Bekijk het origineel

Eene overdenking naar aanleiding van Jesaja 40 : 3—5. (Vervolg en Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eene overdenking naar aanleiding van Jesaja 40 : 3—5. (Vervolg en Slot.)

10 minuten leestijd

,,Eene stem des Roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt recht in de wildernis eene baan voor onzen God! Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot eene vallei gemaakt worden. En de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden; en alle vleesch te gelijk zal zien, dat het de mond des Heeren gesproken heeft."

Maar nu is de taak van dien bode niet alleen, dat hij de komst van den Koning vooraf verkondigt, maar ook, dat hij alle beletselen en hinderpalen, die in den weg zijn, wegruimt, opdat de Koning alleszins ongehinderd op Zijnen weg moge zijn. Vandaar de onuitsprekelijk zoete prediking der genade, die in de woorden ligt opgesloten: „Bereidt den weg des Heeren, maakt recht in de wildernis eene baan voor onzen God! Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden, en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot eene vallei gemaakt worden." Eene prediking der genade is dit.
Ach, hoe hebben de menschen deze woorden verdraaid tot hun eigen verderf; hoe hebben zij dit gemaakt tot eene geesel, waarmede zij zichzelven ten bloede toe pijnigden en kastijdden. En de Dooper Johannes staat voor de oogen van bijkans allen in geene andere gedaante, dan in die vaneenen boetprediker naar den trant der vroomheid dezer wereld : hier een weinig, daar een weinig, regel op regel, wet op wet; waardoor noch de komst van den Koning der gerechtigheid en genade wordt voorbereid, veeleer dezelve, zooveel dit van onzentwege mogelijk is, wordt uitgesteld, ja, belet tot in der eeuwigheid; noch ook de troost van het Evangelie wordt aangebracht aan de vermoeide en belaste zielen.
„Door de wet is de kennis der zonde." Dat wil zeggen : neem de wet in uwe eigene hand, en gij zult al ras zien, zult het ondervinden en gevoelen, zult erkennen, dat gij melaatsch zijt van het hoofd tot de voetzool, dat gij in waarheid een overtreder genoemd zijt van uwe geboorte af aan.
Maar de woorden zeggen ons eenvoudig : „Bereidt den weg des Ileeren." Gelijk Laban, de broeder van Rebekka, tot Eliëzer, den knecht van Abraham, sprak: Kom in, gij gezegende des Heeren, waarom zoudt gij buiten staan? want ik heb het huis b e r e i d , en de plaats voor de kemelen, kom dus binnen! — zoo heet het hier: b e r e i d t den weg des Heeren, ruimt weg alle beletselen, die den Heere der heirscharen zouden kunnen beletten, om in uw huis, in uw hart Zijnen intocht te houden, om aldaar te wonen. „Maakt recht in de wildernis eene baan voor onzen God." Gij zijt immers in de wildernis, niet slechts in eene wereld, die in het booze ligt, — in uw hart zelf vindt gij „de gebaande wegen" niet. Alle dalen van „schijnrede van wijsheid en eigenwilligen godsdienst en nederigheid" zullen verhoogd worden; ook hebt gij gewisselijk niet van noode, het hoofd te laten hangen, gelijk een riet aan den oever der zee; „ziet toch omhoog, en heft uwe hoofden opwaarts, omdat uwe verlossing nabij is". Zoo ook het tegenovergestelde : alle bergen en heuvelen van hoovaardij en van zichzelven te willen staande houden, zullen vernederd worden ; wat krom en hobbelachtig, wat hoekig is, dat zal recht en tot een effen land gemaakt worden.
Waar is nu de geesel van den kastijder, de stok van den drijver? Is het niet altemaal eene vriendelijke stem vaneenen genadigen Koning? Waar is ook een koning geweest, die niet, als hij tot zijn volk komt om blijden intocht te houden, zijn volk vroolijk en gelukzalig zoude zien? Ja, zie de kinderen, die lang hunnen vader gemist hebben, die verre heengereisd was, hij was, ach! zoo langen tijd uitgebleven, — hoe zij hunnen lieven vader, als hij nu eindelijk wederkeert, te gemoet springen en huppelen. Z ij hebben ook hunnen geliefden vader den weg bereid.
De H e e r e k o m t ; welaan, dat de wegen, waarop Hij komt, dan niet onbereid zijn!
Dat is de stem des Roependen in de woestijn.
Reeds Maleachi, de laatste van de Profeten, van wien ons uit den tijd vóór de komst van onzen Heere en Zaligmaker geschriften zijn nagelaten, heeft deze roepstem herhaald : „Ziet, Ik zend Mijnen engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijnen tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de Heere der heirscharen."
Maar op afdoende wijze heeft Johannes de Dooper, hij, die gelijk de Heere Zelfvan hem zegt, veel meer dan een Profeet is, — „want van die uit vrouwen geboren zijn, is niemand grooter opgestaan dan deze," — op afdoende wijze heeft Johannes de Dooper deze roepstem onmiddellijk voorde komst van onzen Heere Jesus in ons vleesch aan het volk doen hooren. Deze zelf noemde zich, gevraagd zijnde door priesters en Levieten, wie hij was: „de stem des Roependen in de woestijn: maakt den weg des Heeren recht!'' Ilij is de stem, door welke het geheele gebouw der Joodsche gerechtigheid en werkheiligheid in zijne grondvesten bewogen en geschud werd; hij is de heraut der genade onzes Heeren Jesus Christus, op Wien hij heenwrees als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wregneemt.
Waar de voorlooper aldus zijne stem heeft doen hooren, daar zal de Koning, Wiens nabijzijnde komst hij aankondigt, niet vertoeven. Waar echter een koning komt, daar wordt zijne heerlijkheid luisterrijk geopenbaard! En hier, waar het de heerlijkheid des Heeren is, die geopenbaard zal worden, zal dit op zulk eene wijze geschieden, dat alle vleesch ze zien zal.
Welke heerlijkheid is bedoeld? Is het de heerlijkheid der almacht Zijner eeuwrige kracht? is het de heerlykheid, waarin Zich de Heere vertoonde, toen Hij van den berg Sinaï af Zijnen volke de tien woorden Zijner heilige Wet gaf onder donder en bliksem en onder het geklank der bazuin? Neen, reeds dit, dat de Heere Zijne boodschap doet uitgaan niet van den hoogen hemel, niet eens van de heerlijke plaatsen dezer aarde, maar uit de woestijn, duidt aan, dat wij-hier niet aan aardsche heerlijkheid hebben te denken. Immers, de 0 boodschap Gods, die tot een zondig en afgedwaald volk gebracht wordt, komt voort uit de woestijn, uit de dorre plaatsen van zonde en ellende. De woestijn is het beeld van de ellende, waarin de mensch zich en al wat rondom hem is, door de zonde gestort heeft. „Hoogt de wegen voor Dien, Die in de vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam is Heere." (Ps. 68 : 5.) Daarom lokt ook de Heere Zijn volk en voert het in de woestijn, om daar naar zijn hart te spreken. (Hos. 2.)
Het was dus wel eene opmerkelijke vervulling van dat woord, toen Johannes de Dooper ook letterlijk in de woestijn, namelijk de Joodsche woestijn, nabij de Jordaan optrad. Te vergeefs wacht gij op eene luisterrijke boodschap, die van achter de wrolken des hemels tot u komt, van uit den hoogen hemel, neen, uit de woestijn zendt u God Zijne boodschap, Zijnen troost, dat uw strijd vervuld is, uwe ongerechtigheid verzoend is, en dat gij dubbele genade hebt ontvangen uit de hand des Heeren voor al uwe zonde.
De heerlijkheid des Heeren, welke met het volk Israël door de woestijn trok, welke rustte boven den tabernakel, die ook den tempel van Salomo vervulde, en tusschen de Cherubim boven het verzoendeksel rustte, — de heerlijkheid vol van genade en waarheid is het, die aan alle vleesch zal geopenbaard worden. Het Woord is vleesch geworden en heeft Zijne tente in ons midden opgeslagen, heeft onder ons gewoond, en de heerlijkheid, die wij aanschouwd hebben, was vol van genade en waarheid. God is openbaar gewrorden in liet vleesch, — dat is Zijne heerlijkheid; dat Hij in onze zwakheid Zijne kracht heeft willen volbrengen, — dat is Zijne heerlijkheid; dat Hij Zich zoo diep nedergebukt heeft tot stof en asch, dat Hij in het midden van onze onreinigheid gewoond heeft, — dat is Zijne heerlijkheid.
Alle vleesch zal dezelve zien; gelijk Simeon sprak, het Kind Jesus in zijne armen hebbende en God lovende: „Mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien." Zoo wrordt ook in den Brief aan Titus 2: 11 gezegd: „De zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle menschen." Niet alsof zij allen hoofd voor hoofd het Koninkrijk Gods zien zullen en daar ingaan.
Wel hebben zij allen gezondigd en derven allen de heerlijkheid Gods; en God verheerlijkt alsnu Zijne genade door de prediking des Evangelies van Jesus Christus te brengen aan allen, hetzij dat zij hooren zullen, of hetzij dat zij het laten zullen.
Zoo komt de troost van het volk Gods ook tot u, Gemeente des Heeren. „Want de mond des Heeren heeft het gesproken", zoo voegt de Profeet bevestigend daarbij, opdat wij er volstrekt niet aan twijfelen, dat ook vervuld zal worden, hetgeen de heraut verkondigd heeft.
De heerlijkheid des Heeren is openbaar geworden, toen Hij in ons vleesch kwam. Wie dorst heeft kome, en wie wil, die neme het water des levens om niet!
En terwijl de Heere komt in het Woord der prediking , wordt ons toch ook het wachtwoord door den Apostel toegeroepen ; Maran-atha, d. i. de Heere komt, en worden wij zoo dikwijls in de apostolische Brieven herinnerd , dat de Heere nabij is, dat de tijd, in welken de Heere komt, nadert, dat het is de laatste ure; teneinde wij ook nu in goede gedachtenis zouden behouden, dat Hij, Die in ons vleesch gekomen is en thans zit aan de Rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen, wederkomen zal met de wolken des hemels, — en wel dan, zooals de Apostelen Hem van den Olijfberg ten hemel hebben zien lienenvaren.
Alsdan zal de heerlijkheid des Heeren weder geopenbaard worden, alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben, en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven. Maar gij, die gemeenschap gehad hebt aan liet lijden van Christus, verblijdt u, gij zult ook in de openbaring Zijner heerlijkheid u verblijden en verheugen eeuwiglijk.
Ten anderen male, zegt de Apostel, zal Hij zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.
Nog een zeer wreinig tijds, en Hij, Die te komen staat, zal komen en niet vertoeven.

Dat zich de hemelen verblijden;
Verheugd zij d' aard* aan alle zijden !
Verheugd de volheid van de zee;
Het veld spring' op met al het vee,
En 't woud moet juichend God belijden.

't Juich' al voor 't aangezicht des Heeren!
Hij komt, die d' aarde zal regeeren
En richten vol van majesteit!
De wereld zal gerechtigheid,
Het menschdom Zijne waarheid eeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 december 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Eene overdenking naar aanleiding van Jesaja 40 : 3—5. (Vervolg en Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 december 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken