Bekijk het origineel

Leerrede over Genesis 17: 7 ').

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Leerrede over Genesis 17: 7 ').

8 minuten leestijd

De Heere Jesus, onze groote Koning en onze eenige en volkomen Zaligmaker, schenke U de genade en vertroosting van Zijnen Heiligen Geest, voor zoover gij den Heere kent, of achter Hem zijt, gelijk die ongelukkige vrouw uit het Evangelie, welke zeide : „Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes, die er vallen van de tafel hunner heeren." Dezulken verheuge de Heere Jesus met Zijne genade, bij de herinnering aan Gods verbond, met Zijn volk gemaakt, zooals dé Heere tot Zijn volk zegt: „Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer."
Voordat wij overgaan tot het doel, waartoe wij te zamen zijn, namelijk tot de bediening des Heiligen Doops aan eenige kinderen, zoo van hier uit de stad als van buiten gekomen, zullen wij met elkander lezen en ter harte nemen, wat geschreven staat Gen. 1 7 : 7 :
„En Ik zal Mijn v e r b o n d o p r i c h t e n t u s s c h e n Mij e n t u 8 8 c h e n u, e n t u s s c h e n u w z a a d n a u i n h u n n e g e s l a c h t e n , t o t e e n e e u w i g v e r b o n d , om u te z i jn t o t e e n e n G o d , en u w e n z a d e n a u."
Wij overwegen: wat het verbond is; van wien het komt; en wat het in zich heeft.
Mijne Geliefden! Die een verbond met ons heeft opgericht, is God. Het komt uit het hart des eeuwigen Yadersi en Die het zegt, is de eeuwige Zoon des eeuwigen Vaders, het ongeschapen Woord. Het verbond, waarvan de Heere hier spreekt, is het verbond van eeuwige genade; niet een verbond der wet of werkverbond, waarbij het h e e t: als gij .dat doet en gedaan zult hebben, dan zal I k dat en dat voor u zijn; — neen, een genadeverbond, dat wil zeggen, dat het alles uitsluit wat van den mensch gebracht zoude kunnen worden, of wat ook de mensch meent te kunnen. Het is een verbond, waarbij de Heere geen acht slaat op wat de mensch anders is, dan een groot zondaar; het denkt om zonde en overtredingen niet verder, dan . . . omdat gij zóó zijt, omdat gij verloren zijt en uzelven niet kunt helpen, en omdat gij niet tegen uwe vijanden bestand zijt, zoo neem I k u op, zoo als gij zijt, zoo zondig en ellendig als gij zijt, zoo schuldig en verdoemenswaardig als gij zijt, ja, zoo als een heiwaardige neem Ik u op en breng u bij Mij, opdat gij leeft onder Mijnen koninklijken schepter der genade, en Ik zal u daar van alles voorzien, voor tijd en eeuwigheid, en Ik zal als een vurige muur rondom u tegen uwe vijanden zijn, zoodat geene van uwe vijanden u in hunne macht zullen krijgen, maar Ik zal uwe sterkte zijn en uwe gerechtigheid, en Ik zal u genade bewijzen, en gij zult Mijnen Naam loven, en zoo woont gij dan bij Mij in vrede en rust, en gij zult gedurig verkwikt worden met Mijne koninklijke spijzen, uw beker zal overvloeien. Zit stil, mijne dochter, want Die u zesmaal uit den nood geholpen heeft, Die zal het ook wel de zevende maal doen, Hij zal zekerlijk Zijn werk voleinden.
Het is een verbond, waarbij God van de Zijnen niets verwacht. Hij heeft gezegd: „Ik heb wel geweten, dat gij gansch trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genaamd zijt." Ik wist het wel, zegt de Heere; en waar God de Heere dan de Eerste is, daar is Hij ook de Laatste; Hij is de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde.
Zegt daarom den Heere dank voor Zijne genade, gij broeders en zusters! dat gij, bij al de verschrikkelijke ketterij in ons land, nog met des Heeren Woord en met Zijne waarheid bezocht wordt, opdat wij eenen vasten grond tegen dat alles onder de voeten hebben, — en dat wij onze kinderen zien doopen, niet als het kind tot het geloof gekomen is, zoodat men eerst zal zien, of het gelooven zal, maar dat men niet daarnaar vraagt, maar alleen vraagt : Wat heeft God uit vrije genade gedaan, wat heeft God gezegd? — Of, zijn er die zeggen: eerst moet het kind gelooven, en dan zal men het doopen, — zoo zeg ik : weer van het kind de moedermelk, en zie eerst, of het groot wordt, en geef het dan m e l k , . . . . zoo weer niet van het kind datgene wat God Zelf voor het leven des kinds geeft, en laat Hem doen met het stof, zooals het Hem behaagt.
2. Dit verbond der genade richtte God op met Abrahan^ den vader der geloovigen. Dat gij hier dan voor uzelven niet aan de besnijdenis denkt, maar aan het genadeverbond, waarvan de besnijdenis voor den geloovigen Abraham, toen hij nog in «Ie voorhuid was, een teeken en zegel was van zijn geloof. Want toen hij nog, naar de Heidensche wijze, midden in de zonden leefde, toen maakte God een verbond met hem; en van dit verbond was de besnijdenis een teeken, een teeken van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God door het geloof in de genadige toerekening.
Abraham heeft voor God geene werken gehad; de werken, die hij gedaan heeft, die heeft hij in God gedaan en niet in zichzelven, — en het geloof iB hem tot rechtvaardigheid gerekend. En zoo komt nu de groote God, en zegt: Gij, die midden in de zonde zit en vol ongeloof zijt, — met u zal Ik Mijn verbond oprichten, en Ik zal uw God en de God van uw zaad zijn. —Maar Heere, ik mocht zoo gaarne gelooven, maar ik kan niet gelooven, — wek toch nu leven op in mijn doode hart, geef mij genade, Heere! om te gelooven, want ik heb altijd andere dingen voor oogen, dan Uwe genade. Heere Jesus, ontferm U mijner!
In plaats van de besnijdenis is nu de Doop ingezet, en heeft dezelfde beteekenis. De besnijdenis is eene schaduw van het bloed van Jesus, tot verzoening van onze zonden. Het water in den Doop is eene schaduw van den Heiligen Goest, dat Hij aan ons en onze kinderen toepast, wat de Heere voor Zijn volk verworven heeft, en aan ons Zijne gaven mededeelt.
Vandaar nu zien wij, dat God niet alleen met Abraham een verbond maakt, maar, zegt de Heere: Ik ben rijk en machtig genoeg, omeenen armen mensch, die geheel bankroet is, te helpen; en zoo help Ik hem en zijnen kinderen, en maak met hen een eeuwig zoutverbond. — God de Heere is rijk in ontferming, en zoo wil Hij niet alleen denken aan ons, maar ook aan ons zaad. Zoo nu zegt God tot Abraham : „En Ik zal Mijn verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u, en tusschen uw zaad na u." Alzoo met u en uw zaad na u.
Het zaad der Kerk blijft. De duivel doet alles om het zaad uit te roeien, maar God de Heere zorgt wel voor Zijnen akker, zoodat er altijd zaad genoeg overblijft, en als men denkt, alles is weg, dan komt de trouwe God, die een groot Ontfermer is, en zeer goed weet, wat vader en moeder voor het heil van hun kind wenschen, Hij komt hun met Zijne genade en barmhartigheid voor, en zegt: Gij zijt in Mijn verbond opgenomen, en uw kind ook. Ja, de moeder mag pleiten, als zij het kind onder het harte draagt, op dat eeuwig zoutverbond : „u en uwen zade na u." Dan kunnen de ouders in het geloove Jesu hunne voeten uitstrekken, hunne kinderen zegenen, en hun den Heere aanbevelen, de oogen sluiten en zeggen: Gij zult wel aan mijne kinderen denken, genadige trouwe Yader! Gij hebt mij steeds verrast, Gij, Verhoorder des gebeds. ! Daarom laat ons bij den Heere aanhouden; al is liet kind nog zoo verkeerd, het komt terecht, een kind van veel gebeds, namelijk als men de genade van den Heere Jesus liever 1 heeft dan zijn vleesch en bloed. (Slot volgt.)


1) Wij bieden hier onzen lezers de schets eener leerrede aan, gehouden doar Dr. H. F. Kohlbrügge, vóór de bediening des Heiligen Doops, in de Frausche Kerk te Delft, 31 Maart 1867. Voorzang: Ps. 1 0 5 : 3 , 4 en 5. Bij h:t binnenleiden der kindereu werd gezongen: Ps, 8 : 1 , 2 en 4. Nazang : Ps. 69 : 14.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Leerrede over Genesis 17: 7 ').

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken