Bekijk het origineel

Zich naam maken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zich naam maken

8 minuten leestijd

Toen de mensch door zijnen afval van God naam en plaats bij zijnen Schepper verloren had, was hij er op uit, zichzelven eenen naam te maken.
Dit bleek al spoedig in Kaïn, die, als eerstgeborene van Adam, zijnen naam bij God tegenover dien van zijnen broeder Abel wilde gehandhaafd zien, — en ook bij diens geslacht, dat geenen anderen toeleg scheen te hebben, dan zich in zijnen afval van den levenden God vroolijk en sterk te maken. Zoo lezen wij van eenen Jubal, die zich eenen naam verwierf als uitvinder van muziek instrumenten, en van eenen Tubal-Kaïn als leermeester in het werken van koper en ijzer, terwijl Lamech zijnen naam wel zeventig maal hooger schatte dan dien van zijnen vader Kaïn.
Al deze mannen van naam met hunne werken en hunne verwachtingen zijn echter in de wateren van den zondvloed ondergegaan, welke wateren alleen ter behoudenis dienden van Noach en de zijnen; Noach, een man bij hen geacht als een zot, een niets beteekenende, maar die bij God eenen naam en eene plaats had als prediker Zijner gerechtigheid.
De zondvloed had den mensch echter niet wijzer gemaakt, hij bleef zich eenen naam zoeken. Onder de mannen van naam staat er in Chams geslacht een Nimrod op, een geweldig menschenjager voor het aangezicht des Heeren, tegen Wien hij zich stoutmoediglijk verhief. Hij wilde zijnen naam tot in den hemel zetten. Immers het beginsel van zijn rijk was Babel, de stad, die de menschenkinderen zich bouwden met eenen toren, welks opperste tot in den hemel reiken moest. Zij deden zulks, om zich eenen naam te maken door het stichten van één groot onverdeeld broederrijk. Die bouw werd door het oordeel der spraakverwarring verstoord, en het broederrijk spatte uiteen: de menschenkinderen werden verstrooid over de aarde.
Babel bleef echter bestaan, en vele Nimrods hebben er zich een naam in gemaakt, gelijk wij weten uit het gedrag van Nebukadnezar en van Belsazar. De groote naam van den eersten ging onder, toen God hem gelijk maakte met de dieren des velds, en de naam van den tweeden verstierf in dien geduchten nacht, toen hjj in het midden van den hoon en den spot met den God van Israël, door het zwaard zijner vijanden werd gedood.
Nu bestaat er wel geen koninkrijk van Babel meer, maar toch bestaat Babel nog, en de mensehenkinderen houden niet op met het bouwen aan dien toren, welks opperste zij tot in den hemel denken te verheffen. De mensch wil altijd als God zjjn.
Van dat Babel spreekt Paulus, als hjj de Gemeente waarschuwt voor den mensch der zonde, den zoon des verderfs, die zich tegenstelt en verheft boven al dat God genaamd en als God geëerd wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertoonende, dat hij God is.
Dat Babel hebben wij zien verrijzen in het rijk der Pausen, welke als geweldige menschenjagers vorsten en volken in banden sloegen onder hunne heerschappij. Zij verhieven zich tot in den hemel, en de toren des bijgeloofs steeg tot eene ontzettende hoogte. Het gansche Christendom scheen als van eenerlei volk en als van eenerlei spraak te zijn. Dit Babel verstoorde God door de gezegende kerkhervorming, waarbij God wederom den Naam en het Rijk van Zijnen Gezalfde verhief boven den naam en het rijk der Pausen.
Is dat rijk nu geknakt, is de naam der Pausen bij velen zelfs tot eene bespotting geworden, toch onderwierp men zich niet aan den van God gezalfden Koning, in Wiens Naam alleen onze behoudenis is; al spoedig bouwde men een ander Babel met eenen even hoogen toren, eenen toren des ongeloofs, met welks opperste men den hemel dacht te raken. Wat al mannen van naam hebben er aan dien toren gebouwd ; denken wij slechts aan een Yoltaire en een Rousseau, met hunne geestverwanten, en tot hoe hoog steeg (^ie top, toen men openlijk met God en Godsdienst brak en de mensclielijke rede als godin vereerde. Dit Babel moest één groot broederrijk zijn, niet gebouwd op het fondament der Profeten en Apostelen, dat kon ook niet, maar op dat van vrijheid, gelijkheid en broederschap; een namaaksel des Sat&ns van het Koninkrijk van Christus, waarin alleen eene vrijheid, gelijkheid en broederschap bestaat, zooals God die wil, en zooals zij alleen den mensch tot heil is. Dit Babel verstoorde de Heere des hemels en der aarde door eene schrikkelijke spraakverwarring, zoodat het onderging in bloed en vuur en rookdamp; en toch er kwam aan het naam-maken geen einde.
Honderd jaren zijn sedert verstreken, en wat zien wij nu? Zien wij nu den mensch den Naam en den Geest verheerlijken van Hem, Die niet opgehouden heeft Zich te openbaren als de eenige Koning, onder Wiens heerschappij leven en vrede, waarheid en gerechtigheid genoten wordt, en Die van Zijn heerlijk Koninkrijk getuigt: „Eén is uw Meester, en gij allen zijt broeders"? O neen! wij zien wel gansch iets anders. Wij zien de mensehenkinderen zichzelven wederom eenen naam maken in het verheerlijken van den geest dier mannen, die hun eenen hemel op aarde beloofden, zonder dien ooit te hebben kunnen tot stand brengen, omdat zij door den eeuwigen Geest daarin kennelijk werden beschaamd.
Ter verheerlijking niet van den eeuwigen Geest, maar var. den geest van vrijheid, gelijkheid en broederschap, heeft men onlangs een eeuwfeest gevierd en eenen toren gebouwd, welks opperste wel niet den hemel kon bereiken, maar die toch eene hoogte moest hebben boven den hoogst bekenden toren op aarde; een werkstuk van ijzer, alsof men bij Tubal-Kaïn had ter school gegaan, en waarbij men zelfs dien eersten leermeester schijnt te hebben overtroffen.
De naam van den mensch, het werk, dat h i j gewrocht heeft, moet vereeuwigd, — de Naam des Heeren, het werk, dat H i j gewrocht heeft, moet vergeten worden. Dat is ook het doel van de groote geesten dezer eeuw, die de verheerlijking van hunnen naam zoeken in het bouwen van een rijk van voorspoed, vrede en geluk, waarvan de grondslag bestaat in louter idealen, die nooit verwezenlijkt kunnen worden, omdat het alles indruischt tegen het Woord des Almachtigen. Naar dat rijk jagen zij de zielen der mensehenkinderen als echte Nimrods, ontbloot van alle vreeze Gods, en men bewondert en aanbidt hunne stichting.
Zal dan aan het naam-maken der mensehenkinderen geen einde komen ? zal dan de mensch nooit wijs worden ? Al steekt gij den dwaas in een mortier, en al stampt gij hem in het midden van het gestooten graan, zijne dwaasheid zal toch niet van hein wijken. Hij, die geleerd heeft kwaad te doen, hoe zal hij goed doen ! Zoo is de mensch ; hij geeft het voor God niet op, daarvoor is hij te trouw onderdaan van Satan, den tegenstander van den Naam des Heeren. Daar zou dus aan ons naam-maken geen einde komen, had de Heere God er geen einde aan gemaakt, en maakte hij er niet steeds een einde aan, hetzij in den weg van genade, of in dien van Zijne rechtvaardige straf.
In genade doet Hij dat bij al de Zijnen, door bij hen te< verheerlijken den eenigen Naam onder den hemel, hun tot zaligheid gegeven, waarbij hun naam en hun werk te gronde gaat, waarover zij van achteren zich grootelijks verblijden T want immers zij zijn daardoor gekomen onder de heerschappij van den eenigen Vredevorst, en rusten in de werken Gods. Dezulken, al zijn zij klein en veracht, en al hebben zij naam noch plaats onder de mensehenkinderen, mogen zich verheugen gevonden te hebben het Eldorado, het ware paradijs, waar naar de groote geesten steeds te vergeefs hebben gezocht, omdat zij het weigerden te zoeken daar, waar de Heere God het alleen had geopenbaard: in den Naam en in het werk van Zijnen Christus.
Aan het naam-maken dier groote geesten komt eens een einde door Gods rechtvaardige straf, als de Heere zal gekomen zijn met Zijne vele duizenden heiligen, om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddeloozen onder hen vanwege al hunne goddelooze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddelooze zondaars tegen Hem gesproken hebben (Jud. vs. 14r 15). Dan vergaat de naam van allen, die zich grootgemaakt hebben tegenover den Vorst van het heir des Heeren, wantin diezelfde ure (zegt Johannes) geschiedde eene groote aardbeving, en het tiende deel der stad is gevallen, en daar zijn in de aardbeving gedood zevenduizend namen van menschen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden en hebben den God deshemels heerlijkheid gegeven.
Gelukkig dan het volk, dat de roepstem hoort en verstaat: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan hare zonden geene gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt, — want eenmaal zal het groote Babel der mensehenkinderen vallen onder den toorn van Hem, Die den Naam van Christus verheerlijkt heeft en verheerlijken zal tot in eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 april 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Zich naam maken

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 april 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken