Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van Ev. Mattheüs 5 : 8.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ev. Mattheüs 5 : 8.

9 minuten leestijd

„Zalig zijn de reinen van hart, want zij zollen God zien."

De bergrede des Heeren Jesus is door mensehen van allerlei godsdienstige richting onder het Christendom schoon, allervoortreffelijkst genoemd. En met recht; toch is zij niet, gelijk beweerd wordt, eene nieuwe leer door Jesus gepredikt, o neen! zóó weinig, dat zij in haar geheel — om zoo te zeggen: woordelijk — uit de boeken van Mozes en de Profeten genomen is. Ook is zij niet eene nieuwe wet van Christelijke liefde, ootmoed, zelfverloochening en wat dies meer zij -— gelijk weer anderen beweren. Integendeel; de geheele bergrede is naar haar innigste wezen volstrekt geene wet-prediking, maar louter Evangelie. Haar aanhef duidt dit ten klaarste a a n , want zij begint met eene zaligspreking van dezulken, die niets hebben in zichzelven, om voor God te kunnen bestaan; zij verwerpt alle gerechtigheid, die uit de werken der wet, des vleesclies is en roemt alléén de eeuwige, eenig geldende gerechtigheid Gods. Maar juist op grond der eeuwige genade, zooals zij in Christus Jesus is verschenen, handhaaft zij de eeuwige Wet als het eenige fundament der zaligheid, als de Wet des levens en des Geestes, de Wet der waarachtige vrijheid, en drijft den mensch af van allen valschen grond des geloofs en der hope, opdat hij in onbedriegelijkheid der waarheid — door de enge poort — den ingang ten leven zal gevonden hebben. Bij de zaligspreking hebben wij niet te doen met eene wettische voorwaarde — heete zij ook Christelijk, Evangelisch, — aan den mensch gesteld tot den ingang in het Koninkrijk der hemelen; maar elke zaligspreking openbaart eene weldaad van het eeuwig genadeverbond in Christus Jesus vastgemaakt, brengt eenen lichtstraal uit den hemel in het hart dergenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduwen des doods — zij toont eene eigenschap aan van de burgers van het Godsrijk. Zij zijn dus waarachtig Evangelie-woord, in der waarheid vertroostende alle verslagene zondaars, — maar juist zóó handhavende de eeuwige gerechtigheid, de heiligheid des Heeren Heeren. Dit moet in het oog gehouden worden bij het onderzoek , waarin het „rein van hart zijn" bestaat. Gods eeuwiggeldende Wet vraagt, eischt reinheid des harten van al de onderdanen van het Koninkrijk der hemelen. Het onware, onzuivere, valsche, het onreine kan in het Rijk Gods niet bestaan; het heeft er geene plaats. Dat leert ons de Heilige Schrift overal zeer duidelijk; dat is overeenkomstig het Wezen Gods, waarover de Serafs het driemaal-heilig aanheffen.
In Psalm 24 staat geschreven: „Wie zal klimmen op den berg des Heeren? en wie zal staan in de plaatse Zijner heiligheid ? Die rein van handen en zuiver van harte is, die zijne ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert." Asaf getuigt Psalm 73 : 1 : „Immers is God Israël goed, dengenen, die rein van harte zijn"; en de getuigenis des Heiligen Geestes in den mond van den „liefelijke in Psalmen van Israël" is: „Welgelukzalig is de mensch, in wiens geest geen bedrog i s " (Ps. 32: 1.) Hieruit blijkt genoegzaam, dat voor Gods gericht slechts kunnen bestaan de reinen van hart.
Wat is rein van hart zijn? bestaat het in een rein zjjn, zuiver te wezen van alle zondige en booze gedachten, of in volstrekte onschuld en zondeloosheid, of wel in vreemd zijn aan eiken vleeschelijken lust, of in een zekere schoonheid, reinheid, onbevlektheid der ziel? Zóó hebben geleerden en ongeleerden in eigenwilligen godsdienst en eigengerechtige vroomheid, in vleeschelijke heiligmaking zich verlustigende, vroeger en later gemeend; en door zoodanige leeringen, die geboden van men. schen zijn, zijn vele zielen verleid ten verderve, en worden velen van de eenvoudigheid der waarheid afgetrokken. Maar op deze wijze wordt de reinheid en heiligheid Gods verlaagd tot menschelijk peil, — en de zonde, de volstrekte onheiligheid des menschen wordt geloochend, en in waarheid: zóó wordt voor den armen zondaar de weg tot het heil Gods gansch en al afgesneden. Want ware het zóó. dan is er voor ons mensohen geene zaligheid; immers, wie is zuiver, die van eene vrouw geboren is?! Er staat geschreven: „Er is niemand rechtvaardig"; er is niemand rein.
Rein van hart zijn, het bestaat in „waarheid en oprechtheid in het binnenste"; in het „gereinigd hebben van het kwaad geweten"; in „het ophouden van onze booze werken"; het laten varen van den dienst der afgoden, waarin men in leer en leven God den Heere van den troon stoot, Zijn Woord veracht, Zijne Wet verwerpt, Zijne genade versmaadt. Rein van hart dan zijn zij, in wier geest geen bedrog en geene geveinsdheid is, die zich bij God voordoen zooals zij zijn; die zich niet rein wanen, maar gelooven, dat alleen God uit genade aan hunne onreinheid niet wil gedeuken. Rein van hart zijn zij, die het bestraffende licht van Gods Woord den diepsten schuilhoek van hun hart laten doorschijnen; dies bedekken zij, verbergen noch vergoelijken zij eenige ongerechtigheid voor des Heeren aangezicht. Zij houden zich, —- gelijk wij b.v. volgens den 51sten Psalm bij David zien, — in hunne onreinheid en zonden alléén en geheel aan het Woord des Heeren, dat hen rein verklaart uit loutere genade enkel om het bloed des Lams, geslacht van de grondlegging der wereld. Zij kunnen niet op eenen twijfelaclitigen , valschen grond rusten , maar moeten op effen voet staan met de waarheid en gerechtigheid Gods, d. i. met God Zeiven; er moet niets tusschen God en hunne ziel zijn.
Het rein van hart zijn is dan niet: van zonde, onreinheid en alle besmetting in zichzelven bevrjjd en vrij zijn, — och, hoe spoedig volgt uit zulk eene bedriegelijke en leugenachtige meening de taal des hoogmoeds : „Naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij", — maar het bestaat hierin, dat men in oprechtheid voor den Heere erkenne en belijde : ik ben onrein, onrein door en door, en alzoo, in ongeveinsdheid, tegen zijne zonde en onreinheid alléén de toevlucht neme tot Jesus Christus, Wiens bloed ons reinigt van alle zonde, Die is de fontein, van welke Zacharia profeteerde: „Te dien dage zal er eene fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jerusalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid" (Zach. 13; i), — Rein van hart zijn alzoo zij, die gelooven aan het Woord van genade, die gelooven aan het bloed Jesu Christi als hunne eenige reiniging; derhalve — en daarop dient wel gelet te worden — zij zijn alléén rein in geloove. Immers, dat leert de Heilige Schrift duidelijk. Onreinheid noemt zij steeds den afgodsdienst. O.a. Ezech. 36: 18 luidt het woord des Heeren: „Daarom goot Ik Mijne grimmigheid over hen uit, om hunne drekgoden, waarmede zij zich verontreinigd hadden; en Vs. 25: „Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden: van al uwe onreinigheden en van al uwe drekgoden zal lk u reinigen"; dienovereenkomstig heet het in Hand. 15: 9: „Gereinigd hebbende hunne harten door het geloof." Zoo is er volgens de Heilige Schrift, — in welk licht ook dit woord moet verklaard worden, — van geen ander rein van harte zijn sprake, dan in geloove; m. a. w. het is een rein zijn niet in onszelven, maar, hoewel zondig en onrein zijnde, nochtans rein zijn, rein door de aanraking van den eenig Reine, Jesus Christus onzen Heere; alzoo door het geloof met Christus Jesus verbonden en vereenigd.
De reinen van hart hebben dus een rein hart, en toch is het datzelfde hart, waarvan geschreven staat en wat levenslangvan ons gelden zal: „Al het gedichtsel der gedachten zijns harten is ten alle dagen alleenlijk boosheid."
De geloovigen zijn rein van harte, en toch blijft het van hen waar, wat de Heere Jesus zegt: „Van binnen uit het hart des mensohen komen voort kwade gedachten , overspelen, hoererijen , doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hoovaardij, onverstand. Al deze dingen komen voort van binnen en verontreinigen den mensch." Zie, dat is ons hart; en voorwaar! de Heilige Geest leert juist de reinen van hart dit beamen, en zij juist stemmen met den Profeet Jeremia in: „Arglistig is het hart, meer dan eenig ding, ja doodelijk is het, wie zal het kennen?" En evenwel met dit hart, boos, onrein, zondig en zondigend als het is, wenschen zij den Heere onverdeeld aan te hangen, opdat het niet arglistig zij, niet boos en onrein, opdat het niet voortbrenge allerlei ongerechtigheden, maar opdat het bij den levenden God blijve, opdat het er alles aan geve wat met Zijne gerechtigheid in strijd is. Zoo begeeren de reinen van hart zich oprechtelijk vast te klemmen aan eeuwige ontferming, — aan den eeuwigen Ontfermer, opdat zij wandelen mogen zonder vreeze in heiligheid en gerechtigheid al de dagen huns levens. O ja, voor den Heere God ligt hun hart open en bloot; in Zijn oog zijn zij rein van hart om en in het bloed Christ i maar voor hun oog is er slechts onreinheid aanwezig, en klagen zij zich aan wegens zonden en nogmaals zonden, —o, hoezeer ervaren zij de boosheid van hun hart, zoodat zij in het stof buigen en uit diepten van ellende schreien tot God: „Schep in mij een rein harte, en reinig mij van mijne zonde." — Maar juist door deze voortdurende ontdekking hunner onreinheid , en in den weg van oprechte zonden-belijdenis, houdt de Heilige Geest hen bij den Heere Jesus Christus, Wiens bloed van steeds reinigende kracht is, en waarin de macht ligt tot eenen heiligen wandel. Zij kunnen dan van zichzelven nooit reine werken, reine vrucht verwachten; en toch is het hun daarom, om Gods wil, ter eere Zijns Naams, te doen. Zie, opdat er zij, wat er zijn moet en uit hen als uit hen in eeuwigheid niet voortkomt, en opdat niet het onreine hart met zijne bewegingen en verrichtingen heersche, strekken zij zich gestaag uit en worden voortdurend geleid tot de Fontein des levens, des lichts en der reinheid, opdat èn ziel èn lichaam èn geest onberispelijk bewaard worden in de toekomst van onzen Heere Jesus Christus. (Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Verklaring van Ev. Mattheüs 5 : 8.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken