Bekijk het origineel

De Gelijkenis van de wijze en dwaze maagden. Ev. Matth. 25 : 1—13.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Gelijkenis van de wijze en dwaze maagden. Ev. Matth. 25 : 1—13.

9 minuten leestijd

Deze gelijkenis sluit zich door het woordje „alsdan'' onmiddelijk bij het voorafgaande aan. De Heere Jesus had gesproken over de toekomst van den Zoon des menschen, n.1. over Zijne wederkomst in den grooten dag, den dag des laatsten oordeels, van welken dag des gerichts de verwoesting van Jerusalem beeld en voorspel was. Het wederkomen des Heeren had dan plaats op den dag, toen Jerusalem verwoest werd, — heeft voortdurend plaats in allerhande oordeelen, ook op den sterfdag van ieder mensch, — en wordt ten volle openbaar op den laatsten oordeelsdag.
Volgens de Heilige Schrift, naar de eigene uitspraken van den Heere Jesus en van Zijne Apostelen, is het buiten allen twijfel, dat de Heere Jesus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, die een Zoon des menschen wilde worden, gekomen niet om gediend te worden, maar om te dienen en Zijne ziel te geven tot een losprijs voor velen, nadat Hij opgevaren is ten hemel en gezeten is aan de Rechterhand Gods des Almachtigen Yaders, — dat Hij eenmaal wederkomen zal, wederkomen „om te oordeelen de levenden en de dooden". Of dat nu door de mensehenkinderen geloofd wordt of niet, die dag komt even zeker als ons stervensuur.
Of de mensehenkinderen op deze aarde al werken en regeeren naar eigene lusten en begeerten, in eigene wijsheid en kracht, — de dag der dagen zal het verklaren en openbaren, dat des menschen rijk en werk niet eeuwig zijn, maar dat het alles, alles zal vergaan. De dag Christi, de dag van het laatste oordeel komt, en . . . maakt een einde aan al het zichtbare. „De hemel en de aarde zullen voorbijgaan" zegt onze Heere, „maar Mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan". Zie, dan komt Hij, de Heere, in heerlijkheid met de vele duizende engelen Zijner kracht, en Hij strekt Zijne hand uit tot verderving van alle goddeloozen, die God niet kennen en het Evangelie van Jesus Christus ongehoorzaam geweest zijn . . . maar tot het doen beërven van het eeuwige Koninkrijk, tot inleiding in Zijne heerlijke bruiloftszaal allen, die Zijne getuigenis bewaard hebben, de geroepenen , de uitverkorenen , de geloovigen, die met Hem zijn, die het Lam volgden, waar het ook heenging, — door lijden en strijd, door nood en dood hierbeneden.
Wanneer komt die dag? „Van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen", zóó getuigde de Heere Jesus aan Zijne discipelen; — maar komen zal hij; en, onverwacht en ongedacht zal het geschieden. Zóó toch ging de Heere Jesus voort te spreken: „En gelijk de dagen van Noach waren, alzoo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen. Want gelijk zij waren in de dagen vóór den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging, en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam; alzoo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen" !
Er is dan alle reden, het is volstrekt noodzakelijk, dat wij heden, heden acht geven op des Heeren Woord. Het lijdt geen uitstel, — opdat de dag van Christus ons niet onvoorziens overvalle, opdat de Heere, als Hij komt, ons bereid vinde. Wij moeten gereed zijn voor Zijne verschijning, opdat wij in Zjjne heerlijkheid deelen. Wat ons daartoe noodig is, wordt ons in deze gelijkenis aangetoond.
De gelijkenis spreekt van „tien maagden, die hare lampen namen en gingen uit, den bruidegom te gemoet". Naar Oostersch gebruik gingen ter gelegenheid van eene bruiloft de vriendinnen der bruid tegen de komst van den bruidegom, hem met lampen of toortsen te gemoet, om hem tot de bruid te geleiden. Het was dan avond en nacht. Er moest dus licht zijn; licht voor den bruidegom, ter zijner eere en mede om de bruiloftszaal te verlichten. Nu lezen wij van die maagden: „En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen. Die dwaas waren, hare lampen nemende, namen geene olie met zich; maar de wijzen namen olie in hare vaten met hare lampen."
De wijsheid bestond dus in de voorzichtigheid, de bedachtzaamheid, de zorg om toch olie mee te nemen, opdat de lampen niet uitgingen, hoe lang ook de bruidegom toeven mocht; de dwaasheid was deze, dat er niet in de eerste plaats aan gedacht en voor gezorgd werd, dat men geene olie te kort kwam, opdat de lampen brandende bleven. —
Waar nu de Heere Jesus het Koninkrijk der hemelen vergelijkt met deze maagden, — zoo worden wij in de eerste plaats er op gewezen, dat het Koninkrijk Gods, het Rijk Zijner genade en gerechtigheid in Christus Jesus, in het hart des menschen opgericht wordt door het Woord Gods. Maar het Woord Gods, overal waar het gehoord en gepredikt wordt, vindt niet in allen, die het hooren, zaligmakende plaats. Het gaat er mee, zooals de gelijkenis van den zaaier (Luk. 8) ons dat predikt. Het komt in de Gemeente daarop aan, dat het gehoorde Woord Gods in een eerlijk en goed hart bewaard worde en in volstandigheid vruchten voortbrenge; d. w. z. dat er een hart. zij, dat het Woord verstaat, op ziehzelven toepast, met ziehzelven vergelijkt en zich er aan onderwerpt. Zoo zijn er dus daar, waar God Zijne Gemeente Zich vergadert, waar Hij met Zijn Woord en Geest wonen en werken wil, menschen, die het Woord hooren.en, zij het ook voor eenigen tijd, korter of' langer, er zich in verheugen , maar zij zijn öf alleen hoorders, of zij volharden niet in het Woord; — én, er zijn menschen, die niet alleen hoorders, maar óók daders des Woords zijn, die in het Woord, in Christus blijven.
Tot de Christelijke Kerk, t. w. voor zoover zij met recht alzoo heeten mag om hare rechte, ware, zuivere belijdenis van den Christus Gods, den eenigen grondsteen door God in Zion gelegd, — behooren dus die waarlijk levende zijn door en in het Woord èn zij, die, hoewel hun datzelfde Woord gebracht i s . en zij dezelfde belijdenis hebben, evenwel niet levende zijn door en in dat Woord. Of, om met de gelijkenis te spreken: er zijn wijze en dwaze maagden, die samen uitgaan den bruidegom te gemoet. — Het is dan wel juist, als men in de Gemeente van Christus in deze wereld spreekt van l e v e n d e lidmaten, o p r e c h t geloovigen, w a r e bekeerden, in onderscheiding van de zoodanigen, die den naam hebben, dat zij leven, en ziet! zij zijn dood, die niet oprechtelijk gelooven, die zich niet met een waar hart tot God bekeeren. — Zoo geldt dan deze gelijkenis den Christenen, allen, die zich van de ongeloovige wereld hebben afgezonderd; zij grijpt in de Christelijke Gemeente in, en maakt daar scheiding tusschen schijn en wezen, letter en geest, zeggen en doen, dood en leven.
Maar, letten wij vervolgens op de overeenkomst tusschen de wijze en dwaze maagden, wat zij gemeen hebben. Zij waren allen maagden, vriendinnen van de bruid, zij hadden gemeenschappelijke verwachting, nl. de bruidegom komt. Zjj gingen dan ook samen uit Hem te, gemoet. Zij namen allen hare lampen mede, zij wisten, dat er licht moest zijn.
En, zoowel de wijze als de dwaze maagden, als de bruidegom vertoefde, werden sluimerig en vielen in slaap. Ook, als te middernacht een geroep geschiedde: „Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem te gemoet", stonden al die maagden op en bereidden hare lampen.
Yeel, veel hadden zij dus met elkaar gemeen; waarlijk men ontdekt zoo maar niet het onderscheid. Maar, wat wil de Heere Jesus daarmede te kennen geven? Wat beteekent dit? Immers, de beteekenis ligt voor de hand. Maagden, vriendinnen van de bruid, — zegt dit niet, dat zij oogenschijnlijk allen deel en gemeenschap hebben met de Gemeente van Christus; zij hebben de verwachting van de komst des bruidegoms, van de toekomst van Christus; zij verbeiden Hem, om straks met Hem ter bruiloftszaal t,e gaan, om te deeleu in de heerlijkheid des Ivonings Christus. Zij gaan Hem te gemoet met hare lampen, wetende: Hij, de Bruidegom, moet licht hebben; voor Christus, als Hij komt, moet alles rein en levend en heerlijk zijn.
Er is dus kennis van den Christus, er is ee.i dienen van den Heere; er is geloof, hope, verwachting; — maar de bruidegom toeft, de Heere vertraagt Zijne komst. Och, het wachten, het verbeiden valt zwaar; in den strijd des geloofs schiet men te kort, zonde, wereld, duivel, nood en lijden doèn verslappen. Ach, er komt zorgeloosheid, — men wordt gesust; men is toch bekeerd , geloovig, een goed Christen, en . . . eer men het vermoedt valt men, men zinkt al dieper en dieper weg in zorgeloosheid en vleeschelijke rust. Maar . . . daar komt het geroep — o te midden van den nacht der zorgeloosheid en der vleeschelijke gerustheid—: Hjjkomt, Hij komt, •— staat op, gij, die slaapt, op, Hem te gemoet! Maranatha, de Heere komt! En daar staan allen op, — de een en de ander, die den Christus verwachten, en zij maken zieh gereed, om met Hem Zijne heerlijkheid in te gaan! Maar o, dat wij er op letten, dat wij ons laten waarschuwen! dat zal niet met allen het geval zijn. „Velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen." Neen, niet allen, die hier gerekend werden, èn door ziehzelven èn door anderen, onder degenen, die den Heere Christus verwachten tot zaligheid, zullen ingaan in de vreugde des Heeren. Het komt op dat ééne aan, dat de wijze maagden in onderscheiding van de dwaze hadden; — dat ééne maakte, dat zij, — hoewel zij mede in slaap waren gevallen, en wat tot waarschuwing van elk oprecht kind Gods vermeld wordt, — dat zij nochtans met den bruidegom ingingen tot de bruiloft. Wat is dat ééne ? Dat wordt ons duidelijk uit de verdere beschouwing van de gelijkenis. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 juli 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

De Gelijkenis van de wijze en dwaze maagden. Ev. Matth. 25 : 1—13.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 juli 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken