Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ter verklaring van Leviticus 2.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ter verklaring van Leviticus 2.

De wet van het spijsoffer. (Vervolg.)

8 minuten leestijd

Op deze meelbloem zal olie gegoten worden ; zoo ook zal het gebak, daaruit gemaakt, met olie gemengd zijn, en op het klein gebroken graan, dat als spijsoffer gebracht wordt, zal ook olie gedaan worden. De olie is beeld des Heiligen Geestes, der zalving met den Heiligen Geest. Juist in de zwakheid des vleesches, dat de Heere voor ons aangenomen en gedragen heeft, juist in dat nameloos lijden, toen Hij als verbroken en verbrijzeld werd, toen Hij daar stond als een, die niets heeft en niets kan, — toen is op Hem gekomen de Heilige Geest, waarmede Hij gezalfd werd, en is Hij door dien Geest gehouden, gedragen, gedreven geworden, om alles uit te voeren naar den wil des Vaders, om alles te voleinden naar gerechtigheid, om te blijven in het geloof, in de gehoorzaamheid , — en zoo voor allen, die naar gerechtigheid hongeren , eene ware spijs te worden ten eeuwigen leven.
Bij die olie wordt ook wierook gelegd. Deze wierook is een beeld des gebeds. Zoo lezen wij Ps. 141 : 2: „Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht," en dat reukwerk was van wierook. Ook in de Openbaring van Johannes lezen wij herhaalde malen van zulk reukwerk, „welke zijn de gebeden der heiligen" (Hoofdst. 5 : 8 ; vergel. 8: 3, 4). Dat zijn dus hier de gebeden Christi, al de Psalmen, die uit de zwakheid des vleesches, door den Heiligen Geest tot God opstegen. Overal zien wij de gebroken, gebakken meelbloem, of gekookt in de pan, en dan de olie des Heiligen Geestes; en hoe komen de gebeden, de verzuchtingen, het schreeuwen uit de diepte op! Hoe waar is het, wat de'Apostel schrijft (Hebr. 5 : 7): Die in de dagen Zijns vleesches, gebeden en smeekingen tot Dengenen, die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd heeft — en is verhoord uit de vreeze. Dat is de wierook, dat zulk reukwerk! Ook het Hoogepriesterlijk Gebed, toen onze Heere gereed stond, om als offer op het altaar te worden aangestoken, was zulke wierook.
Van dat alles neemt nu de priester eene handvol en steekt het aan. Onze Heere Jesus Christus heeft het wel op Zich genomen, dat Hij onze spijs wil worden, — maar als Priester geeft Hij. het Gode in de vlammen. Plet komt alles eerst aan het kruis, alles in den vuurgloed van Gods toorn en gericht, omdat wij alles verzondigd hebben. Zoo wordt de verzoening aangebracht, en door dezen gloed door, van het kruis af, komt ons toe en wordt ons ten deel al wat voor ons het leven en de spijs is van onze ziel en van ons lichaam.
Zoo wordt het als een gedenkoffer aangestoken op het altaar, — zoo stijgt het op tot God, dat Hij gedenkt aan dengene, die meent van God vergeten te zijn. Daarom wordt ook den met God worstelende in Psalm 20 toegebeden: „Hij gedenke al uwer spijsofferen". De dood van onzen Heere Jesus Christus, Zijn lijden, Zijne verdienste, wordt Gode zoo voorgehouden, opdat Hij daaraan g e d e n k e , — dat Hij gedenke aan Zijn verbond, aan Zijne beloften. O, dit gedenken, — als men zoo daarheen gaat in het gevoel, van God vergeten te zijn en te moeten zuchten: „Hoe lang, Ileere! zult Gij mij steeds vergeten?" — en nu leest gij dit genadige Evangelie; kom tot het altaar, kom met uw spijsoffer, kom met Christus, zooals Hij al uwe zonde door Zijn lijden verzoend, zooals Hij daardoor alles voor u verworven heeft, kom met Christus, — het komt voor God in de gedachtenis, Hij gedenkt, Hij gedenkt aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob, Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid. (Ex. 2: 24; Ps. 105 : 8.) Daarom hebben wij zoo dikwijls gebeden : „Gedenk, Heere! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid." (Ps. 25 : 6.) „Gedenk mijner, o Heere! naar het welbehagen tot Uw volk". (Ps. 106: 4.)
Zulk gebed gaat op tot den Heere op grond van dit spijsoffer en met dit spijsoffer; want het is een vuurojfer, — in het Hebr. staat alleen een „vuur" — tot eenen liefelijken reuk den Heere". (Vs. 2, 9.) De Vader heeft een welgevallen aan de volkomene gehoorzaamheid onzes Heeren Jesus Christus, aan Zijne liefde, waarmede Hij Zichzelven overgegeven heeft.
Bij den doop van onzen Heere Jesus Christus in de Jordaan door Johannes den Dooper hebben wij het gansche spijsoffer voor onze oogen. Jesus staat er, als de ware meelbloem, gebroken en verbrijzeld onder den last onzer zonde, als het Lam Gods, dat de zonde der wereld draagt; Hij bidt; uit Zijn hart komt het reukwerk van wierook op tot den Vader, Zijne eenige toevlucht; en nu komt op Hem de olie des Heiligen Geestes, en de stem van den Yader wordt gehoord: „Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!" Dat is een liefelijke reuk den Yader; want kan er eene grootere liefde zijn, dan zichzelven voor vijanden over te geven P Daarom zegt ook de Apostel Paulus Efez. 5 : 2 : „Wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot eene offerande en een slachtoffer, Gode t o t e e n e n w e l r i e k e n d en r e u k . " En God heeft er ook een welbehagen aan, het is Hem een liefelijke reuk, indien gij komt en bekent: Ik heb het alles, wat Gij mij gegeven hebt, verdorven door mijne zonden, maar ik houd mij aan mijnen Heere en Heiland Jesus Christus, Hij heeft alles hersteld, met Hem kom ik tot U, voor Uw aangezicht, schenk mij opnieuw Uw heil, Uwe genade!
Dat is echter alleen het geval, als er twee dingen in acht genomen worden, waarop ook hier in deze Wet des Heeren wordt heengewezen, t. w. er mag iets nooit bijkomen, en iets mag er nooit ontbreken. Wat er nooit mag bijkomen, bij zulk een spijsoffer, is: zuurdeesem, dat heeft de Heere immers ook bij het Paaschfeest verboden; als het Paaschlam geslacht en gegeten wordt, mag er geen zuurdeesem in de huizen zijn, en mogen zij alleen ongezuurde brooden eten. Waarom toch heeft de Heere zoo streng daarop gehouden, dat bij het Paaschlam geen gedeesemd of gezuurd brood gegeten worde, zoodat Hij Zelf zegt: „al wie het gedeesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israël uitgeroeid worden?" en waarom insgelijks ook hier bij de verordening van het spijsoffer, Ys. 11: „Geen spijsoffer, dal gij den Heere zult offeren, zal met deesem gemaakt worden; want van geen zuurdeesem, en van geen honig (want deze veroorzaakt ook gisting) zult gijlieden den Heere vuuroffer aansteken." — Hebt gij niet gelezen, wat de Heere Jesus zegt tot Zijne discipelen (en heeft Hij het gezegd tot Zijne Discipelen, zoo denk niet bij uzelven: ik heb zulks niet meer van noode!): „Yoorecrst wacht uzelven voor den zuurdeesem der Parizeen, welke is geveinsdheid." (Luk. 12 : 1.) En wat de Apostel Paulus der Gemeente vermanende toeroept (1 Cor. 5 : 6—8): „Weet gij niet, dat een weinig zuurdeesem het geheele deeg zuur maakt? Zuivert dan den ouden zuurdeesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. Zoo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdeesem, noch in den zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde brooden der oprechtheid en der waarheid." Dus beteekent de „zuurdeesem" de Farizeesche gezindheid, geveinsdheid, eigengerechtigheid, onoprechtheid voor God. Zulke gezindheid kan niet samengaan met het geloof aan onzen Heere Jesus Christus. Waar gij de toevlucht neemt tot den Heere Jesus Christus, waar gij u aan Hem houdt, laat daar varen uwe eigengerechtigheid, geveinsdheid, alsof gij zelf nog iets zoudt kunnen brengen, alsof nevens Zijne genade nog eene verdienste van uwe zijde, nevens Christi werk nog eene eigene heiligmaking zou kunnen bestaan, al ware het maar een weinig. „Een weinig zuurdeesem verzuurt het geheele deeg" (Gal. 5 : 9). Daarmee wordt alles bedorven en Christus verloren. Daarom, waar de prediking van Christus komt of aangenomen wordt, mag er geen zuurdeesem bijkomen.
Wat Vs. 12 bijgevoegd is, moet beter zóó vertaald worden: Als offeranden der eerstelingen zult gij ze den Heere offeren t. w. zuurdeesem en wat daarmede of met honig toebereid is , dat mag wel als offerande der eerstelingen den Heere gebracht worden, maar dat mag dan niet op het altaar komen, want het beteekent de vrucht van hetgeen de Heere Jesus door Zijn lijden en sterven verworven heeft, en dat behoeft niet weder op het altaar te komen, — want de Heere, eens geleden hebbende en gestorven zijnde, sterft niet meer, komt dus niet nog eens op het altaar, maar leeft, en wat Hij leeft, leeft Hij Gode. Bij zulke eerstelingen is de zuurdeesem beteekenende den Heiligen Geest, want Deze maakt, dat de eerstelingen niet dood blijven liggen; waar Hij komt, daar gist het, daar wordt het levend. (Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Leviticus 2.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken