Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De reiniging van een melaatsche

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De reiniging van een melaatsche

(Matth. 8 : 2-8.)

10 minuten leestijd

,,En ziet, een melaatsche kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. En Jesus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende : Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijne melaatschheid gereinigd. En Jesus zeide tot hem: Zie, dat gij dit niemand zegt; maar ga heen, toon uzelven den priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis."

Als de Heere Jesus hier op aarde rondging, alom goeddoende, getuigde Hij met woord en daad, dat Hij een Helper is in den nood, dat Hij naar den wil Zijns Vaders lust heeft om Zich te erbarmen over den arme en ellendige, over dien, die geenen helper heeft. Ja, Zijne vermakingen zijn met der menschenkinderen; Hij wil hen van zonde en ellende, van nood en dood verlost hebben. Elke bladzijde van de geschiedenis Zijner verschijning in de wereld getuigt het luide, hoe Hij in der waarheid is wat Zijn Naam J e s u s uitdrukt: „Hersteller van eene geheel bedorvene massa; Terugbrenger van alle welvaart en overvloed; iemand , die ruimte verschaft, die uit de engte, uit de benauwdheid en uit den angst bevrijdt." Wel mag het onze opmerkzaamheid trekken, dat de Evangelist Mattheüs, als hij de wonderen der liefde onzes gezegenden Heilands begint te beschrijven, aanvangt met het woordje : „ziet!"
Zie! o blinde, open uwe oogen om te aanschouwen hetgeen God gedaan heeft-en doet! Och! wij menschenkinderen hebben overal oogen voor, behalve voor de wonderen der genade en barmhartigheid Gods. Hoe komt dat? Het komt, omdat wij de zonde en ellende niet recht kennen, niet doordrongen zijn van onzen grooten nood en dood, in welken wrij ons door onzen afval van God gestort hebben.
Maar de liefde Gods wil onze blindheid genezen, en roept daarom door den Heiligen Geest ons toe: Zie! zie, o menschenkind! merk op wie g i j zijt, en wie God is; gij zijt een zondaar, een mensch, die den eeuwigen dood verdiend hebt; God de Heere is de almachtige Ontfermer, die van uwe zonde en uwen dood verlost!
„En zie, een m e l a a t s c h e kwam."
De melaatschheid was eene plaag, waarbij geene andere te vergelijken was, smartelijk en smadelijk beide. In Egypte inheemsch, had God haar ook onder Israël laten blijven, opdat Hij Zijne wonderen ten dezen zou openbaren. Deze vreeselijke krankte veroorzaakte ondragelijke pijnen en smarten , duurde dikwijls jaren lang, soms tot aan den dood des lijders.
Menigmaal werd vel en vleesch verteerd, ja somwijlen verteerde van het lichaam het eene lid na het andere, zoodat genezing hopeloos was. Naar de wretten Gods in Israël maakte deze plage onrein, en was dientengevolge een melaatsche van de samenleving buitengesloten. Daarvan lezen wij Leviticus 13: „Voorts zullen de kleederen des melaatschen, in wien die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: onrein, onrein. Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen, buiten het leger zal zijne woning wezen." Deze verschrikkelijke en afschuwelijke krankte werd onder Israël beschouwd als de zwaarste straf Gods, als Zijn rechtvaardig oordeel over den opstand en de vermetelheid des menschen tegen het Woord Gods, tegen Zijne regeering en inzettingen. Uit de geschiedenis van Mirjam, de zuster van Mozes (Num. 12), en van Uzzia, den koning van Juda (2 Chron. 26), blijkt dit gericht Gods duidelijk; beiden wrerden wegens hun overmoed en hoogmoed met melaatschheid gestraft. Alzoo was de melaatschheid voor Israël een zichtbaar bewijs, welk eene verschrikkelijke zonde de opstand, de rebellie tegen het Woord Gods, tegen de heerschappij der genade is, en hoe zwaar deze misdaad door den Heere gestraft werd, en niets was wel meer geschikt om den mensch te leeren, wie en wat hij op zichzelven is, want het stelde den mensch in al zijne zonde en schande ten toon, openbaarde hem , hoe ijdel de eigengerechtige waan is, waarin de mensch zoo hooge begrippen maakt van zijne gerechtigheid, heiligheid, wijsheid en macht.
De melaatschheid, zij was een beeld van de inwendige krankheid, de zonde en ellende, de algeheele bedorvenheid en onreinheid des menschen, en zij staat ons met de wetten der reiniging Lev. 13 en 14 beschreven, opdat ook wij dooide Wet Gods leeren, hoe groot en vreeselijk deze onze misdaad is, dat wij ons in vermetele eigengerechtigheid tegen God stellen, in den waan dat wij de kennis en keuze van het goede en het kwade bezitten, en anderzijds, opdat wij zullen weten, hoe alleen onze reiniging en heiliging is in het bloed en door den Geest van Jesus Christus, op Wien de TIeere al onze ongerechtigheden deed aanloopen, h e t Lam g e s l a c h t voor onze z o n d e n.
Laat ons bedenken en het in gedachtenis houden, dat juist uit de misdaad van opstand tegen de heerschappij des Woords, van rebellie tegen de regeering van Gods genade alle andere zonden voortkomen; het is de wortel van de overtreding van alle geboden Gods. De grondbedorvenheid, waarvan David in den 51sten Psalm getuigt, zeggende: „zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen", deze bracht bij hem echtbreuk en doodslag voort. En de ontdekking daarvan door den Heiligen Geest deed hem als een gansch melaatsche, door en door onreine tot God smeeken: „wees mij genadig, ontzondig mij met hyzop en ik zal rein zijn!"
Maar letten wij op den melaatsche, die tot Jesus kwam.
Melaatsch, onrein, buiten de samenleving gesloten, mocht hij niet tot Jesus naderen. Opdat ieder hem zou opmerken, en zich uit zijne nabijheid verwijderen, moest hij roepen: onrein, onrein. Maar gedreven door zijne verschrikkelijke plaag vraagt hij niet naar het gebod, hij begeert reiniging, genezing; daar ziet hij Jesus, den Eenige, van Wien hij redding verwacht. Zal hij zich laten weerhouden door het gebod, dat liem als een onreine verbiedt, in het leger, in de Gemeente Gods te komen? Zal hij zich door zijne onreinheid, door welke hij zichzelven buiten moet sluiten, laten afhouden van den Heere Jesus? Neen, de nood, de groote nood zijnerplage dringt hem, hij waagt het door het volk heen, hij komt tot Jesus, aanbidt Hem, valt op zijne knieën, opzijn aangezicht, en zegt: „Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen."
Daar ligt de onreine, de wegens zijne plaag afschuwelijke, de wegens zijne zonde geheel strafbare, aan Jesus' voeten — en het hart en de lippen spreken: „Ontferm U mijner!"
Wat dreef den melaatsche naar Jesus? Voorzeker zijne schrikkelijke kwaal, voorzeker de wetenschap en het gevoel van de grootheid zijner ellende, zijner onreinheid. Maar hoe wist hij, dat de Heere Jesus machtig was om te reinigen, te verlossen? O, wellicht zal hij van andere ellendigen gehoord hebben, dat deze Profeet van Nazareth de machtige en genadige Helper was van de noodlijdenden, dat Hij van de ergste ziekten en kwalen genas. En inwendig dreef hem gewis de Heilige Geest, die hem in zijne melaatschheid zijne zonde, schuld en straf ontdekte en voorhield; de Heilige Geest gaf hem oogen om in J e s u s te zien den H e e r e v an z o n d e en g e n a d e , v a n g e z o n d h e i d en k r a n k t e , van l e v e n en dood.
Immers, uit het geheele gedrag van den melaatsche blijkt dit. Hij komt tot Jesus, valt voor Hem op zijn aangezicht, aanbidt Hem, noemt Hem H e e r e , den machtigen en vrijmachtigen Heere, die hem reinigen kan, zoo het Hem behaagt.
En dat is niet het werk van een mensch uit zichzelven, maar is het werk van den Heiligen Geest. Yleesch, d. i. de mensch naar zijnen aard, zag toen, ziet heden in den Heere Jesus niet den Christus Gods, den eenigen en volkomen Heiland en Helper uit den nood. Yleesch, de mensch naar zijnen aard, helpt zichzelven; al is de nood groot — hij waant zijne kracht en wijsheid nog grooter. Yleesch vernedert zich niet, valt niet op het aangezicht, d. i. de mensch uit zichzelven erkent niet, dat hij stof, aarde en assche is. Yleesch zoekt zijne zonde, zijne onreinheid te bedekken — legt zich niet in zijne schande en onreinheid aan de voeten des Heeren Jesus. Yleesch verwacht niets van het eeuwig Woord, maar alles van menschelijke kracht.
Maar alle menschelijke wijsheid, deugd, vroomheid, kracht en sterkte moet schipbreuk geleden hebben; v e r l o r e n h e i d, deze groote nood moet overgebleven zijn, zoodat de ziele schreit: Geef mij Jesus, of ik ben een kind des doods, — dan is er een vlieden tot den Christus, dan komt men tot Jesus en ligt als een reddelooze en radelooze voor Zijne voeten, dan is er een schreien om ontferming! — Zóó de melaatsche, die tot Jesus kwam. Hij heeft niets dan zijne melaatschheid, dat is zijne onreinheid, zijne zonde, schuld en straf — zijne verlorenheid; hij moet Jesus hebben, of hij komt in zijne ellende om; hij kan het niet langer uithouden in zijne onreinheid. En dat wel kwelt en bezwaart hem het meest, dat hij als een onreine van de gemeenschap Gods verstoken is, dat hij God mist; daarom bidt hij om r e i n i g i n g en niet om genezing.
Maar wèl bewust, en ten diepste overtuigd, dat hij wegens zijne zonde en schuld de straf heeft verdiend, die in de melaatschheid op hem was, — dat hij niet waardig is, er geen recht of aanspraak op heeft, om van zonde, schuld en straf verlost te zijn — bidt hij: „Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen." Dat hij zóó bidt, is niet een zekere twyfel aan des Heeren wil, maar het is een zich overgeven aan de vrijmacht des Heeren, een zich overgeven op genade en ongenade. Hij zegt zooveel als: i n d i e n het U b e h a g en m o g e om op mijne ellende neer te zien, en U mijner te erbarmen — Gij k u n t mij r e i n i g e n , dat weet, dat geloof ik.
O, ik melaatsche, ik ben een zondaar, een schuldige en onreine, geheel en al — niet anders heb ik verdiend dan eeuwig van de heilige woning Gods uitgesloten te zijn — maar: Heere! indien Gij wilt — Gij kunt mij reinigen. Aan Uwe vrijmachtige ontferming geef ik mij over. Kom ik om, zoo kom ik om.
Zóó ligt hij daar voor de voeten des Heeren Jesus — van den machtigen, eeuwig gezegenden Heiland. De melaatsche, daar in het stof geknield voor Hem, van Wien geschreven staat: „om de overtreding Mijns volks is de plaag der melaatschheid op Hem geweest." Zal deze Drager onzer ongerechtigheên den in het stof gebogene vertreden, zal Hij voorbijgaan zonder acht te slaan op zijne bede, zonder neer te zien op dezen ellendige? Zal de eeuwige Ontfermer den om erbarming schreiende vergeefs laten roepen? Zal Hij Zich van hem afwenden, hem den rug toekeeren? Neen en nogmaals neen! Waar een arme, een ellendige, een zondaar, een goddelooze, een gansch schuldig en doemwaardig mensch tot den Heere Jesus komt, zich aan Zijne vrijmachtige ontferming overgeeft — daar zal Hij niet afwijzen, niet verstooten, niet uitwerpen. Wie zich voor Jesus' voeten neerwerpt, dien kan Hij niet voorbijgaan; kan het niet en wil het niet; want het is Zijn ambt, het is Zijn lust en vermaak, dat Hij den zoodanige opricht en helpt; dat is naar Zijne eeuwige liefde en onwankelbare trouw. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juli 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

De reiniging van een melaatsche

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juli 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken