Bekijk het origineel

De rechtvaardigheid Gods naar Romeinen 1 : 17—32 en 2 : 1—27, (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De rechtvaardigheid Gods naar Romeinen 1 : 17—32 en 2 : 1—27, (Slot.)

11 minuten leestijd

Wie goede werken toonen wil, die wijze op de volharding in goede werken , op het volkomen volbracht hebben van de Wet, en dat hij daarmee waarlijk getracht hebbe naar prijs, eere en een onvergankelijk wezen en niet zichzelven gezocht hebbe, dat alzoo de beweeggrond van al zijn doen liefde tot God en den naaste geweest zij, — zoo zal God hem het eeuwige leven schenken.
Is zulk eene volharding in goede werken ergens te vinden, waar men met zijne werken voor God rechtvaardig meent te zijn of te worden ?
Dat is het echter wat allen verdoemt, die zich met werken bezig houden, dat er geene volharding gevonden wordt, en dat alles eerzucht en eigenliefde is.
Daarom laten ook allen, die het in de werken zoeken, zich over hun doen niet bestraffen, maar het moet alles heilig en rein heeten, wat zij onder handen hebben. Waar men hun de ware gerechtigheid voorhoudt en hen overtuigd heeft, dat hunne gerechtigheid slechtigheid is, daar beginnen zij den oorlog, willen der waarheid, die zij gevoelen, geen gelijk geven, noch zich laten overtuigen, maar zij beginnen dan juist des temeer zich aan de ongerechtigheid, aan de leugen en den waan der rechtvaardigheid hunner werken over te geven. Wat moet er nu van zulk wederstreven tegen de ware waarheid worden? Is het niet dit, dat de zielen van zulke menschen, daar zij toch het kwade doen en voorgeven, dat zij het goede betrachten, door God gestraft worden met verdrukking en benauwdheid, zoodat zij steeds in hunne schande terugvallen en geenen vrede hebben? dat zij ook geene rust hebben, daar zij toch hunnen loon weg hebben, gelijk ook God de Heere tot Kaïn zeide: „Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen? Is er niet, indien gij weldoet, verhooging? en, zoo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur."
Wat baat toch het roemen in de wet? Die het goede doen, zijn uit God en zullen van Hem lof, eere en vrede ontvangen; die evenwel het kwade doen, zijn uit den booze, worden door den booze medegenomen en geplaagd, — en de goddeloozen, zegt mijn God, hebben geenen vrede.
Dat zegt de apostolische waarheid in de eerste en voorname plaats van de Joden, diensvolgens ook van de Christenen, die daarin met de Joden van één gevoelen en inzicht zijn, zoodat zij meenen, dat hunne werken, waarmede zij zich voor God rechtvaardig maken willen, werkelijk de vervulling der Wet zijn. Voorts zegt het de apostolische waarheid van alle volkeren , van alle menschen samen, dat zij altegader slechts het goede mogen verwachten, indien zij waarlijk de Wet volbrengen ; dat zij allen nochtans de verdoemenis te wachten hebben, degenen namelijk, die zeggen, dat zij de Wet volbrengen , want zij doen de Wet niet. In dit stuk des gerichts is bij God geene aanneming des persoons.
Mocht men echter de tegenwerping maken, dat de volkeren de Wet niet kennen, en alzoo God hen niet naar den vollen eisch der Wet richten, maar hen wegens het goede, dat zij evenwel gedaan hebben, rechtvaardig verklaren en zaligmaken zal, — en wederom, dat Hij de Joden, daar Hij hun toch zoo vele voorrechten geschonken heeft, waar zij boven anderen zooveel goeds gedaan en zich van zoovele kwade dingen onthouden hebben, ook niet naar den vollen eisch der Wet richten zal, zoo is het apostolische antwoord daarop dit: Wie door de werken der wet rechtvaardig voor God zijn wil, die moet niet gezondigd, maar de Wet vervuld en in alle stukken gehouden hebben, anders is hij voor God veroordeeld en niet rechtvaardig, en zulks geldt den Jood allereerst, die met zijne voorrechten licht genoeg had om te zien, dat hij geene rechtvaardigheid voor God heeft, dat het doen bij hem niet gevonden wordt, en zoo geldt het dan ook voornamelijk den Christen, die door zijn Christendom voor God rechtvaardig wil zijh, voorts den Heidenen, den niet-Joden of niet-Christenen. Hebben de niet-Joden, de niet-Christenen de Wet niet gehad, en hebben zij gezondigd, gelijk zij immers gezondigd hebben, zoo zullen zij ook, zonder dat de Wet der tien geboden hun voorgehouden wordt, verloren gaan. Daarentegen zullen de Joden, en evenzoo de Christenen, die de Wet gehad en zich daaraan vergrepen hebben, zooals zij er zich aan vergrepen hebben en vergrijpen, door de Wet veroordeeld worden.
Een iegelijk toch, die zich door zijne werken rechtvaardig, heilig en rein voor God maken wil, zal dit wel bekennen, zal bet als waarheid wel moeten laten gelden, naar zijne eigene stelling, dat men voor God niet hierdoor gerechtvaardigd is, als men verneemt en anderen en zichzelven voorhouden laat, wat de rechte plicht is, maar dat gedaan moet zijn, wat die plicht vordert, indien men voor God rechtvaardig zijn wil.
Woorden helpen niet voor het gericht Gods, maar de daden der Wet, en die worden bij niemand gevonden, die het in de werken zoekt; veeleer: zoovele werken, zoovele zonden. Maar waar zonden zijn, daar is geen volkomen doen van de Wet.
Het moge, wat de niet-Joden of niet-Christenen betreft, onbillijk schijnen, dat zij vanwege hunne zonden verloren gaan, daar zij toch Gods Wet niet kennen; maar welaan, doen zij niet, zonder dat zij de Wet hebben, van nature de dingen, die der Wet zijn, op hunne wijze? prijzen zij niet den dienst Gods, liefde, trouw, nederigheid, kuischheid, enz., streven zij niet naar dat alles, terwijl zij het tegendeel doen? hebben zij dan de Wet niet, zoo stellen zij toch zichzelven voor, als degenen, die zichzelven de Wet maken. Wat bewijzen zij nu toch daarmede, als zij de Wet en hare werken, als zij deugd en vroomheid prijzen, indien niet, dat zij het werk der Wet betoonen geschreven in hunne harten! Dat bewijzen zij ook hiermede, dat zij een geweten hebben en gedachten, waarmede zij zichzelven onder elkander beschuldigen, als zij het kwade doen, of ook ontschuldigen , dat zij het niet beter hebben kunnen doen, — daarmede betoonen toch zulke menechen wel, dat zij de Wet kennen en ook weten, dat voor God een gedeeld of mislukt werk niet bestaan kan, om aanspraken op gerechtigheid te doen gelden, maar dat Zijne Wet eenen geheelen mensch, en een volkomen werk zonder gebrek eischt, indien de mensch door zijn doen voor God rechtvaardig zal zijn. Daarom zal de een met den ander, Jood of Heiden, Christen of niet-Christen , die door zijne werken voor God rechtvaardig wil zijn, voor Hem veroordeeld worden — in dien dag, dat God de verborgene dingen der menschen, wat derhalve in hun hart was van vijandschap, hoogmoed en eigenwaan, van haat tegen God en den naaste, en wat in het verborgene door hen gezondigd werd, terwijl zij den schijn aannamen, als waren zij godsdienstig, deugdzaam en vroom, oordeelen zal door Jesus Christus, Wiens eenige voor God geldige rechtvaardigheid zij hadden kunnen weten, maar verworpen hebben, — want naar het Evangelie en het woord des Apostels zal Jesus Christus oordeelen. Daarin is Hij toch den Joden en den volkeren verkondigd als de eenige Redder, als het eenige Heil, als de Eenige, in Wien voor eenen zondaar gerechtigheden en sterkte zijn. Niemand zal met recht kunnen tegenwerpen: wij hebben het niet gehoord, want als hij eerlijk is en zijne zonden wil kennen, zoo zal hem zelfs eiken morgen de zon, die over hem, den zondaar, opgaat, het verkondigen, dat er eene vreemde gerechtigheid, de gerechtigheid eens anderen moet zijn, om welker wille God Zijne zon over hem laat opgaan, gelijk zulks ook Psalm 19 betuigt: „de hemelen vertellen Gods eer", tegenover de schande en de zonden der menschen.
Degenen echter, die Christenen willen heeten, en die zich met werken inlaten, daarop hunne gerechtigheid of een stuk derzelve grondende voor God, hebben alle reden zichzelven te onderzoeken, of het bij al hunne aanmatiging niet waar is, wat de Apostel den Joden, die in zichzelven en in hunne werken rechtvaardigheid voor God zoeken, voorhoudt en ontdekt , om hen te overtuigen, dat hunne werken voor God niet deugen.
Daarom wil ik ook eenen iegelijk, die zich op zjjn Christendom, op zijne bekeering, op zijnen doop en zijn aanzitten aan het Avondmaal, op alle werken, die hij zichzelven voorgeschreven heeft, op zijne theoriën van heiligmaking, deugd en rechtvaardigheid, waarin hij waant voor God rechtvaardig te zijn, verlaat, met eene kleine omschrijving der woorden deze vragen voorleggen, die de Apostel den Joden voorgelegd heeft.
Ik wil hem deze vragen voorleggen, om hem te overtuigen, dat hij niet doet wat hij voorgeeft te doen, opdat hij dit moge inzien, dat hij niet voor God rechtvaardig is, terwijl hij niet doet , wat de Wet wil.
Ziet echter wel toe! gij wordt een Christen genaamd en rust op dat, wat gij de Wet van Christus noemt, als volbracht gij die, en gij roemt op God, alsof Hij uw Vader ware; en gij weet Zijnen wil, en, wijl gij uit de Schrift onderwezen zijt, en de kleine en groote plichten van uw Christendom kent, beproeft gij, wat het beste te doen zij, en doet u voor als gansch nauwgezet, om steeds slechts datgene te doen, -wat Gods wil is, anders, zegt gij, laat gij liever alles varen; het moet bij u alles overeenkomstig Gods wil zijn, naar gij voorgeeft; en gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman dergenen, die naar uwen maatstaf blind zijn, een licht dergenen, die nog niet weten, wat gij weet, een onderrichter, en wel een scherpe, dergenen, die in uwe oogen onwijs handelen, een leermeester dergenen, die niet zoo verstandig zijn, gelijk gij uzelven voor verstandig houdt; gij hebt de gedaante der kennis en der waarheid in de Wet. Maar waarom hebt gij niet het wezen, het waarachtige wezen van datgene wat recht is; ziet gij niet, dat zulks u ontbreekt? Gij leert anderen en leert uzelven niet, maakt niet de toepassing op uzelven! Gij predikt, dat men niet stelen zal, en gij steelt zelf, — in koopmanschap, in handel, bij erfenissen, en waar u het goed van weduwen en weezeu is toevertrouwd, of waar gij ongestraft meent te kunnen stelen, terwijl uw naam van eerlijkheid daarbij niet in gevaar komt? gij zegt, dat men geen overspel doen zal, en echtbreuk en andere zonden van hoererij en ontucht hebt gij bij anderen weldra aan het licht gebracht en brengt ze aan het licht, — en gij doet zelf overspel, hetzij dat gjj met de vrouw eens anderen leeft of met eene vrouw leeft, die door den echt uwe vrouw niet is, die gij echter onder den naam van geestelijken echt vleeschelijk aan u verbonden houdt, of wel dat gij u aan de plichten, die gij uwer eigene vrouw schuldig zijt, onttrekt? Gij hebt een gruwel van de afgoden, van de Roomschen, en gij be rooft God van hetgeen het Zjjne is, en Zijne heiligen en wat voor Hem heilig is, vertreedt gij onder uwe voeten om eigenbelang.
Gij beroemt u te weten, wat anderen hebben te doen en na te laten, j a , gij beroemt u zulk eene goede Wet te hebben, en gij onteert God door overtreding van deze goede Wet, want overal moet men voor u zwichten en voor u en uwe inzettingen en wetsbepalingen het hoofd buigen, en bij u komt het niet op, om met ware zelfverloochening het uwe prijs te geven, opdat uw naaste niet geërgerd, maar voor Christus gewonnen worde. Want hiervandaan, dat gij, bij alle voorgewend doen, de Wet niet doet, waar het op de waarachtige liefde Gods en des naasten aankomt, komt het, dat bij degenen, die God niet kennen, terwijl zij uwen verkeerden wandel zagen, Gods Naam gelasterd wordt, gelijk zulks in de Schrift betuigd wordt, waar het luidt: „En nu, wat heb Ik hier te doen? spreekt de Heere, dewijl Mijn volk om niet weggenomen is, en degenen, die over hetzelve heerschen (die in de kerkelijke zaken heerschen) het doen huilen, spreekt de Heere, en Mijn Naam gedurigljjk den ganschen dag (door degenen, die Mij niet kennen, maar de huichelarij wel doorzien) gelasterd wordt (als ware er geen onderscheid tusschen Mijnen en des duivels dienst).
Wel hem, die bij zulke vragen zichzelven leert kennen, terwijl hij die zichzelveii voorlegt en wat hij hoort en leest op zichzelven toepast. Hij zal zoo vele zonden en schandvlekken bij zich vinden, dat hij alle aanmatiging der werken spoedig varen laat en met den tollenaar zal uitroepen: O God, wees mij zondaar genadig; ik heb voor U geene gerechtigheid; Gij zijt rechtvaardig als Gij mij te gronde laat gaan; bekleed mij uit genade met de gerechtigheid, waarbij Gij rechtvaardig blijft, als Gij mij alles vergeeft, en waarbij ik voor U rechtvaardig zjjn mag, ofschoon ik niets dan zonden en ganschelijk geene werken heb, die U welbehagelijk kunnen zijn.
27 September 1857. H. F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

De rechtvaardigheid Gods naar Romeinen 1 : 17—32 en 2 : 1—27, (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken