Bekijk het origineel

Iets over de wet Gods.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Iets over de wet Gods.

(De tien geboden). (Vervolg.)

7 minuten leestijd

HARE VERVULLING.
De Wet Gods kan ik niet houden, zegt een raensch, en — hij onttrekt zich aan haren eisch, schuilt achter zijne o nm a c h t en verbergt alzoo inderdaad zijnen o n w i l.
Merken wij op de vervulling der Wet v a n Gods z i j d e.
Nemen wij de Wet eens goed voor ons en lezen en hooren met opmerkzaamheid, wat God zegt: „ Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb."
De Heere zegt: Ik ben de H e e r e uw God; Ik bevrijd u van de tirannie des duivels (den helschen Faraö). Ik heb u uit zijnen harden, wreeden dienst uitgeleid. Ik red u, Ik help u, Ik heb u verlost, Ik doe het en zal het doen; of welke beteekenis heeft anders het heerlijke opschrift van de Wet des Hoeren?! God sprak al deze woorden; Hij is het, die met heiligen ernst eischt; maar wat Hij eischt, op de vervulling waarvan Hij bij den mensch staan blijft, dat v e r v u l t H i j ook. Hoe vervult Hij dat? Dat ligt in de getuigenis: Ik ben de H e e r e uw God, die u verlost heb. Is dat niet eene getuigenis Zijner liefde, barmhartigheid en trouw, — niet eene heerlijke belofte Zijner genade ?! Zie, hierin ligt de macht tot vervulling , ja de vervulling zelve. Zij ligt in God den Heere, d i e i s d ie H i j i s , Jehovah, Ik zal zijn, die al datgene voor Zijn volk is en blijft, wat Hij den vaderen beloofd heeft hun te zullen zijn.
Maar hoe is deze vervulling openbaar geworden? Zij is openbaar in Zijne woorden : „Ik ben de Heere uw God."
Nader verklaard : zij is openbaar en alzoo geschonken in Christus Jesus, die aan de vaderen beloofd is, in Wien a l le beloften Gods, zoovelen als er zijn, j a en amen zijn, Gode tot heerlijkheid, Zijne gerechtigheid zoowel als Zijne genade verheerlijkende. Of is de Christus niet van het paradijs af — sedert den zonde-val — geopenbaard ? En van dezen Christus staat geschreven: „Komende in de wereld, sprak Hij: Zie, Ik heb lust, o Mijn God ! om Uwen wil te doen, en Uwe Wet is in het binnenste Mijns ingewands." (Ps. 40.) „Komende in de wereld", wanneer? Wel, sedert God Hem beloofde als Dengene, die onze zonde, schuld en vloek op Zich zou nemen, die ons alzoo uit de hel, uit 's duivels wreeden dienst zou uitrukken, uitleiden.
Zoo ligt dan de vervulling van Gods woorden, van Zijne heilige Wet in God, in Zijne eeuwige goedertierenheid, in Zijne almachtige en vrijmachtige genade, in Zijne onuitsprekelijke en ondoorgrondelijke liefde in Christus Jesus, Zijnen eengeboren Zoon, die in de volheid des tijds gekomen is, van God uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de Wet, opdat Hij degenen, die onder de Wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden (Gal. 4: 4, 5).
En nu de blik op de vervulling o n z e r z i j d s ! Och, welke booze, goddelooze schepselen zijn wij! Het is alles verdraaidheid en verkeerdheid bij ons. Overtreders zijn wij van de heilige Wet met gedachten, woorden en werken. Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der Wet Gods niet, en het kan ook niet (Rom. 8 : 7).
Hatelijk zijn wij en elkander hatende (Tit. 3 : 3). Niet slechts tegenover den ernst en eisch van Gods Wet hebben wij onze volslagene ongelijkvormigheid en algeheele machteloosheid geopenbaard; maar ook tegenover de goedertierenheid en barmhartigheid Gods en hare vervulling in Christus .Tesus hebben wij betoond, hoe onverschillig en vijandig wij zijn. Zoo is dan de vervulling eeniglijk aan Gods kant; aan onze zijde bestaat alleen overtreding. — Nu gaat het echter om den w a n d e l in Gods Wet, — hoe komen wij daartoe?
__________

DE WANDEL IN GODS WET.
Op het wandelen in Gods geboden komt het aan. De vervulling is aan Gods zijde, de overtreding aan onzen kant.
Hoe komt dan een mensch „in deze vervulling" in, zoodat hij in overeenstemming met de Wet is en leeft? — Het staat vast, dat wij niet aldus mogen redeneeren : ik kan de Wet niet houden, maar zij is vervuld in Christus Jesus, — welnu, wat heb ik mij Jan over dén eiseh van Gods geboden te bekommeren, ik houd mij afin het Evangelie, e n . . . laten zoo de Wet de Wei, en gaan onzen eigenen gang. Dat is de lust des vleesehes, en is het bedrog dea duivels.
Voorzeker, het komt wel degelijk aan op den w a n d e l in Gods Wet, zooals zij in Christus Jesus vervuld is. Daarom, de oprechte, die voor 's Hoeren Wet beeft, vraagt mot ernst: hoe kom ik er toe? liet antwoord is: beken allereerst, dat gij een overtreder zijt, — geef Gods Wet, die u gansch zondig en onrein verklaart, gelijk,; belijd voor God, zeg liet llem, dat gij boos en goddeloos zijt, dat het „vervloekt is een iegeljjk enz.1 ' u geldt. De lleere God toch heeft lust tot waarheid in liet binnenste, in deze waarheid, dat gij het Hem zegt: „Tegen U, U alleen lleere! heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uwe oogen; Opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten, /ie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen" (Ps. 51). Dat is de weg tot een wandel in Gods geboden. En waar dit in hef, hart ligt, den mensch ernst is, daar ontstaat een heftige kamp, eene worsteling op leven en dood; want hier ervaart men dit: ik moet ( ï o d s w ó ó r d e n „al deze woorden" g e d a a n h e b b e n en d o e n , en ach! ik k a n n i e t ; hier ervaart men, wat de Apostel Paul lis getuigde: „de Wet is geestelijk, maar ik beu vleeschelijk, verkocht onder de zonde." (Bom. 1 : 14.) Nochtans in dezen weg alléén komt men tot het hoe van eenen wandel in Gods Wet. Daar wordt men voor Gods ''aangezicht al meer, al grooter zondaar, een geheel goddelooze, een gansch onreine. ITier kan men zich met zijne onmacht en zijn diep bederf niet meer verontschuldigen; men bevindt zich in waarheid Gods schuldenaar, en, wijl men geenen penning heeft om zijne schuld te betalen, veroordeelt men zich als gansch doemwaardig. Het gaat de ziel om (iods wil, deze moet gedaan zijn, al zou men daarbij ook te gronde gaan. Zie, daar wordt het eene afgesnedene zaak door onszelveu, met de e i g e n e vervulling der Wet in „zijn" en „wandelen" gaan wij in den dood, en liggen voor God ter neer als onvruchtbaren, uit wie in der eeuwigheid geene vrucht komt ten leven. Maar juist in dien dood vindt men het leven. Waar? hoe? !n Christus Jesus, die overgeleverd is om onze zouden en opgewekt om onze reehtvaardigmaking, die met de macht Zijner opstanding werkt in en door onzen dood heen, die Zijn werk verheerlijkt in allen, die met hun werk zijn omgekomen. Daar ziet men zich dooi1 het geloof der werkiuge Gods ingezet in eene vervulde Wet in Christus .Jesus, in die schepping, waarin ons „als maaksel Gods" niets ontbreekt tot eenen wandel in Gods geboden. (Efez. 2 : S—10.)
Zoo kan men het noch in den goddeloozen noch in den eigengereehtig-vromen wandel des vleesehes uithouden, maar er is aan de hand des Heiligen Geestes een wandelen in het pad van Gods geboden, en de bede leeft in het hart: „Heere, leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God, Uw goede Geest geleide mij in een effen land."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 oktober 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Iets over de wet Gods.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 oktober 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken