Bekijk het origineel

VI. De duisternis. (Matth. 27: 45 — 49.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VI. De duisternis. (Matth. 27: 45 — 49.)

14 minuten leestijd

Wat was liet, dat op den vollen middag, naar onze rekening van twaalf tot drie uur, de zon haar licht verloor, en duisternis zich verspreidde niet alleen over Golgotha's strafheuvel, maar ook over de gansche aarde? De zon werd verduisterd, en dat ten tijde van de volle maan, een tijd, waarop noch vóór noch na dezen tijd ooit eene zonsverduistering geschiedde. Zoo was het dan eene ongewone, tegennatuurlijke duisternis. Maar ook voor noch na heeft iemand aan het kruis gehangen, gelijk onze Ileere Jesus Christus. Hij, de Rechtvaardige, droeg niet alleen der menschen vijandschap, maar ook den ganschen last des toorns Gods tegen onze zonden. Naar Gods rechtvaardig oordeel moesten wij voor eeuwig te schande worden, toen wij ons in Adam door Satan lieten verleiden, om aan God gelijk, om zelf koning, heer en meester te willen zijn. Naar Gods rechtvaardig gericht moest Satan ons, spotkoningen, eeuwig hoonen, dat wij, door zijnen wil te doen, in zijne macht ons hebben verkocht. Onze Heere Jesus echter heeft ons, zoovelen wij in Hem zijn, uit Satans macht verlost, Hij, als onze Koning, beeft Zichzelven te schande laten maken, opdat wjj met Hem nimmer te schande zouden worden, Hij heeft al het geweld en al de pijlen des Satans verdragen, opdat Hij ons mocht redden van eeuwige versmaadheid en van het hoongelach der duivelen. Ach, wat zal een menschenkind inbrengen tegen de aanklacht des Satans! Satan behoeft geene zouden te verzinnen, om tegen ons in te brengen; als hij komt met zijne bestrijding, dan houdt hij ons voor onze zonden, die wij werkelijk begaan hebben en nog begaan tegen Gods geboden en goede woorden. Wien moet het dan niet donker worden in zijne ziel? En welke aanvechtingen ondervindt de menscli, die zijn hart aan den Heere heeft overgegeven, om op Zijn Woord te hopen? Langs welke wegen leidt de Heere Christus de Zijnen ? Gaat het niet langs wegen, waarin men met Christus en Zijn Woord dreigt te schande te worden ? waarin kruis en nood, wereld en duivel schijnen te ti'iomfeeren en werkelijk ook triomfeeren voor eenen tijd ? waarin de beloften en woorden des Heeren niet vervuld worden of niet alzóó vervuld worden, als wij het verwachten? waarin oude en nieuwe zonden opkomen, om ons allen moed te benemen en het geloof uit te blusschen, opdat wij niet meer hopen op de trouw en waarheid en macht des Heeren ? Wie is dan sterk, wie heeft kracht, wie heeft licht? wie kan aan des Heeren woorden vasthouden tegen al het tegenstrijdige in? wie kan dan roemen in zijne zwakheid en in de kracht des Heeren ? wie houdt vast aan liet eeuwig Koningschap des Hoeren Jesus, als het zich zichtbaar niet anders dan in zwakheid vertoont? O! de belijdenis van den Psalmist is de belijdenis aller ware vromen :
„Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
Mijn God! waar was mijn hoop en moed gebleven ?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw."
Dat geloof werkt God, als er geen licht is en als duisternis ligt op de ziel, — dat geloof is geene inklevende eigenschap der geloovigen, maar de Geest des Heeren richt de banier op, als de stroom ons te machtig is, en die Geest wijst op den Eenige, Die getriomfeerd heeft over alle machten der helsche duisternis. God gaf Ilem, Zijnen Eeniggeborene, over aan het geweld des duivels, God liet Hem Zijnen vollen toorn tegen onze zonden gevoelen, de duivelen mochten hunnen helschen lust aan Hem koelen, — in zwakheid, lijdende onder zonde, toorn en helsche machten, heeft Jesus aan alle gerechtigheid genoeggedaan en getriomfeerd over het rijk der duisternis, en heeft het Rijk der genade en de blijde boodschap der genade voor eeuwig vastgesteld tegen al wat zich daartegen verheft, tegen zonde en aanklacht der wet, tegen geweten en duivel en wereld. Hoe duister het er uitzie, hoe Gods Woord en beloften bestreden worden, het profetisch Woord is zeer vast: „Wie is er onder ulieden, die den Heere vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort? als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op den Naam des Heeren en steune op Zijnen God!" — Wie heeft het vastgemaakt? Jesus Christus, onze Koning en Zaligmaker, als Hij de schande des kruises droeg en aan dit schandhout eene drie-urige duisternis verdroeg en haar wijken deed door het Woord en door Zijn geloof.
Toen Jesus Christus daar aan het kruishout hing, was Hij zekerlijk overgegeven aan de schande en aan het geweld des duivels. Hoe vreeselijk zal de Satan, die Hem voorheen zoo had verzocht. Hem nu met hoon en spot hebben aangevallen. Zag de Heere niet, hoe Zijn volk Hem aan het schand- en vloekhout had gebracht, zag Hij niet, hoe het volk uit alle standen en klassen, ja zelfs hoe de kwaaddoeners naast Hem Hem lasterden en over Hem het hoofd schudden? Was Hij niet allen tot eene ergernis of tot eene dwaasheid ? Zal nu de Satan Hein niet daarmede hebben gehoond en bespot? Zal hij Hem niet in de ziel toegeroepen hebben: Nu ondervindt Gij de gevolgen van Uwe dwaze halsstarrigheid, nu ervaart Gjj, dat Gij te vergeefs op God betrouwd hebt, — waar is nu Uw Koninkrijk, U beloofd, waar Uw volk, waar zijn zelfs Uwe discipelen, waar is Go"d , op Wien Gij lioopt? Waart Gij voor mij nedergevallen, ik zou de wereld aan Uwe voeten gelegd hebben, maar nu moet Gij als een machtelooze spotkoDing eindigen aan het kruis? Zijt Gij niet geheel te schande geworden , is Uwe zaak niet geheel verloren, laat God U niet aan Uzelven over, ben ik niet God, en zijt Gij niet in mijne macht, zijt Gij niet eeirwig de mijne? — Deze vreeselijke aanvechtingen, waarvan het meest aangevochten kind Godsin vergelijking met onzen Heiland slechts iets verstaat, moet Hij ondervonden hebben , want in de Psalmen hooren wij Zijne klacht: „Allen, die Mij zien, bespotten Mij; zij steken de lip uit, zjj schudden het hoofd, zeggende: Hij heeft het op den Heere gewenteld, dat Hij IIem nu uithelpe, dat Hij Hem redde, dewijl Hij lust aan Hem heeft. Yele varren hebben Mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben Mij omringd. Zij hebben hunnen mond tegen Mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw. Ik ben uitgestort als water en al Mijne beenderen hebben zich vaneen gescheiden; Mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden Mijns ingewands. Red Mijne ziel van het zwaard, Mijn eenzame van het geweld des lionds. Verlos Mij uit des leeuwen muil, en verhoor Mij van de hoornen der eeuhoornen." In eenen anderen Psalm hooren wij: „Verlos Mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Ik ben gezonken in grondelooze modder, waar men niet kan staan; Ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt Mij. Ruk Mij uit het slijk en laat Mij niet verzinken; laat Mij gered worden van Mijne haters en uit de diepten der wateren. Laat de watervloed Mij niet overstroomen en laat de diepten Mij niet verslinden; en laat den put zijnen mond over Mij niet toesluiten." Zoo was dan onze Heere in het slijk en in de diepte en in den put des verderfs, zoo was Hij dan in het geweld van den hellehond, — God Zelf gaf Hem over in dit geweld, God verliet Hem met den troost en het licht des Heiligen Geestes; niets dan toorn ondervond de Heere van het aangezicht Gods, de duivelen dreven met Hem hunnen moedwil, — toen was onze Heere op het punt van te bezwijken, — hoe konde Hij, het ongeschapen, eeuwige Woord, door Hetwelk alle dingen zijn, toen liet geschapene nog bijeen houden, — de gansche schepping dreigde te vergaan, de zon verloor op den vollen middag haar licht, de eerste levensvoorwaarde voor alle schepselen, — eene onnatuurlijke, schrikkelijke duisternis bedekte de aarde, drie uren lang, in welke alles in angstige verwachting was, en onze Heere, Die daar naakt hing aan het kruis, van alle licht der ziel, en warmte des licliaams was ontbloot, eene prooi der helle en der duivelen.
Nochtans is het licht wedergekeerd; de hel, de Satan heeft niet gezegevierd; in Zijne allergrootste zwakheid, als de aan het vloekhout opgehangene, als de voor ons tot zonde gemaakte, zoodat God Hem den ganschen last Zijns toorns deed ondervinden, als de van God verlatene, — alzoo heeft Jesus den Satan overwonnen. Hij heeft al de overheden en machten uitgetogen en hoeft ze in het openbaar ten toon gesteld en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd. Hoe heeft Hij dit gedaan? Door dezen schrikkelijken toorn, deze vreeselijke duisternis te dragen en tegen het einde dezer drie vreeselijke uien Zich op te richten aan het geschreven Woord Gods! Mocht Satan meenen het gewonnen te hebben, toen hij den Heere zoo vinnig bestreed, toen geen lichtstraal van boven in Jesus' ziel kwam, in deze onuitsprekelijke benauwdheden, smarten, verschrikkingen en helsche kwalen, in dit diepste lijden heeft Jesus Satans macht en heerschappij over ons voor eeuwig verbroken. Daar leed Hij, wat wij eeuwig moesten lijden, daar bracht Hij genoegdoening aan en deed verzoening voor onze zoude, dat wij het juk des Heeren hebben verworpen, en eene ingebeelde vrijheid hebben nagejaagd onder het j u k des boozen. Wij hadden den souvereinen, vrijmachtigen God beleedigd, — Jesus heeft volle gerechtigheid aan de vrijmacht Gods teruggebracht, opdat de vrijmachtige God Zijn vrijmachtig welbehagen verheerlijke, om genadig te zjjn, wien Hij wil, ook den alleronwaardigsten zondaar. Daartoe moest onze Heere er Zich aan onderwerpen, om geheel van God verlaten te worden, om enkel toorn en angst in het gerichte Gods te ondervinden en aan de duivelen te zijn overgegeven. Hij moest het dragen en het geheel aan het welbehagen Gods overlaten, om Hem in deze hel te laten omkomen of Hem daaruit te verlossen; — d e w i j l Hij voor ons tot zonde is gemaakt, zoo moet Hij Gods genade als eene vrije genade voor ons verwerven, daarom onderwierp onze Heere Zich aan het welbehagen Gods, 0111 Hem, met Zijn lijden, genadig aan te nemen als onzen schuldbetalenden Borg. En daar wij der slang meer geloofden en nog meer gelooven dan het Woord onzes Gods en dat, terwijl God ons in ware gerechtigheid en heiligheid had geschapen, zoo moest onze Heere deze onze zonde uitdelgen en verzoenen, door onder onze zonden gebogen en gezonken in do angsten der helle, te midden van helsche duisternis en geheel van God verlaten Gods Woord te gelooven en Zich aan 's Heeren Woord op te richten. Ach! wie had het onder alle menschen vermocht ? wie onderwerpt zich aan het Woord? wie houdt het vast in nood en dood? Maar Jesus Christus heeft het gedaan, heeft de vrijmacht Gods geeerd, en het Woord des Heeren geloofd, heeft dat gedaan, als Hij Zich bevond in angst en verdoemenis, in de kaken der h e l ; Hij, het ongeschapen Woord, heeft Zich, terwijl alles Hem ontzonk, Zich nochtans gehouden aan het geschrevene Woord, om, steunende op dat Woord, uit de angsten der helle door te worstelen en door te breken tot Zijnen God, Die rechtvaardig Hem overgaf aan de straf onzer zonden. Hier heeft Hij als onze Borg te doen met den beleedigden souvereinen God, het „Mijn Vader!" sterkt Hem niet, Hij smaakt louter toorn, gramschap en een verstooten-zijn van do zijde Gods; Hij heeft niet anders om Zich op te beroepen dan de barmhartigheid, die tot het wezen des souvereinen Scheppers behoort, waardoor Hij Zich genadig nog ontfermen wil ook over Zijn schuldig schepsel en geenen lust heeft in zijnen ondergang; die barmhartigheid toch had God gedreven 0111 eenen Koning en Redder, eenen Borg en Zaligmaker te beloven, en van dezen Koning en Heiland had God gesproken in het geschreven Woord, — op dit Woord steunt onze Heere in Zijne smartelijke verlatenheid, Hij ziet het aangezicht Gods als het aangezicht des gestrengen Rechters, en toch breekt Hij met dit geschreven Woord door alle vlammen des toorns door tot het harte des barmhartigen Ontfermers. „Eli, Eli, lama sabachtani!" „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!" zoo roept Hij, en noemt d i e n God, Die op Hem toornt Z i j n e n God en geeft geene eere aan Satan, die God wil zijn, maar aan den rechtvaardigen God alleen, Die wel barmhartig is, maar ook rechtvaardig, Die échter ook de Barmhartige is en blijft, als Hij Zijne rechtvaardigheid betoont! O, wie kan zulk eene gehoorzaamheid en zulk een geloof verstaan? Zink neer, 0 ïnenschenkind! waar gij hoort van de worsteling uws Konings voor u, en laat dat al uw wijsheid uitmaken om als van verre na te speuren, wat uw Koning en Zaligmaker heeft geleden, om u uit het gewold des duivels vrij te koopen en tot Zijn eigendom te maken. Het licht toch is wedergekeerd, God nam het oflfer, de genoegdoening des Heeren Jesus aan, — nu luidt het Woord des Heeren: „Het is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods", en dat Woord is een Evangelie, eene kracht Gods tot zaligheid, wanneer wij leeren, dat wij met al ons willen en loopen slechts spotkoningen zijn, die te schande worden in zulk eenen boozen Satansdienst. Gods toorn is gedragen, de vloek is weggenomen, geen zondaar zal beschaamd en te schande worden, als hij God zoekt en Zijne genade. God, de Rechtvaardige, zal barmhartigheid bewijzen aan eenen iegelijk, die zijne zonden belijdt en nalaat. Onze Heere heeft de macht en al de pijlen des Satans verbroken; aan Hem heeft de hel al hare kracht betoond, maar vruchteloos, — de Heere deed door Zijn woord: „Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten"? het weder aanlichten voor de geheele aarde! Daarom mogen wij in allen nood en duisternis vanwege zonde en verlatenheid roepen tot God, roepen om genade, roepen om ontferming, want het Koninkrijk des lichts heeft overwonnen: „Wie Mij volgt,'' zegt J^sus, „zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben." Toen de Heere door Zijne helsche benauwdheid verzocht werd , om geheel te wanhopen aan het Woord en de beloften Gods, en nochtans, als met eenen schreeuw uit de hel, Zich aan het geschreven Woord oprichtte, — toen heeft Hij ons verworven, dat Gods Woord, het geschreven Woord, een eeuwig, onvergankelijk Woord is, een Woord naar de gerechtigheid Gods, zoodat wie dit gelooft de gerechtigheid Gods niet schendt, maar eert; verworven heeft Hij ons, dat dit Woord machtiger is dan alle bestrijding des Satans, en dat, waar ons geloove wankelt, dit W'oord staande blijft, al wankelen ook bergen en heuvelen. Ja, het licht der zon moge verduisteren, het licht der oogen weggenomen zijn, het Woord, het Evangelie, dat Jesus als onze Borg én Middelaar heeft overwonnen, is in elke duisternis het licht op ons pad. En in elke duisternis moet den oprechte het licht weder opgaan, omdat Jesus het lioht weer deed aanbreken, en het zal hem opgaan in het eeuwige Woord van het eeuwige Koninkrijk des Zoons van God. — Yreeze een iegelijk, die zich alleen in het zonnelicht verblijdt, zonder dat Jesus hem, gelijk den boetvaardigen moordenaar, in Zijn eeuwig Koninkrijk heeft opgenomen; vreeze een iegelijk, die uit eiken voorbijgaanden angst, uit donkerheid zich weder opricht, om toch in zijne onboetvaardigheid te blijven; dan spot men met Gods genade en lankmoedigheid, gelijk de soldaten bij het wederkeerend licht spotten met de woorden des Heeren Jesus. Immers, Jesus alleen heeft aan het kruis het licht wedergebracht; daarom zal zulk eene duisternis, als toenmaals drie uren lang de aarde verschrikte, eeuwig het deel zijn van allen, die Jesus niet hebben gezocht, — het zal zijn eene uitwerping in de buitenste duisternis, waar geen lichtstraal der genade ooit meer binnendringt. — Bekeer u dan, 0 mensch! zoek genade in de Oogen des Konings, Hij regeert, Hij maakt het licht door Zijn Geest en Woord, Hij maakt het aan a.1 de Zijnen en eeuwig waar: „Voor een klein oogenblik heb Ik u verlaten, maar met groote ontfermingen zal Ik u vergaderen." Gaat het u om het Woord des Heeren , zoo zult gij het ervaren, dat Jesus Koning is en ook blijft trots de hel en haar woeden, trots alle duisternissen. Hij zal het licht telkens weder doen verrijzen en eenmaal voor eeuwig „De waarheid des Heeren is in der eeuwigheid! llallelujah!"
'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheid;
Uw waarheid t' allen tjjd vermelden door mijn reèn.
Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,
Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;
Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,
Zoo min zal Uwe trouw ooit wank'len, of bezwijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 maart 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

VI. De duisternis. (Matth. 27: 45 — 49.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 maart 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken