Bekijk het origineel

Bij het einde des jaars.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bij het einde des jaars.

8 minuten leestijd

„Leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen." Psalm 90: 12.

Al wat tijdelijk is vergaat, al wat begonnen is heeft een •einde. Het jaar, hoe lang het ook aanvankelijk sehijne, is toch zoo spoedig vervlogen, en voorbij is weder al datgene, wat een jaar geleden nog in den donkeren sluier der toekomst lag gehuld. Yeel veranderde op aarde; velen gingen henen om hier niet weder te keeren, en op de ledige plek, door den eenen achtergelaten, zet een ander zich neer, om straks, vroeger of later, wederom die plaats ledig te laten. Zien wij om ons heen, dan ontwaren wij meer en meer een hijgend jagen naar het einde, bij eene steeds toenemende openbaring van zoude en ongerechtigheid. Rondom ons, — en in eigen kring, — ja zelfs in het eigen liart zien wij den moordenaar der zielen binnensluipen, die, ware het mogelijk, zelfs de uitverkorenen zou verleiden, en bij al het roepen van vrede, vrede, — is er toch overal verdeeldheid en twist.
Toch, bij al wat wisselde of verging, bij al wat tegenstond of afweek, bleef voor het arme volk, dat op 's Heeren heil lioopt, het W o o r d huns Gods, het Woord van trouwe en genade, van ontferming en barmhartigheid, van troost en moedgeving te midden van den lieeten strijd, dien zij tegen zonde, duivel en wereld, hunne doodvijanden, te voeren hebben,—en dit Woord betoont zich steeds als een levend Woord aan hunne harten. En terwijl al het vergankelijke zijne onbestendigheid en wankelbaarheid vertoont, blijft het waarheid, wat de Heere Jesus zegt: „De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan," en wat wij lezen : „Alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als eene bloem van het gras. Het gras is verdord en zijne bloem is afgevallen; maar het Woord des Heeren blijft tot in eeuwigheid." Dit geldt van de gansche Heilige Schrift, aan welke wij als hot eeuwig en onveranderlijk getuigenis Gods de eerste plaats moeten geven in hart en huis, in school en kerk in raadsvergadering en bij de volksvertegenwoordiging; het geldt ook de prediking van dat Woord, waar het naar de meening des Geestes tot de Gemeente wordt gebracht en voorgesteld niet als der menschen woord, maar, gelijk het waarlijk is, als Gods Woord. En deze prediking, — wat zegt zij ons anders dan: „Het heeft u bedorven, o Israël! want in Mij is uwe hulp."
Alle vleesch heeft zijnen weg bedorven, maar God ziet Zijn volk in genade aan in Christus Jesus, die gisteren en heden en tot in eeuwigheid Dezelfde is. Waar dat Woord heerschappij voert, en men zich aan die prediking onderwerpt, daar erkent men zijne eigene doemenswaardigheid en nietigheid, daar werpt men zichzelven met al het zijne overboord, daar ervaart men, dat er eeuwige armen van genade zijn, die voor omkomen en verzinken bewaren; daar leert men met Abraham, Izak en Jakob hier als vreemdelingen te verkeeren en de stad te zoeken, die fundamenten heeft, wier Kunstenaar en Bouwmeester God is, en bidt men met Mozes : „Leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen."
Nadat de Psalmist Gods voorzienigheid en macht heeft geprezen, de broosheid, ellende en kortheid van het menschelijk leven heeft beschreven, en als de oorzaak van dit vergankelijke de verbolgenheid en den toorn Gods over onze ongerechtigheid gesteld heeft, uit hij zich eindelijk in dit smeekgebed, dat ieder van 's Heeren kinderen tot het zijne maakt bij de wisseling van tijden en het heenvliegen der jaren.
Mozes spreekt van „dagen tellen" en wijst hiermede den korten duur van ons leven aan, alsmede dat wij acht zullen geven op de dagen, die ons te leven gegeven zijn, naar de vermaning des Apostels (Efez. 5 : 15: 16). „Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen maar als wijzen, den tijd uitkoopende, dewijl de dagen boos zijn." Hoe menigeen had zich niet voorgesteld nog j a r e n des levens voor zich te hebben, en zie, God sneed zijnen levensdraad af, — het einde was daar.
Ook wijst dit woord ons henen op Vs. 4, alwaar wij lezen, dat duizend jaren in 's Heeren oogen zijn als één dag, als de dag van gisteren als hij voorbijgegaan is, en als eene nachtwaak. Waar voor God de tijd zoo ligt in hare wisseling, zouden wij daar ons den tijd lang mogen voorstellen , wij, die van gisteren zijn, en wier dagen zijn als eene afgaande schaduw? Neen, zoo antwoordt Gods getuigenis; God wil van ons, dat wij rekening houden met den tijd onzes levens, met de kortheid en vergankelijkheid van ons bestaan, en wij gedachtig zijn aan Hem, Die eeuwig is, en aan de eeuwigheid. Doch waar blijven wij dan met onze gedachten aan het stoffelijke, met ons gehecht- ja vastgekleefd-zijn aan de aarde, met al hetgeen ons daaraan boeit en ons doet leven, alsof wij hier eeuwig zouden blijven ? Welke pogingen wendden wij meermalen aan, als het geweten beschuldigde en schrik van rondom was, om ons los te maken van deze kluisters, doch hoe meer wij poogden onszelven te bevrijden, des te meer ontwaarden wij, dat onze kracht niets beteckende, en wij niets vermochten.
Wat raad dan? Wat te doen? — Hier hebt gij in uwe machteloosheid een gebed tot den eeuwigen en almachtigen God: Leer ons onze dagen tellen; leer ze ons zoo tellen, dat dit er de vrucht van zij, dat wij een wijs hart bekomen. Heere! bepaal Gij Zelf ons bij onze nietigheid en broosheid; maak G ij Zeli ons los van het stof, opdat wij op Uwe daden merken; — en dit gebed wordt gewisselijk verhoord. Daarvoor is ons 's Heeren Naam en Zijne trouwe borg; daarvan gaf ons onze Heiland de verzekering in Zijn woord: „Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: al wat gij den Vader zult bidden in Mijnen Naam, dat zal Hij u geven."
Met welk doel smeeken wij dan van Hem, dat Hij ons leere onze dagen te tellen? Het is opdat wij een wijs hart bekomen. De mensch , zooals hij uit Adam is, is vervreemd van God en van Zijn leven, heeft alle wijsheid en verstand verloren. Een wijs hart nu is zulk een hart, dat van zichzelven zijne dwaasheid erkent en Agur's belijdenis (Spr. 30 : 4) op zich toepast. Een wijs hart is bij hem, die geleerd heeft niet op zijn hart te vertrouwen, want: die op zijn hart vertrouwt is een zot (Spr 28 : 26). Een wijs hart is een door den Heiligen Geest verstandig gemaakt hart, om zijn heil en zijne zaligheid te zoeken en te verwachten van Jesus Christus, en in Hem alleen rust en waren zielevrede te vinden; dit hart wordt gedurig geleid in de wijsheid Gods, zoodat het al het wereldsclie en vergankelijke als dwaasheid mag beschouwen.
Zulk een wijs hart te hebben is eene genade Gods; derhalve zijn zij, die meenen, het bij zichzelven te bezitten, er van verstoken, eu allen, die zich op de wijsheid huns harten voorstaan, hebben Hem niet gekend, die de Opperste Wijsheid is, en Zich als zoodanig aan de dwazen heerlijk openbaart en die ons van den Vader geworden is tot W ij s h e i d, en zij hebben dan ook, zoo zij in hunne ongerechtigheid blijven, te verwachten, dat zij voor den troon des Allerhoogsten eenmaal beschaamd zullen staan, als zij in hunne dwaasheid voor allen openbaar woorden, als die zich aan deze Wijsheid hebben gestooten, den duivel hebben gehoor gegeven, en het getuigenis der waarheid verworpen, welker einde uitloopt in eeuwige ellende.
„Leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen" blijve derhalve onze bede, ook waar het jaar onzes Heeren 1888 daarhenen is gesneld. Gaan wij met deze bede gemoedigd den nieuwen jaarkring in, wetende, dat onze God leeft, de eeuwig getrouwe God, bij Wien geene verandering noch schaduw van omkeering is, wetende, dat Hij zorgt en waakt, dat Hij eeuwighjk trouwe houdt, dat Hij Zijne ellendigen nimmer begeeft of verlaat, maar in den Zoon Zijner liefde steeds bij ons blijven zal (Matth. 28 : 20).
Deze Zoon Zijner liefde kwam in de wereld in onzen toestand, om ons te verlossen uit de hand onzer vijanden, opdat wij Hem dienen zouden zonder vreeze, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens. (Luk. 1 : 74, 75.)
En als wij terugblikken op den weg, die achter ons ligt, op hetgeen wij dit jaar ondervonden, op al de blijken van Gods genade en trouw, tegenover onze zonde en ontrouw, dan zij en blijve onze belijdenis: Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijne barmhartigheden geen einde hebben, zij zijn alle morgen nieuw, Uwe trouw is groot. De Heere is mijn deel, zegt mijne ziel, daarom zal ik op Hem hopen. De Heere is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziel, die Hem zoekt. (Klaagl. 3 : 22 — 25.)
Snelt dan, jaren, snelt vrij henen
Met uw moeite en verdriet;
Welk een ramp ik moog beweenen,
God, mijn God, verandert niet:
Blijft mij alles hier begeven,
Voortgeleid door Zijne hand,
Voert Hij uit 't vergank'lijk leven
Mij in 't eeuwig Vaderland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 december 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Bij het einde des jaars.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 december 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken