervuld werden met den Heiligen Geest (die opnieuw over hen kwam, en de vergaderplaats bewoog), en dat zij spraken (— ook daarbuiten —) het Woord Gods met vrijmoedigheid (— zoodat het getal der predikers sterk vermeerderde —) Vs. 31. Daartoe waren zij ook in den rechten weg innerlijk en uiterlijk, en werden daarin bevestigd: „De menigte van degenen, die geloofden, was één hart en ééne ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had (— dat hij dus als persoonlijk eigendom behield, maar als gemeenschappelijk goed behandelde —) zijn eigen ware (— maar van God en van den broeder naar de wet der liefde, zijn eigen goed slechts naar de menschelijke ordening —) maar alle dingen waren hun gemeen". (Vs. 32).
Deze woorden toonen duidelijk genoog, dat er geene deeling van goederen heeft plaats gehad, doch wel eene ware gemeenschap van goederen. Waar het van binnen zoo stond, konden ook de gevolgen er van naar buiten niet uitblijven; onder den druk wies de Gemeente inwendig, en dan ook uitwendig, als de wijnstok, welks ranken men deels insnijdt, deels nederbuigt, opdat hij groeie en vrucht drage. En „met groote kracht", nog meer dan te voren, „gaven de Apostelen getuigenis van de opstanding" — daarop komt het aan bij vriend en vijand, en dat is immers eens Apostels ambt — „van den Heere Jesus" (vergel. Rom. 10: 10); de stukken van de belijdenis zijn: Hij is J e s u s ; Hij is de H e e r e ; Hij is o p g e s t a a n van de d o o d e n (Vs. 23).
Do laatste verzen (Vs. 34—37) toonen opnieuw, hoe de oudchristelijke, apostolische gemeenschap van goederen te verstaan is (noch socialistisch, noch bedelmonnikachtig), want er staat nergens, dat zij het eigendom van allen of van iemand zich hebben toegeëigend of dat zij het hebben afgestaan (Vs. 34), ook niet, dat zij aan een ieder evenveel gaven, d. w. z. naar het zielental alles verdeelden, veeleer gaf men den behoefligen zooveel zij noodig hadden (Vs. 35); ja zelfs wordt eene zoodanige daad als eene bepaalde bijzonderheid in het bijzonder vermeld ; en het meest opvallende hiervan was wel dit, dat Joses, als Leviet, zijne eenige bezitting, dien akker verkocht en het geld van den verkoop bracht; het was derhalve eene uitzondering, als iemand al het zijne of het laatste weggaf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 juli 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk IV. (Slot).

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 juli 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken