Bekijk het origineel

Hoofdstuk IV. — Chiavenna. (Vervolg en slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoofdstuk IV. — Chiavenna. (Vervolg en slot.)

Hieronymus Zanchius. (Een getuige uit de zestiende eeuw.)

5 minuten leestijd

In Zürich was het kerkwezen geheel met de staatsinrichting samengegroeid, en Bullinger verdedigde dat stelsel, of was, zooals wij thans zeggen, de man van de staatskerk. Zanehius nochtans stond lijnrecht daartegenover. Hij trad wel niet aanvallend tegen dat stelsel op, waar hij het aantrof, doch hij deelde in de voorliefde zijner landgeiiooten voor eiken vorm van onafhankelijkheid der kerkregeering van den Staat. Inzonderheid behoorde volgens hem de tucht een uitsluitend recht te zijn der Kerk en niet van den Staat.
Van uit zijne wijkplaats onderhield hij eene levendige briefwisseling met zijne oude vrienden te Straatsburg, met Hubert en Sturm en evenzeer met Bullinger. Tot zijnen troost las hij hier „op zijnen Wartburg" de Profeten, en verzamelde de bouwstof voor eene geschiedenis van zijn lijden te Straatsburg onder Marbach. Hij zond die met een uitvoerig schrijven, dat in druk juist 100 bladzijden beslaat, aan Landgraaf Philip van Hessen af, die echter bij de aankomst dezer manuscripten reeds gestorven was. Later gaf hij alles, wat op deze geschillen betrekking had, benevens dat schrijven, in druk bij Oporin te Bazel. Crespin te Genève voltooide het; by hem verscheen dit werk, zonder aanwijzing van drukkeren plaats, in 1566 onder den titel: Hieronymi Zanchii miscellanea Iheologica (onderscheidene theologische geschriften van Ilieronymus Zanehius). Zij bevatten den brief aan den Landgraaf, welke uitvoerig alle bijzonderheden van dien Straatsburgschen strijd vermeldt, stellingen, de aktestukken van dien strijd, de goedkeuringen, die van allerwege Zanehius toekwamen, eenige voorlezingen, die hij gehouden had over het einde der wereld, de volharding der heiligen, over de genade, de verkiezing, enz. Later werd dit belangrijk geschrift te Neustadt, 1608, weder gedrukt.
In de bijeenverzamelde werken van Zanchius maakt het van het zevende deel het eerste stuk uit. Ook tegen den Anti-trinitariër uit Polen, met name Peter Gonesius of Conyza, schreef hij hier eene verhandeling en de divorlio deque novis post divortium nuptiis libri duo, of twee boeken over de echtscheiding en het opnieuw in het huwelijk treden. Het volgende voorval gaf hem daartoe aanleiding. Een door de inquisitie vervolgde Italiaan was naar Chiavenna gekomen, waar hij gastvrij werd opgenomen. Zijne gade weigerde evenwel, in weerwil van zijne dringendste beden, hem met hunne beide kinderen te volgen. De Roomsche priesters van hare woonplaats hadden haar zoo bewerkt, en alle gevoel van liefde en plicht jegens haren man zoozeer weten te verstikken, dat zij hardnekkig verklaarde niets meer met eenen ketter te doen te willen hebben.
Toen liet zich dan ten laatste na jarenlange vergeefsche pogingen de man scheiden. De magistraat won eerst het gevoelen der beide predikanten in. Zanchius en Fiorillo wezen op 1 Corinthen 7: 12 vv. zoowel als op het voorbeeld van Galeazzo Cavacciolo en verklaarden zulk eene scheiding voor geoorloofd.
Zanchius vond ook te Chiavenna de ruste niet, naar welke hij in den strijd te Straatsburg dikwijls te vergeefs gesmacht had, ja, hij meende van Scylla op Charybdis vervallen te zijn. Zijne beslistheid in de belijdenis mishaagde zijnen landgenooten. Toen dus Ulysses Martinengo, die hem trouw aanhing, hem weldra verliet en daarop ook zjjn hem zoo waarde Sylburger, gevoelde hij zich ook hier recht verlaten. In zijnen ambtsbroeder Fiorillo had hij niet slechts geen vriend, maar veeleer bepaald eenen vijand. Deze, zooals reeds aangestipt, tamelijk onrechtzinnig, was reeds dadelijk vol ijverzucht, omdat Zanchius als eerste leeraar was gekozen geworden. Hij werd mettertijd al meer en meer vijandig jegens hem gezind en stelde alles in het werk, opdat Zanchius zou verwijderd worden.
In zijnen strijd, dien hij tegen Zanehius aanbond, wegens de nieuwigheden, die zich deze met het oog op eene strenge kerkelijke tucht veroorloofde in te voeren, en wegens de leer der Drieëenheid, zocht de Synode van Rhetië te vergeefs bemiddelend op te treden. In Mei 1564 ging Zanchius naar Chur, daarop naar Piuri tot zijne nabestaanden. Deze, die grooten invloed hadden, richtten zich ten zijnen behoeve tot Morbegno, waar men juist eenen leeraar zocht. Beza schreef hem, dat hij toch naar Genève komen zou. Dit laatste wilde Zanchius niet, liever schreef hij, zou hij in Duitscliland eene plaats vinden, omdat hij daar talrijke vrienden had, en hij, te zeer aan Duitsche zeden gewoon geraakt was, om zich elders op zijn gemak te gevoelen. Deze wensch zou weldra vervuld worden. Was ook Zanchius te Chiavenna als tusschen de bergen begraven, zoo hadden zijne vrienden hem toch niet uit het oog verloren. Vooral de professoren der theologische faculteit in Heidelberg hadden den trouwen getuige der waarheid, om welke hij te Straatsburg zoo veel uitgestaan hadr in dankbare herinnering gehouden, en trachtten hem voor zich te verkrijgen. „O, hoe gaarne", schrijft Ursinus den 9den Juni 1567 aan Bullinger, „zou ik hem den leerstoel der dogmatiek afstaan!" „Ook Bullinger", zegt Sudhoff in zijnen „Olevianus en Ursinus", pag. 335 vv., „werd met de plannen bekend gemaakt, maar kon zich niet onthouden, als ijverig voorstander eener staatskerk, den Heidelbergers zijne bezwaren tegen het standpunt te kennen te geven, dat Zanchius met zijne Italiaansche landgenooten in de vraag over de verhouding van de Kerk tot den Staat en voornamelijk in zake eener zuiver kerkelijke tucht had ingenomen. In dit punt waren de gevoelens der Zürichers ruimer, terwijl zij aan den Staat veel overlieten, wat de zaak en het ambt der Kerk is. Nochtans scheen de overkomst van Zanchius den Heidelbergers zóó gewenscht, dat zelfs Erastus, die, zooals bekend is, nog minder dan de Ziirichers met eene kerkinrichting naar de meening van Zanchius ingenomen was, voor zijne beroeping stemde.''
Ursinus verklaarde zelfs aan Bullinger, dien hij opwekte voor deze beroeping alles in het werk te stellen, dat zij voorzeker voor de Palts, ja voor het gansche Duitsche vaderland tot rijken zegen strekken zou. Zoo verliet dan Zanchius nog in December 1567 zijne toenmalige Gemeente, tot welker wasdom hij, volgens getuigenis van eenen tegenwoordigen leeraar in Veltlin, G. Leonhardi te Poschiavo (Marriot, de ware Protestant, Deel 5, blz. 314) veel heeft bijgedragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Hoofdstuk IV. — Chiavenna. (Vervolg en slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken