Bekijk het origineel

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, Hoofdstuk 16. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, Hoofdstuk 16. (Vervolg.)

6 minuten leestijd

En van Paulus werd in den nacht een gezicht gezien: er was een Macedonisch man staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonië en help ons (Vs. 9). Nog steeds is alles voor den Apostel in duisternis gehuld, hij kent den weg niet, dien hij moet inslaan, en vermoedt ook niet, hoe dicht nabij de vervulling is der belofte: Ik zal de verstandeloozen leiden in den weg, dien zij niet geweten hebben. De nacht is aangebroken; die vindt waarschijnlijk den Apostel peinzende over de diepe wegen des Heeren; het moet hem in dezen toestand, waarin hij niets doen kon, maar wachten inoet op den Heere, wonderlijk te moede zijn; maar ziet! daar breekt plotseling door dit nachtelijke duister, waarin zijn geest rondwaarde , een heldere lichtstraal: Paulus ontvangt een gezicht, dat hein alles opheldert, en elke duisternis wegneemt. Yoor zijne oogen verschijnt een man, dien hij aan stem en houding herkent als eenen Macedoniër; hij ziet dezen man de hand smeekend tot hem opheffen, en hoort de woorden: kom over in Macedonië, en help ons! Deze man stond daar dus als vertegenwoordiger van een volk, dat hulp noodig heeft, geene stoffelijke hulp, want die wras bij den nederigen discipel des Heeren niet te vinden ; ook geene hulp tegenover het Romeinsche rijk, waarvan Macedonië een wingewest uitmaakte, want de Romeinen waren edelmoedige heerschers, en hun juk was niet drukkend; ook zou hun de hulp van eenen enkelen man, die bovendien geenen staatspost bekleedde, weinig baten; neen, Macedonië ziet naar andere hulp uit, dan die alleen voor dit leven geldt. Ook in dit Ileidenach gewest, dat ondanks alle Grieksche beschaving in dikke duisternis was gehuld, heeft de Heere een volk, dat Hij wel kent, schoon het nog van Hem vervreemd is. Dit volk zucht naar licht en kan het in de duisternis niet langer uithouden; hun eeredienst, die slechts de zinnen streelt, maar het hart ledig laat en koud, voldoet hen niet langer, zij moeten meer hebben dan hunne doode afgoden, en hebben een zielsverlangen naar den levenden, schoon voor hen nog o n b e k e n d e n God. Dezen God zoeken zij, en de Heere, Die hen zoekende heeft gemaakt, laat Zich ook gewisselijk door hen vinden. Yan den Apostel wisten zij nog niets, en het kon hun dus niet in de gedachte komen, tot dezen eenen boodschapper af te zenden, maar de Heere Zelf schildert den schreienden nood van Zijn volk Zijnen dienstknecht in een levend beeld voor de oogen. Dezen gaan op hetzelfde oogenblik de oogen open, en hij ziet in Macedonië het voorportaal van geheel Europa, en dus een wijd uitgestrekt arbeidsveld, dat zijn God hem heeft aangewezen, om in dezen door Hem vruchtbaar gemaakten bodem het zaad Zijns Woords te strooien. Dit gezicht is den Apostel niet slechts eene aanwijzing voor de verdere reis, maar het ia hem tevens eene heerlijke vertrooating, eene ware hartversterking zij lis hemelachen Meeaters. Hij ervaart opnieuw Diena genadige leiding en de waarheid van Zijn woord: Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Meermalen heeft de Heere Zijne knechten door gezichten en openbaringen geleid en vertrooBt; wij vinden dit overal, zoowel bij de heiligen des Ouden, als bij die des Nieuwen Verbonds ; daarvan getuigen onder anderen Jakob, Jozef, Ezechiël, Daniël, Amos, Petrus, Paulus, Ananias, Johannes. De Apostel Paulus noemt iu zijnen Brief aan de Corinthiërs deze openbaringen uitnemend; zijn God heeft hem bij de aanvechtingen des Satans en den haat der wereld door deze bovenmate verkwikt, zoodat hij zelfs eenmaal opgetrokken is geweest in het Paradijs en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het eenen mensch niet geoorloofd is uit te spreken, maar die de Heere ellendigen influistert, woorden van genade en leven, waarmee Hij hen, die anders bezwijken zouden, weder op hunne voeten zet. Ook dit gezicht, dat de Apostel te Troas ontving, heeft hem onderwezen; hij ziet als het ware de hand zijns Heeren naar Macedonië uitgestrekt, en vindt daarin aanleiding om zoo spoedig mogelijk op te breken, zooals wij lezen: Als hij nu dit gezicht gezien had, zoo zochten tvij terstond naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had, om denzelven het Evangelie te verkondigen. (Ys. 10.) Yoor de eerste maal schrijft Lukas hier: w i j , en sluit dus zichzelven mede in; vermoedelijk heeft hij zich dus te Troas bij Paulus gevoegd, het zij hij in deze stad vertoefde, of van Antiochië tot hem kwam. De Apostel twijfelt geen oogenblik en draalt niet lang, om den wil zijns Zenders ten uitvoer te te brengen. De Heere roept! dit zegt voor hem, die blindelings zijnen God gehoorzaamt, alles, en waar hij Zijne stemme hoort, daar spoedt hij zich voort, niet vragende naar eigen wil, rust of genoegen, maar slechts daarop uit zijnde, Hem welbehagelijk te zijn, Die hem in de bediening gesteld heeft. Een schip is te Troas, dat aan de kust der Egeïsche zee lag, spoedig gevonden; en van daar afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Samothracé, en den volgenden dag naar Neapolis. En van daar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonië, eene kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen. (Vs. 11 en 12.) Zonder eenige stoornis, onder gunatigen wind stevent het schip, dat de gezanten des Evangelies draagt, naar Samothracé, een eiland in de Egeïsche zee, van ouds bekend als een zetel der afgoderij. Van dit eiland gingen vele Heidensche predikers naar Macedonië, om daar hunne leugens uit te strooien; ditmaal evenwel zal het schip, dat Macedonië nadert, geene zielverdervers aanvoeren, maar blijde boodschappers, die voor hunne Ileidensche broeders het goede zoeken, en van harte gaarne dezen datgene mededeelen, waarin zij zelf het leven vonden. Na eenen nacht te Samothracé vertoefd te hebben, vertrok het schip naar Neapolis, de eerste landingsplaats in Macedonië, in de nabijheid van Filippi gelegen ; naar laatstgenoemde stad begeeft zich de Apostel het eerst, om van daar uit verder in het hart van Macedonië door te dringen. Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten dergenen, die den vrede verkondigen, die goede boodschap brengen van het goede, die heil doenhooren! voorwaar gansch Europa moest van vreugde opspringen , nu het heil, dat in Christus is, ook tot haar komt, en de eeuwige God den zegen van Noach in vervulling brengt, en den nakomelingen van Jafeth deel geeft in de tenten van Sem; lang reeds was dit woord vergeten, en er scheen niets van te komen, maar de Heere vergeet Zijne rechtvaardigen niet, maar brengt hun woord, dat het Zijne was, in vervulling, al is het ook eeuwen later. Het was toch voor ons werelddeel een ware vreugdedag, de dag, waarop deze nederige dienstknechten van Christus hunne voeten zetten op Griekenlands bodem, en met hunne komst de doodsschaduwen begonnen te wijken, om plaats te maken voor het volle licht, dat het Evangelie des kruises over dit land der donkerheid zou verspreiden.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, Hoofdstuk 16. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken