Bekijk het origineel

De Profeten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Profeten

III. Mannen van het profetisch Woord in het algemeen.

13 minuten leestijd

Ten tijde toen in Israël en Juda Assyrië en Babel als geesels aan den horizon zichtbaar werden, namen de Profeten, die het Woord machtig waren, eene veelbeteekende plaats onder het volk in. Toen het gerichte Gods over Israël reeds bepaald was, traden deze mannen op; het was niet de roeping dezer mannen om voor den ondergang te bewaren. Indien zij echter het volk op dezen weg ten ondergang niet meer konden terughouden, zoo strekte nochtans hun getuigenis hiertoe, dat God voor de ooren des volks gerechtvaardigd werd Men heeft later de graven dier Profeten gebouwd, gelijk Jesus in Matth. 23 : 29 zegt, maar bij hun leven werden zij dikwijls ten bloede toe vervolgd. Hun standpunt was uiterst moeilijk, naardien zij op geene zichtbare gevolgen wijzen konden en slechts bij eene geringe minderheid des volks gehoor vonden. Daarom was het Woord in Jesaia 6: „Maak het hart dezes volks vet" enz. voor den Profeet eene opbeuring op den weg naar de diepte, dien hij betreden moest. Het tijdperk, waarop de getuigenis dier Profeten doelde, was eigenlijk de toekomst, die zij en hunne tijdgenooten evenwel niet beleven zouden. Zij arbeiden in het gevoel, dat het niet lang meer duren zal, dat voor een groot gedeelte der twaalf stammen het einde daar zal zijn; maar zij arbeiden evenwel, zoolang het dag i s , eer de nacht komt, waarin niemand werken kan. Zij schrijven op, wat zij mede te deelen hebben; zij denken aan de nakomelingschap. Yoor dit nageslacht althans moesten hunne geschriften een kostbaar erfgoed zijn, waaruit men de goedertierenheid en den ernst Gods kan leeren kennen; de goedertierenheid, waar men gehoorzaam is; den snijdenden ernst, waar men ongehoorzaam is, Rom. 11 : 22. Zij onderzoeken daarbij, op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en getuigde het lijden, dat op Christus komen zou en de heerlijkheid daarna volgende, 1 Petr. 1 : 11, en zoo hadden zij, in weerwil van alle vruchteloosheid in het algemeen, voor zichzelven een groot gewin en mede voor degenen, die hun Woord geloofden. Zij behielden ten minste hunne ziel als eene b u i t , terwijl de groote meerderheid zich in het verderf stortte. Deze Profeten waren mannen, door den Heiligen Geest gedreven, mannen Gods, die op bepaalde tijden tot uitleggers van het Goddelijk Woord, van den Goddelijken wil geroepen waren. Zij pasten steeds in hunnen tijd; hun handelen en spreken hield rekening met den oogenblikkelijken toestand der dingen onder het volk Gods; juist daardoor werden zij voor eenen lateren tijd dikwijls moeilijk verstaanbaar, omdat hun woord voor hunnen tijd zoo uitermate gepast was. Voorts maken zij in geen geval jacht op schoone taal of vleiende woorden. Zjj zijn veeleer geesels voor allen, die kromme wegen liefhadden, en waren bjj tijden door iedereen gehaat. Hunne buitengewone zending onderscheidde hen van de priesters, die in Juda onafgebroken werkzaam waren. Deze hadden meer een ambtelijk karakter; de Profeten daarentegen eene buitengewone roeping. Wijding of vormelijke inleiding was er voor hen n i e t ; zij staafden het goede recht hunner roeping, hunne volmacht daartoe op deze wjjze, dat zij uitnemend de Wet Gods op het geslacht van hunnen tijd wisten toe te passen. Men zou kunnen zeggen: bij de priesters komt het meer op het ambt aan, bij de Profeten op den door den Geest Gods aangevuurden persoon. De Profeet treedt op als machthebbende, Matth. 7 : 29. De Profeet heet man Gods. Hij is langs eenen ongewonen weg voor eenen tijd geroepen wanneer de mond der priesters niet toereikend was, wanneer priesters en Levieten den verwonde voorbijgingen, wanneer priesters en Levieten stom waren, of zich schuil hielden en het heil van iets onverwachts te gemoet zagen, gelijk b. v. heden ten dage de „vromen" van eene nieuwe uitstorting des Heiligen Geestes voor de Kerk heil verwachten. Waar het Woord Gods dierbaar (nauwelijks gehoord) in het land geworden was, daar verwekte God zulke noodhulpen, bijzondere organen van den Heiligen Geest, Zijne lasthebbers of gemachtigden. Hunne roeping was om hot volk Gods over het treurige heden heen te voeren en in eene heerlijke toekomst den voet op vasten bodem te laten zetten. Het Woord Gods uit hunnen mond staat niet beneden dat van Mozes. Het nieuwe, dat zij brengen, stroomt uit dezelfde bron, waaruit de leer van Mozes vloeide. Deze leer in het leven te houden, dat was de bediening der Profeten (2 Kon. 17 : 13). De Profeten brachten het dus daarheen, dat de bron van Goddelijke onderwijzing niet verdroogde, maar bestendig opborrelde, zoo sterk, dat juist in de gewichtigste tijden minder van de "Wet van Mozes sprake is, maar meer nadruk gelegd wordt op datgene, wat God door den mond der Profeten liet verkondigen. Door de gansche geschiedenis der koningen henen treedt nu eens hier, dan ginds zulk een Profeet te voorschijn, die met de scherpste veroordeeling den toestand der dingen bloollegt en naar hunne juiste waarde in het licht stelt. Dat is dan wel zeer lastig voor allen, die den vrede ontijdig beminnen, maar ten hoogste welgevallig aan al degenen, die naar den waren vrede haken. De koningen vreezen voor hen, de vorsten worden verschrikt, maar de armen en ellendigen onder het volkjubelden hun toe, want zij waren hunne helpers en beschermers, die het waarlijk goed met hen voorhadden; zij hielden het geloof staandede wankelenden richtten zij op, terwijl zij in hunnen persoon eenen steun boden, waaraan het overblijfsel Israëls, dat voor Baal de knieën niet gebogen had, zich oprichtte. Daarvoor waren zij eene sterkte en verkwikking, terwijl de priesters meest stomme honden waren (Hos. 4 : 1—10, Jes. 56 : 10. Micha 3 : 11). Terwijl de priesters in hunne bediening nalatig witVen, of ze ten hoogste als broodwinning beschouwden, veawekte God door Zijnen Geest zulke Profeten, hetzij in de lijst van het priesterlijke ambt of daarbuiten, en die Profeten waren dan lichten in de duisternis. Het is inderdaad toen volstrekt niet anders geweest dan in de I Christelijke Kerk. Ook daar geraken wij spoedig na het verscheiden der Apostelen in eenen tijd, in welken dikke duisternis de zichtbare Kerk bedekte en ook, als het goed ging, bieren elders een mond zich opende, om Gods waarheid te verkondigen en getuigenis af te leggen voor hetgeen recht is voor God en heilrijk voor de menschen. Het steeds toenemend ontbreken van zulke getuigen verhaastte het verval der Kerk. Traden zij op, zoo moest de Kerk zich ten minste schamen, zoo zij niet luisterde naar het "Woord, maar de mannen uitwierp, die God gezonden had. In het begin der zeventiende eeuw helaas waren er zulke Profeten niet. Het Protestantisme was ingesluimerd en traag geworden. In Oostenrijk en ook in Bohemen is het Protestantisme dientengevolge te gronde gegaan. De kudde schapen werd in de woestijn gedreven, en de stal werd voor de wolven geopend. Daarbij kwam de verdeeldheid o. a. op den Rijksdag te Neurenberg, korten tijd vóór Prederik naar Praag trok; de Protestanten waren schromelijk tegen elkander verbitterd; wederom ontbrak de mond van zulk eenen Profeet. Of de mond van zulk' een Profeet zou gebaat hebben, is de vraag; immers ook in het Oude Testament zien wij, dat zij wel spraken en getuigenis gaven tegen de zonden van hun volk, maar evenzeer, dat zij geen gehoor vonden. Genoeg echter, zij waren er. "Wie nu onder het volk beleed het geloof der vaderen te omhelzen en in de hoop op de toekomst van Christus zijne vreugde te vinden, voegde zich bij die Profeten, en hoe verward de tijd ook wezen mocht, zoo was er dan toch deze of gene, van wien een zeker en helder geluid uitging. "Wij vinden in den nood en in het gevaar de oudsten van Samaria rondom Elisa vergaderd; koning en volk buigen voor zijn gezag. Jesaia treedt Achaz te gemoet, belemmert zijne verdere schreden, en doet hem ontstellen, zoodat hij tot nadenken komen moet. Van hetgeen uit hunnen mond gehoord werd, hing het wél of het wee des volks, oorlog of vrede af, Jeremia 28 : 8 en ook bij Ezechiël.
Door de macht des "Woords bleven de Profeten in het bezit van eenen ontzaglijken invloed en namen eeuwen lang eene plaats in, die hen boven de ambtsdragers van beroep, over priesters en Levieten verre verheven deed zijn. Waar de ambtelijke woordvoerders zwegen, of zich schuil hielden, vanwege den schrikkelijken tijd en de macht der duisternis, daar treden zij tijdig of ontijdig te voorschijn, of men het oor neigde of afwendde; zij spraken en getuigden van de waarheid Gods; zij vraagden er niet naar, of zij-hun leven zouden behouden of verliezen. Zij deinsden er dan ook niet voor terug, als het er op aan kwam, het prijs te geven, indien maar de Koning Israëls, de Heere God , gerechtvaardigd wordt en al Zijn doen als waarheid en rechtvaardigheid uitkomt.
Ondertusschen heerschte er de diepste stilte in de kringen der eigenlijke ambtsdragers, Jer. 18 : 18, Ezech. 7 : 26, Mal. 2 : 7. Josafat had den priesters met de Levieten de onderwijzing van het volk tot taak gesteld, 2 Kron. 17 : 7—9, 19 : 8 en v.v. De priesters kwamen veelal dan te voorschijn, als er iets goeds te verhinderen was, of zij waren den koningen ter wille; zij voegden zich meer dan betamelijk was tot hunnen dienst. Waren de koningen goed, zoo deden ook de priesters hunnen plicht; waren daarentegen de koningen slecht, ongehoorzaam, dan plaatste een priester, Achaz ten gevalle, zelfs een afgodenaltaar in den tempel; in één woord , zij lieten zich medesleepen, en een man als Jojada was eene uitzondering. Geheel anders waren de Profeten, welke als dezulken optraden, die de zware wonden, welke de afgodische koningen aan de Kerk toegebracht hadden, aantoonden. Zij handhaafden het woord der Wet, de Thora van Moze?, en vonden hartelijke instemming bij de stillen in den lande. Deze instemming hield gelijken tred met hunne getrouwheid jegens God en Zijn heilig Woord. Nooit miste die getrouwheid hare aantrekkingskracht, zij was een sterke magneet, die op het volk werkte. Onze Profeten zijn in geenerlei opzicht volksopruiers, lieden, die het volk naar den mond prat e n , die eerst beluisteren willen, wat het volk gaarne verneemt, om daarnaar hunne rede in te richten. Het waren geen lieden, die het volk om den broode vleiden, gelijk de valsche profeten, en welk een jammerlijk werk is zulk vleien toch ook! Het volk kruisigt weldra, voor wien het zoo straks nog palmtakken spreidde! Daarom is het onzen Profeten dan ook kwalijk genoeg gegaan. Hebreën 11 : 32—36 hangt een treurig tafereel op van de wijze, waarop men met hen gehandeld heeft. Wij behoeven slechts aan het oordeel van Stefanus te denken, Hand. 7 : 53 en voorts aan Matth. 6 : 12. Daaruit blijkt mede, dat de plaats der Profeten volstrekt niets aanlokkends had. Jeremia wilde geen Profeet worden (Jer. 1) en het antwoord, dat hij Baruch geeft (Jer. 45) is veelbeteekend. Jesaia (Hoofdst. 6) ondervindt schroom in het gevoel zijner onwaardigheid; hij vraagt God, dat Hij een ander zende; hjj dringt zich tot zijn ambt niet op. Jona vlucht op de zee; Amos (7: 10 enz.) wordt uit het land verjaagd. Het lijden van Elia en Elisa is wel bekend.
Die tegenstand gold niet zoozeer de personen, dan wel de zaak, die zij vooretonden: het Woord Gods. Gewapend met dat zwaard, treden zij in het midden des volks, hetwelk deels wederspannig, deels lafhartig is, op. Zij waren als het ware het door God wakker geschudde geweten des volks en zeiden hoog en laag de waarheid in het aangezicht, voor gunst of ongunst onverschillig. Zij voorspellen, wat de gevolgen er van zullen zijn, dat de dienst van God voor dien der afgoden verlaten wordt. Hun oog was door de heilige geschiedenis en door diepe persoonlijke ervaring gescherpt; zij konden het blijvende in de wisseling der dingen wel onderscheiden en werden niet geboeid door den schijn en glans dezer wereld; zij achtten de smaadheid van Christus grooteren rijkdom dan de schatten van Egypte- De Profeten zijn alzoo vooreerst reeds door hunne persoonlijkheid voor het nageslacht gewichtig. Vooral zijn zij Christelijken leeraren een diep beschamend voorbeeld en dienen tot ernstige vermaning, want in de dagen des Nieuwen Verbonds z u l l e n er naar de belofte vele Profeten zijn, Joël 3 : 1, Hand. 2 : 1 7 , 18. Waarom, dat is de vraag, zijn zij er niet? waarom ligt alles onder den ban van den lust dezer wereld, 1 Joh. 2? waarom is alles zoo verstorven, zoo dood, dat niets zich beweegt, terwijl toch de hond blaft, als men zijnen heer aanrandt? De een laat het aan den ander over om getuigenis af te leggen. Zijnen plicht te doen, namelijk voor Gods waarheid pal Ie staan, daarvoor wil niemand zijn leven verliezen, niemand zijne huid naar de markt dragen. Men zet den Profeten heden ten dage wel standbeelden, maar zoekt men, waar toch hun getuigenis gebleven is, zoo is dat weggezonken waar het meer het diepst is! Denk aan Zürich. Komt men te Genève, niemand weet waar Calvijn begraven is. Nochtans zullen er naar de beloftenis vele Profeten zijn en — een Profeet iB toch niet in de eerste plaats een waarzegger, doch wel een man, die waarheid spreekt. Om dat te kunnen doen, moet men eenen zekeren, vasten maatstaf hebben, namelijk Gods Woord en Wet. Voorts moet men een bepaald doel voor he^ handelen voor oogen hebben, namelijk het welzijn van Gods volk, het heil des naasten, het heil eener geheel verlorene wereld. En boven alles moet als hoogste doelwit de verheerlijking Gods door Christus eenen Profeet voor oogen staan, zoodat men het duidelijk uitspreekt: vergeving van zonden, heil en zaligheid staat slechts in den eenigen Verlosser; niet in eigene gerechtigheid, maar in het Woord des kruises. Zoo hebben de oude Profeten hunnen naam eer aangedaan, en zoo mochten het ook de nieuwe doen! Maar waarlijk, zooals de zaken staan, gelukt het maar zelden den eenen of anderon den band, die ons allen bindt, dus de wereld en haren lust, te doen springen; het gelukt maar zelden, dat door den mond van den eenen of den anderen Gods waarheid aan het woord komt, het iicht van onder de korenmaat te voorschijn gebracht wordt, zoodat vorst en volk op heilzame wijze opgeschrikt worden.
Wij leeren reeds uit het Oude Testament, inzonderheid uit de Boeken der Koningen, hoezeer er geklaagd wordt over de omverwerping aller dingen, hoe dus de oude tijd in den grond onzen modernen tijd gelijkvormig geweest is; aan de andere zijde echter liubben wij aan de Profeten des Ouden Testaments toch een verhe- I ven voorbeeld, hoe het Woord Gods uit hunnen mond met macht doorwerkt en over een geheel volk licht verspreidt, en in elk geval hiertoe dient, dat het overblijfsel, de stillen in den lande, die op het Woord der Profeten acht geven, gered worden, terwijl de overigen verstokt worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 december 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

De Profeten

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 december 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken