Bekijk het origineel

Betrachting over Hebreën 13: 14.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Hebreën 13: 14.

10 minuten leestijd

,,Want wij hebben hier geene blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende."

„Jesus Christus, gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid"; Hij is het eeuwig heil, de wezenlijke troost der Gemeente Gods. Wat ook vergaat, Hij blijft, en Zijne leer, Zijne woorden gaan niet voorbij. Wie Hem heeft, heeft God, — heeft dat, wat bestendig, waarachtig, eeuwig is, „het duurachtig goed." Wie Hem heeft tot zijnen Heere, is van zonde, schuld en straf bevrijd, is aan de macht der wereld, des doods en der hel ontrukt, — vindt genade, gerechtigheid, vrede en zegen, eeuwig leven bij God. Maar, wie Jesu Christi eigen is, aan Hem deel heeft, deze mensch weet van geene zichtbare heerlijkheid, roemt niet zijne eigene goede dingen, zijne hemelsche gezindheid en liefde tot God en goddelijke zaken, — neen, maar bij de oprechte belijdenis van zijne verkeerdheden en zijnen lust tot de dingen der aarde, roemt hij alleen Hem, wiens Naam is J e s u s : Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden, en zoo geeft hij alleen den Christus eere als den hem door God geschonkenen Profeet, Priester en Koning, in Wien hij alles heeft, wat tot het leven en de godzaligheid behoort. — Op dezen weg echter, waar hij van niets anders wil weten, dan van Jesus Christus en Dien gekruisigd, — van het alleen verzoenende bloed des Lams, — wordt hij tegengestaan door de wereld, die het hare liefheeft. Daarom schrijft de Apostel ter bemoediging van de Gemeente Gods, opdat zij het kruis Christi vroolijk dragen moge: „Laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijne smaadheid dragende, want wij hebben hier geene blijvende stad, maar zoeken de toekomende." Moeten wij hier eene doornenkroon dragen, gesmaad, gekweld, verdrukt zijn door hen, die zeggen, dat zij de hemelburgers zijn, — welnu, het zij zoo! maar troost u er meê: Jesus Christus, onze gezegende Heiland, Hij droeg in de dagen Zijns vleesches geene andere kroon; Hij immers werd gedood buiten de legerplaats, d. i. buiten de plaats, waar dat volk zich legerde, hetwelk zich als .het verkorene Gods" achtte, en dat J e s u s , den G e l i e f d e des V a d e r s , als een oproermaker, als een ketter uitwierp. En zoo dringt de Apostel de Gemeente aan, om zich alleenlijk te verlaten op het bloed van Jesus Christus als den eenigen grond harer zaligheid, en zich volstrekt niet te bekommeren over den hoon, die haar aangedaan werd; vooral zicli niet te laten vervoeren door de vreemde leeringen, waarmede zij lastig gevallen werd door hen, die nevens het bloed Jesu andere gronden der behoudenis predikten. Werd zij dan buiten de legerplaats gedreven, verbannen uit den kring van hen, die eene gedaante van godzaligheid hadden, maar derzelver kracht verloochenden, — wat nood, wat schade? Het lijden is niet voortdurend, 't duurt slechts een tijd: „want wij hebben hier geene blijvende stad, maar wij zoeken de luekomende "
Wij h e b b e n h i e r g e e n e b l i j v e n d e s t a d . Dit predikt ons, dat alles liierbeneên, wat buiten God en Christus is, vergankelijk en ras voorbijgaande is; hoe schoon en heerlijk wij het ook aanzagen, — en of ook de groote menigte zich op allerlei wijze er mede vermaakt, — 'tis alles ijdelheid. De wereld met hare pracht en praal gaat in vlammen op, alleen de heerlijkheid Gods houdt eeuwig stand. Bleven wij hier altijd op aarde leven, ware, hetgeen onze oogen zien, onze handen tasten, bestendig, — gewis, dan zouden wij voordeel hebben van 's werelds genot en genoegen, achting en aanzien, van al de heerlijkheid des zichtbaren levens; en waarlijk, wij zouden dwaas handelen, om ons daarover niet te bekommeren. Maar nu, 't is alles onbestendig; hebben wij niet anders dan dit, hoe spoedig zal het ons ontvallen zijn, — en wij staan, van alles beroofd, voor den gapenden afgrond des verderfs. Sterven, sterven moeten wij, — en alles hier achterlaten! En dan den levenden God te missen, zonder den Heere Jesus te sterven! verschrikkelijk lot! — Maar niet alleen hetgeen doorgaans het w e r e l d s c h e genoemd wordt, in onderscheiding van het zoogenaamde h e m e l s c h e , is eene ijdele zaak, welke ons teleurstelt en bedriegt, maar ook dit hemelsche, waarbij aan een zichtbaar geestelijk goed gedacht wordt, is, — als behoorende tot de tastbare, zienlijke dingen, — even onbestendig, schielijk verdwijnend; want in dit hemelsche, — in die hemelen onzer
vroomheid en godsdienstigheid, — ontbreekt de eeuwig levende God. En wat is een godsdienst zonder den levenden God? een dienst, die zich voor 't oog bekoorlijk en heerlijk voordoet, maar waaraan liet wezen ontbreekt. Deze kan niet bestaan voor het aangezicht van den heiligen God, die niet gediend wordt met de werken onzer handen, voor Wiens Wet het vroom vertoon volgens onze inzettingen en naar ons goeddunken — ongerechtigheid is. Yermaakt zich nu de goddelooze wereld met het eene, de vrome wereld met het andere, — geven zij elkaar de hand, waar het toch beiden gaat om z i c h t b a re h e e r l i j k h e i d , haar genot is schijn, al haar heil ontzinkt, wanneer de dood door de vensters ziet. „Alle vleesch is als gras" enz. 1 Petr. 1 : 24, 25. Nu roept het Woord Gods ons toe: „wij hebben hier geene blijvende stad", opdat wy gewaarschuwd zijn en vermaand worden, om niet te zoeken de dingen, die beneden zijn, ons geluk niet te stellen in hetgeen voor oogen is, maar te bedenken de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende ter Rechterhand Gods. Maar ach, de wereldschgezindheid steekt zoo diep in ons, wij zijn zulke wereldsche lieden. Met al onzen waan van hemelschgezindheid zijn wij vaak zoozeer vervuld met de dingen der aarde, dat wij in betrachting van het in ons oog hemelsche, niet eens merken, dat wij het wereldsche betrachten. Vandaar komt het, dat de sehjjn voor het wezen aangezien wordt, en er wel eene gedaante van godzaligheid gevonden, maar hare kracht gemist wordt. Neen, het najagen van het ijdele is ons niet vreemd, al breken wij menigmaal den staf over den ijdelen wereldling. Bij veroordeeling echter van eigene aardsch- en wereldschgezindheid, zal men niet op anderen zien, maar zich voor den Heere verootmoedigen: en met beschaamdheid des aangezichts belijdende: „Mijne ziel kleeft aan 't stof", zal de bede niet ophouden: „Heere, wend mijne oogen af', dat zij geene ijdelheid zien; maak mij levend door Uwe wegen". Wandelen wij nu in des Hoeren wegen, aan de hand Zijns Woords, zoo gaan wij eenen weg, in strijd met al liet zichtbare. Dan is geene uitwendige heerlijkheid ons deel; integendeel, wij ontmoeten op ons pad allerlei ellende en smart, vinden er menig kruis. Dan is er geen stil en gerust leven, waarin men zich zegent en te goed doet, maar wij zijn als een schip, dat op de baren der zee heen en weer wordt geslingerd.
Er is een worstelen met de inwendige verdorvenheid en de macht des ongeloofs, die zichtbare heerlijkheid, voelbare rust, tastbaar genot wil; er is een strijd met den listigen verzoeker, die ons van Gods Woord wil aftrekken, die met beloften van rijkdom en eere, van een goed leven, van al de schatten en genietingen der aarde komt, zoo wij maar voor hem ncdervallen en zijnen wil en zijne begeerte doen; er is een kamp met Satans dienaren, die in allerlei gedaanten op ons afkomen, en zij spreken: laat Gods Woord en gebod varen, en gij zult in de wereld voorspoed hebben, of: geef een weinig toe, laat wat van uwe fijne, bekrompene ideeën varen en . . . achting, eer en aanzien is uw deel; gij moet het met de dingen uwer zaligheid zoo streng niet opvatten, de mensch is zoo slecht niet, zoo onvermogend ten goede; zie eens, welk een heerlijken godsdienst w i j hebben, daarin is geest en leven en kracht tot alle heerlijk en schoon werk, maar zooals g i j u beweegt, dat is een koud, geesteloos, al te lijdelijk leven voor een Christen. Zoo opent de wereld hare paleizen voor elk, die van het Woord Gods weinig of veel afgaat, en ach! zij is er blind voor, dat hare paleis :n voor den adem des Almachtigen en alleen-Heiligen ineenstorten.
Waar nu de Heilige Geest in de geloovenden, hoe sterk ook aangevochten, hunnen vijanden te sterk blijft, zoodat zij, hoe zwak ook in zichzelven, als een riet door den wind ginds en weer bewogen, nochtans in Gods Woord blijven, — daar worden zij weldra bejegend met spot en hoon, met heimelijke of openbare lastering en verdrukking ; overal vinden zij tegenspraak en tegenwerking, zij worden als gevaarlijke ketters verdacht gemaakt, of als dweepers en bekrompene lieden, die hun tijd ten achter zijn, beoordeeld en bejegend. Zoo gaan zij dan hun weg eenzaaam en van de wereld niet gekend of veracht.
Wat hebben wij dan hier beneên, wij, die door de genade des Heiligen Geestes het Woord en gebod Gods in eere houden!
De welvaart voor den tijd wordt benijd, de zaligheid der ziel wordt betwist. Strijd is er en aanvechting in- en uitwendig.
En het arme zwakke hart, tegen niets bestand, is zoodra terneergeslagen door verdriet en moeite; och, hoe moedeloos zijn wij al spoedig; waar alle uitwendige heerlijkheid ons begeeft, of wanneer het anders gaat dan wij dachten en wenschten, — maar t o c h , w ij h e b b e n h i e r God den Eeuwig-levende, die niet begeven noch verlaten zal Zijn ellendig en arm volk, dat op Zijnen Naam zal vertrouwen; maar ach! wij ontevredene, murmureerende lieden, kleingeloovigen, als alles ons schijnt tegen te loopen! — maar t o c h , w ij h e b b e n e e n e n God, die niet handelt met ons naar onze zonden, die „weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn"; die ons wel weet tevreden te maken door Zijn Woord, die ons weet te bemoedigen, te troosten, te sterken, — die ons bij a l l en n o o d en s m a r t , in J e s u s t o o n t Zijn V a d e r h a r t.
Moeten wij, die Christi zijn, dan allerlei kruis en lijden in deze wereld hebben, laat ons bedenken, dat ons leven niet anders is dan een gestadige dood; en worden wij om der gerechtigheid wil buitengeworpen door degenen, die meenen te leven, en ziet! zij zijn dood; — ziende op Jesus, die, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zoude heiligen, b u i t e n de p o o r t g e l e d e n h e e f t — „zoo laat ons dan" — dus spreekt bemoedigend een getuige Christi, een lijder en strijder voor Zijnen Naam, — „laat ons tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijne smaadheid dragende; want wij h e b b e n h i e r g e e ne b l i j v e n d e s t a d , maar wij z o e k e n de t o e k o m e n d e ."
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 augustus 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Betrachting over Hebreën 13: 14.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 augustus 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken