Bekijk het origineel

Het vierde kruiswoord

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het vierde kruiswoord

„ E l i , E l i , Lama Sabachthani!" Matth. 27 : 46.

9 minuten leestijd

„Ten (lage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven"; (Gen. 2 : 17); zoo had de Heere God tot Adam, tot den mensch, gesproken. Door dien dood hebben wij, volgens onze kantteekenaren, te verstaan den tijdelijken, den geestelijken en den eeuwigen dood. Zouden wij daarvan verlost zijn, dan was het noodig, dat onze Heiland dien drievoudigen dood stierf om ons het eeuwig leven te verwerven. Zoo moest Hij dus ook den e e u w i g e n dood ondergaan, wel niet in tijdd u u r , omdat Zijn werk eene oneindige waardij heeft; maar toch in g e w i c h t , wat het w e z e n er van betreft. Hij, op Wien de straf was, die ons den vrede aanbrengt, heeft het w e z e n l i j k e van den eeuwigen dood, de straf van gemis van Gods zalige nabijheid en gemeenschap, en het gevoel van Diens toorn ondergaan. Dat gevoelde Hij, toen Hij als een vervloekte aan het kruis hing, en in den binnensten cirkel van Zijn lijden was gekomen, toen de klacht Hem uit de ziel geperst werd: „Eli, Eli, Lama Sabachtbani!'' dat is: „Mijn God , Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?" Gemis van vertroosting en van geestelijke blijdschap, het gevoel van Gods toorn en den vloek over de zonde, die Hij op Zich genomen had, benauwde Zijne ziel ten doode toe. Wij hebben Zijne verlatenheid alzoo niet op te vatten als eene figuurlijke uitdrukking, maar als de ontzettende werkelijkheid van den toestand, waarin wij gekomen zijn door God, Die ons leven was, te verlaten. Om ons nu tot dien God weder te brengen, onderwierp onze Heiland in Zijne eeuwige liefde Zich hieraan, dat de Heilige Geest, Die zonder mate op Hem rustte, Zich inhield met Zijne vertroostingen; Zich aan Zijne ziel onttrok, zoodat Hij geheel op Zichzelven was teruggeworpen. Hij moest het licht van 's Heeren vriendelijk aangezicht derven; zware duisternis en des doods schaduw vielen op Zijne ziel; de gemeenschap door het hartsterkend gebed met Zijnen Vader was afgesneden, en al de baren van het heilig misnoegen des eeuwigen Rechters gingen over Hem heen. De eene afgrond van ellende riep tot den anderen; allen hadden Hem verlaten, zelfs Zijn geliefde Vader; niemand ondersteunde Hem, en zoo doorleefde Hij de ontzettende werkelijkheid van Davids woord: „Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zoo was er niemand, die Mij kende, er was geen ontvlieden voor Mij; niemand zorgde voor Mijne ziel'' (Ps. 142 : 5). Op veel meer andere plaatsen had Hij geklaagd over deze verlatenheid, en hoe Zijne ziel daaronder gebogen ging. Hooren wij slechts, als Hij uitroept: „O God! Uwe grimmigheid ligt op Mij; Gij hebt Mij neergedrukt met al Uwe baren. Gij hebt verstooten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uwen Gezalfde. Gjj hebt Zijne schoonheid doen ophouden, en Gij hebt Zijnen troon ter aarde nedergestooten. Hoe lang, o Heere! zult Gij U steeds verbergen; zal Uwe grimmigheid branden als een vuur?'' (Ps. 88 en 89.) In zulk eenen toestand van verlatenheid bevond Zich de Heere Jesus Christns, toen de zon hare stralen inhield en duisternis het aardrijk bedekte. Toen God Israël, het volk des verbonds, uit het diensthuis wilde uitleiden, was er te voren eene dikke duisternis van drie dagen over het land, waaruit zij •verlost zouden worden. Dat toen bij al de kinderen Israëls het licht in hunne woningen was (Exod. 10 : 23), was om den wille van Hem, Die thans drie uren lang het middelpunt van aardsche en geestelijke duisternis was. Zoo geschiedde het naar het recht Gods. Immers Hij hing daar als de persoon des zondaars; Hij was tot zonde gemaakt; de gansche vloek der heilige Wet lag op Hem; de verdoemenis zelve viel op Hom aan ; alles maakte zich tegen Hem op: Hij was nu in het oordeel en in het gericht gekomen, Hij droeg den last van Gods eeuwigen toorn tegen de zonde, en hierdoor werd Hij zoodanig geperst, dat Hij met Davids woorden uit Ps. 22 mees uitroepen: „Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?" Waarom? Met dit woordje wil Hij niet te kennen geven, dat Hij onkundig was van de oorzaak, dat Zijn Vader nu van verre stond. Immers Hij wist het wol, waarom Hij in deze ure gekomen was (Joh. 12 : 27). Met dit „waarom?" drukt Hij uit de onuitsprekelijke zwaarte van Zijn lijden, van Zijnen zielsangst, in dit verlaten-zijn van Zijnen God, Die toch te groot is in Zijne liefde, om Zijn schepsel voor altijd te verlaten. Ook in het Woord komen ons meermalen treurende en verslagene bidders voor, die hun hart uitstorten met een „waarom P" Zoo: „Waarom, o Heere! staat Gij van verre?" „Waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?" Om het zondige, dat er in hunne en ook in onze „waarom's ?" ligt, te verzoenen, heeft de Heiland Zijn volmaakt „waarom?" tot den Vader opgezonden, opdat wij niet verdelgd zouden worden, wanneer wij ongeduldig vragen: „Waarom moet mij dit juist treffen; waarom moet dit of dat juist op d e z e n tijd komen, die mij zoo ongelegen komt?" — Te midden Zijner verlatenheid houdt de Heiland Zich nochtans aan Zijnen God vast. „Mijn God, Mijn God!" Dat „Mijn" is het anker, dat Hij uitwierp tot in het binnenste heiligdom, en waaraan Hij Zich in geloove zoodanig vasthield, dat duivel, wet en dood Hem daarvan niet konden wegslaan. Met dat heerlijk „Mijn", dat den duivel verbaasde, heeft Hjj verworven, dat wij, hoe verdoemelijk wij ons ook mogen bevinden, nochtans met een „Mijn God!" mogen opzien tot den God van alle genade en zaligheid. Al is het dan ook, dat eene donkere kruiswolk ons bedekt, zoo staat toch de hemelsche genadetroon voor ons open, en zullen hemelsche lichtglansen neerdalen op ons, die als arme en verlorene zondaren tot den eenigen Middelaar de toevlucht nemen. Hij heeft alles willen dragen, wat er te dragen was; Hij heeft alles vervuld, wat er te vervullen was; Hij heeft den toorn Gods gedragen; den vloek weggenomen; de zonde verzoend en eene eeuwige gerechtigheid verworven; — o tot Hem henen, gij allen, die uitziet naar redding, naar leven, naar de gemeenschap met God; — naar dezen Zaligmaker henen, al is het ook, dat alles in u duister is, en de duivel u wil doen gelooven, dat gij buitengesloten zult blijven; — naar Hem, naar dezen Zaligmaker henen, gij allen, die het gevoelt, dat gij in het gericht van God niet kunt bestaan, en die daarom in angst uwer ziel terneder zit; — naar Hem henen, o alle gij, die weet, dat gij arme zondaars zijt, die het verdiend hebt om voor eeuwig uit Gods gemeenschap te worden gesloten; naar Hem henen, die in de diepte uwer ellende terneer ligt, uitziende naar verlossing, om tot de ware gemeenschap met God te komen. Des Heilands woorden zijn gewis: al gaat het dan nQg zoo door de diepte heen; al maakt zich ook alles op, om ons toe te roepen: „Gij blijft voor eeuwig van God verlaten ! ' al wordt het in en om ons henen ook geheel duister, en al sarren ons al de duivelen, — nochtans mogen wij tot Hem opzien, Die aan het kruis de verlatene van God was, om ons tot God weder te brengen Gods weg is in de diepte, en Zijn werk is wonderbaar, en daardoor komt het, dat een zondaar, die meent, dat hij voor eeuwig van God verlaten zal zijn, juist dan het dichtst is bij de troostvolle ervaring, dat hij bij het Yaderharte Gods is aangenomen. Immers, opdat dezulken wederom tot dat Vaderharte zouden genomen zijn, daarom heeft onze Heiland aan het kruis de klacht der verlatenheid moeten uiten. Is het ons dan duister van rondom; zien wij geene uitkomst voor dit of voor het volgend leven, o, zoo verlaten, zoo ellendig kunnen wij niet zijn, of onze Heere Jesus Christus wil ons in genade hooren en onze zielen vervullen met Zijne heilsgoederen «n met de gemeenschap Gods. Verlaten wij ons dan in ons verzinken op Z ij n Woord; steunen wij daarop, en blijven wij daarbjj! Alles begeeft ons vroeg of laat; er is niets of niemand in de gansche wereld, waarop wij ons voor de eeuwigheid kunnen verlaten; maar het Woord onzes Heeren misleidt ons niet in der eeuwigheid. Bekommerde ziel, neergedrukt ge moed; hier vindt, hier h e b t gij de vastheid, die nooit begeeft, die nooit bezwijkt: „Bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen ; maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer'' (Jes. 54 : 7). Verlorenen worden gered, goddeloozen „om niet" gerechtvaardigd, en zóó en op dezen grond tot Gods geliefde kinderen aangenomen en nimmermeer van Hem verlaten. Dit is het wonder van Gods genade, en evenwel is het een waarachtig woord. Daarom, moed gevat bij alle gevoel van verlorenheid. Moed gevat ook, om, — al stormt het ook nog zoo om ons henen, vanwege al de vloekspraken der Wet, en alle veroordeelingen der consciëntie — nochtans te zeggen: „Mijn God, mijn Goël, mjjn Verlosser, ik laat U niet los, ik zal U niet laten gaan, tenzjj dat Gij mij zegent''. — Dat „mijn" zeggen treft God in het Vaderhart, en om Christus wil stroomt ons daaruit tegen louter genade en zalige ervaring Zijner gemeenschap. Zoo bevestigt Hij, Die de Getrouwe is, Zijn Woord aan allen, die zich d a a r op verlaten en er bij blijven, totdat een iegelijk hunner eens met Simeon zal zeggen : „Nu laat Gij, Heere, Uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw Woord" (Luk. 2 : 29).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Het vierde kruiswoord

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken