Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Hoofdstuk 3 : 1-8

19 minuten leestijd

De mensch weet immer allerlei uitvluchten te vinden, om de bestraffing te ontgaan, om maar niet Gods Woord en waarheid, wanneer hij gevoelt, dat zij tegen hem gericht is, te moeten erkennen en voor God in de schuld te moeten vallen. Toen de Heere der Samaritaansche vrouw hare zonde voorhield, WRar den vinger op de wonde legde en zeide: „Gij hebt wel gezegd: Ilc heb geenen man; want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd," — zocht zij zich spoedig van deze bestraffing, waardoor haar al hare schande ontdekt werd, af te maken, en in plaats van hare zonden te belijden, wierp zij eene vraag op betreffende den godsdienst, of men daar in Samaria of in Jerusalem moest aanbidden. — Op gelijke wijze haalt ook Paulus hier eene tegenwerping aan, gelijk die tegenover hem ongetwijfeld dikwijls zal zijn gemaakt, Wanneer hij deze in het tweede Hoofdstuk vermelde punten ter sprake gebracht had. Indien hij alleen voor God een Jood is, die het inwendig is, indien alleen de besnijdenis des harten eene ware besnijdenis voor God is, — zoodat dus ook een Heiden, wanneer hij de besnijdenis des harten heeft, voor God een ware Jood is, door wien God geloofd wordt, en die wederom zijnen lof van God heeft, — w e l k is d a n h e t v o o r d e el v a n den J o o d ? of w e l k e is de n u t t i g h e i d der b e s n i j d e n i s ? Dan is daaraan immers in het geheel geen voorrecht verbonden? En toch lees ik, de gansche Schrift door, hoe God Zich juist ^an Zijn volk, de Joden, geopenbaard, en hoe Hij de besnijdenis, als zegel van Zijn genadeverbond en van alle daaraan verbondene zegeningen gegeven heeft! Het heet toch in Ps. 147: „Hij maakt Jakob Zijne woorden bekend, Israël Zijne inzettingen en Zijne rechten. Alzoo heeft 1 Jij geen volk gedaan; en Zijne rechten, die kennen zij niet. Hailelujah !" Heeft dan dit voorrecht, dat God' aan Zijn volk gegeven heeft, in het geheel niets meer in ?
Zeer zeker, zegt nu de Apostel .verder, is er zulk een voorrecht. Juist daarin bestaat het, dat Hij Jakob Zijne woorden, Israël Zijne inzettingen en rechten gegeven heeft, gelijk daar in Psalm 147 staat, of hier in deze plaats: H u n zijn de w o o r d e n G o d s t o e b e t r o u w d . Dat is echter ons ongeluk en onze verkeerdheid, dat, wanneer God ons iets kostbaars schenkt, wij terstond denken, dat wijzelven iets geworden zijn, — gelijk wanneer eene beurs, waarin men duizend gulden gedaan heeft, of eene doos, waarin een kostbaar juweel bewaard wordt, denken zoude : wat ben ik toch een kostbaar ding geworden, wat draagt men eene zorg voor mij! wat word ik zorgvuldig bewaard! — terwijl het daarbij toch in het geheel niet om de beurs of de doos gaat, maar om de kostbare voorwerp, dat daarin bewaard wordt, en dat ik immers elk oogenblik er weder uitnemen en op eene andere wijze bewaren kan. Dan is de ledige beurs slechts een oud stuk leer en meer niets. Zoo moeten wij toch ook nimmer denken, dat wijzelven iets bijzonders geworden zijn, wanneer God ons Zijn Woord geeft; wij zijn slechts iets m e t dit Woord, maar zonder hetzelve van geene beteekenis, hoegenaamd. Het Woord maakt de waardij uit, gelijk de Heere ook zegt: „Zet uw hart op al de woorden, die Ik heden onder ulieden betuige, want dat is geen vergeefsch woord voor ulieden; maar het is uw leven." Deut. 32. Zoo moest dus ook het volk de bewaarder van Gods Woord zijn. Dit W o o r d is dus het voorrecht, niet, dat men het volk is.
En vrzt is dat nu voor een Woord, dat hun is toebetrouwd ? O, het Woord, dat ons zegt, wat God is, en wat wij zijn ; het Woord, dat ons eenen blik leert slaan in Gods hart, om daaruit te leeren kennen, welk een rijkdom van genade en barmhartigheid daarin woont voor al wat arm en ellendig, wat verbroken on v e r s l a g e n voor Hem nederligt; het Woord, dat leert, hoo ruim Gods hart is, dat Hij Zijne genade niet binnen enge perken laat sluiten, maar dat dezelve als een stroom des levens vloeit over alle landen. Toen de Heere aan Abraham de besnijdenis gaf als teeken en zegel van het genadeverbond, heeft Hij hem toeh niet gepredikt: Gij, of uw zaad, gijlieden zijt het alleen, maar: ld uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde. Het was alzoo een Evangeliever genade voor alle volken, dus het Evangelie, dat Paulus predikte tegenover de eigengerechtigheid van de Joden en van alle vleesch. Het was verder het Woord, dat ons leert en ontdekt, wat wij zijn. De Tien Geboden, — leeren zij ons niet onze zonde en ellende kennen? zeggen zij ons niet aan, wat wy zijn? Wanneer de Heere zegt : „Gij zult geene andere goden voor Mijn aangezicht hebben", —- „gij zult u geen gesneden beeld of gelijkenis maken", — „gij zult den Naam des Heeren niet misbruiken, maar dien heiligen" — „gij zult den dag des Heeren heiligen", — „gij zult vader en moeder eeren", — „gij zult niet doodslaan, niet echtbreken, niet stelen, geene valsche getuigenis spreken", enz., — zegt Hij dan met dat alles niet tot ons: Dat zit alles in u, gij zijt een afgodendienaar, den ouderen ongehoorzaam, een doodslager, een echtbreker, een dief, een lasteraar en eerroover van uwen naaste, kortom, gij zijt dat alles, wat Paulus in het eerste en tweede Hoofdstuk van Heidenen en Joden, van alle menschen zonder onderscheid gezegd heeft? Maar wie zal dat nu van zichzelven gelooven? Dat gelooven wij zoo niet, dat gelooft geen vleesch van zichzelven, tenzij het van God geleerd en verootmoedigd is. Daarom gaat de Apostel nu ook voort en zegt: Want wat is h e t , al zijn s o m m i g en o n g e l o o v i g g e w e e s t ? zal h u n n e o n g e l o o v i g h e id h e t g e l o o f v a n God, — d. i. Zijne trouw, de waarheid en zekerheid Zijns Woords, — t e n i e t d o e n ? Ys. 3. Voortdurend moet God over het ongeloof Zijns volks klagen ; Hij betrouwt hun Zijn Woord toe, waardoor het volk iets bijzonders is boven anderen, waardoor het werkelijk eenen voorrang heeft, en juist voor dit Woord sluit het volk zijn oor en hart. Yandaar de voortdurende, immer zich herhalende klacht: God is waarheid, er is geen onrecht in Hem, rechtvaardig en recht is Hij; hij heeft het tegen Hem verdorven ; want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen (Vergel. Deut. 32.) En I's. 78: „Zij hielden Gods verbond niet en weigerden te wandelen in Zijne Wet, — zij verzochten God in hun hart, — omdat zij in God niet geloofden en op Zijn heil niet vertrouwden; zij vleiden Hem met hunnen mond en logen Hem met hunne tong''. Zoo is ook wederom de klacht uit den mond des Heeren: „Wij spreken, wat wij weten, en getuigen, wat wij gezien hebben; en gijlieden neemt onze getuigenis niet aan"; en de Evangelist Johannes betuigt: „Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen". Maar ofschoon ook voortdurend tegen het getuigenis en de waarheid Gods ongeloof en eigenwijsheid gesteld wordt, Gods waarheid zal daarom niet te niet gedaan[worden, zij zal zich voortdurend als waarheid handhaven, zoodat het blijft: God zij waara c h t i g , maar a l l e m e n s c h l e u g e n a c h t i g ; g e l i jk g e s c h r e v e n is: O p d a t Gij g e r e c h t v a a r d i g d w o r dt i n Uwe w o o r d e n , en o v e r w i n t , w a n n e e r Gij oordeelt.
Wij vinden deze woorden in den 51»'1™ ps alm, waar David aan dezelve vooraf laat gaan : „Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uwe oogen, opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten". David had het Woord Gods, het getuigenis Gods, dat in Zijne geboden vervat was, niet geloofd; waar het gebod tot hem zeide : Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, — geloofde hij niet, dat dit hem nog kon gelden, dat hij nog in staat was, zulke schrikkelijke zonden te begaan; als een bekeerde, wedergeborene David had hij zulke zonden onder den voet, naar hij meende; hij geloofde niet, dat hij een doodslager, een echtbreker was. Wie zal nu ten slotte gelijk hebben, — God of de mensch? Wanneer God geoordeeld wordt over de waarheid van Zijne uitspraak, van Zijn getuigenis, zal Hij daar niet rein blijven, al is het dat de mensch nog zoo zeer denkt, dat God hem daarmede onrecht doet? zal God niet overwiunen, de zege wegdragen, — al is het dat de mensch ook nog zoo zeer alle kracht aanwendt, om zichzelven tegenover God als vroom, heilig en rechtvaardig te handhaven? Zoo kwam het dan, dat David viel en zondigde, gelijk hij gezondigd heeft; wie is nu gerechtvaardigd in zijne woorden? Is het niet God de Heere, juist daar David niet geloofde. Toen de Heere aan het gansche volk Israël Zijne Wet, de Tien Geboden, verkondigd en hen allen, klein en groot daarmede tot zondaars gesteld had, — wilden zij toch een vroom volk zijn en zeiden: „Alles wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen", ofschoon zij toch konden weten, wat er in bun hart zat. Zij hadden toch, sinds de Heere hen uit Egypte geleid had, voortdurend tegen Hem gemurmureerd, Hem gelasterd, booze gedachten van Hem gekoesterd, mitsdien het wel getoond, dat zij geen hart voor Hem en Zijne waarheid hadden; nochtans wilden zij thans de vrome lieden zijn en beweerden tegen Gods getuigenis in, dat zij geene afgodendienaars waren — : wij zullen de Wet, alzoo ook het tweede gebod, houden! Wie is nu rechtvaardig in zijne woorden? God, Die zegt: „Gij zijt een overtreder", — of de mensch, die zegt: „Ik zal liet gebod houden"? Het werd wel openbaar, toen zij om het gouden kalf dansten, dat God waarachtig is, de mensch echter leugenachtig. — Toen Jozua zijn einde voelde naderen, verzamelde hij het gansche volk Israël en hield hun Gods trouw, Gods wonderen voor, hoe zij alles aan Hem te danken hadden; vervolgens zeide hij : „Kiest u heden, wien gij dienen zult; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den Heere dienen". Dat willen wij ook, zeide het volk, en wees het met verontwaardiging af, toen uit Jozua's mond Gods woord tot hen kwam: „Gij zult den Heere niet kunnen dienen". Zij bleven bij hunne zelfhandhaving, en wat bleek, toen Jozua gestorven was ? Immers dit, dat zij den Heere niet dienden, maar de goden derKanaiinieten, in wier land zij woonden. Zie, God was waarachtig in het woord, hetwelk Jozua tot het volk had gesproken, de menschen echter leugenaars in hunne bewering: Wij willen den Heere dienen. God was in Zijn .woord rechtvaardig gebleven. — Dat zal immer aan het licht komen, zoo dikwijls een mensch, al ware hij de allerheiligste, het getuigenis Gods niet gelooft. Denkt aan den Apostel Petrus. Door den Heere Zeiven is hij uitverkoren, wonderen en teekenen heelt hij gedaan in de macht van Jesus Christus, eene goede belijdenis heeft hij afgelegd, en de Heere Zelf zegt tot hem: Vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. Maar toen de Heere tot hem zeide: „In dezen nacht zult gij aan Mij geërgerd worden," — « n : „Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen", — geloofde hij dit woord, dit getuigenis Gods niet, hetwelk de Ileere van hem sprak, maar betuigde en bleef er bij: „Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmeimeer geërgerd woiden!" en: „Ik ben bereid, metUook in de gevangenis en in den dood te gaan!" Ach, die groote woorden van ons menschenkinderen ! Wie zal nu rechtvaardig zijn in zijne woorden ? wie overwinnen, wanneer hij geoordeeld wordt? God of de mensch? Het kwam wel openbaar daar in den hof van Kajafas, toen Petrus onder vloeken en zweren zeide: „Ik ken den Mensch niet!" Wie was nu de leugenaar? God of de mensch? God is waarachtig gebleven, de mensch echter als leugenachtig te vcoischijn gekomen. Zulks herhaalt zich immer opnieuw. O, dat wij oogen hadden, cm het te zien, een hart, om het te verstaan. Wat zegt Gods Woord? „Het gedichtsel van 's menschen hart is boos van zijne jeugd a a n ; " en: „Uit het hart des menschen komen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen." Wie gelooft dat van zich? Ja, zoo theoretisch, als blcote leer, die men belijdt, dan gaat het desnoods neg, maar zoo in het leven, van zichzelven, in waarheid? Ach, daar hebben wij toch immer eene goede meening van onszelven, • wij zijn toch de menschen, die iets kunnen, natuurlijk door de genade, door den Heiligen Geest, de menschen, die een goed hart, eenen goeden wil hebben, de menschen, die Gcd liefhebben en voor Gcds waarheid en gerechtigheid ijveren, — God mag in Zijn Woord van ons zeggen, wat Hij wil, — en o, juist daar maken wjj den naar onze meening heiligen weg tot den meest onheiligen weg, zocdat er dingen geschieden, waarvoor de ongeloovigen, de Heidenen, zich schamen. God zal immer rechtvaardig blijven in Zijne woorden! Zijn getuigenis zal immer de waarheid blijken te zijn, maar onze roem zal een einde nemen.
Met de tegenspraak van de zijde des menschen, met de tegenweipingen, die vleeseh maakt, houdt het evenwel nimmer op. Wanneer dat zoo is, dat o n z e o n g e r e c h t i g h e i d Gods g e r e c h t i g h e i d b e v e s t i g t , — dat door onze ongerechtigheid en zonde des te meer aan het licht komt, dat God alleen rechtvaardig is in Zijne woorden, in Zijn oordeelen, — dat Hij daardoor alzoo slechts te meer verheerlijkt wordt, — waarom dan zulk een toorn over de zonde, waarom zulke vreesehjke oordeelen over de overtreding? Is God o n r e c h t - v a a r d i g , a l s Hij t o o r n o v e r ons b r e n g t ? De mensch, vleeseh, wil God altijd op de eene of andere wijze voor onrechtvaardig verklaren. Eerst moet God onrechtvaardig zijn, wijl Ilij van den mensch niets goeds zegt, maar van ons verklaart, dat wij onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, dat wij overtreders zijn van al Zijne goede en heilige geboden. Dat willen wij niet op ons laten kleven. Blijkt dan echter ten slotte toch, dat God daarin niet onrechtvaardig is, dat Hy daarentegen rechtvaardig is in Zijne woorden, dan moet Hij op eens onrechtvaardig zijn, omdat Hij toornt. Daarom zegt de Apostel: I k s p r e e k n a a r d e n m e n s c h , d. w. z. gelijk het onder de menschen geschiedt, gelijk het bij hen, in hunne gedachten opkomt; hjj antwoordt vervolgens echter te beslister en te krachtiger, Ys. 6: D a t zij v e r r e ; a n d e r s - z i n s , hoe zal God de w e r e l d o o r d e e l e n ? En dat Hij dat zal doen, dat gelooft gij toch? Dat is toch in aller geweten gegrift! Immers zou zelfs het laatste oordeel, het oordeel op den jongsten dag, onmogelijk zijn en tegen de rechtvaardigheid Gods strijden, wanneer gij met uwe tegenwerping gelijk hadt! Want God regeert zoo wonderbaar, dat Hij uit alle kwaad goed laat voortkomen, dat Hij door alle zonde en goddeloosheid der menschen heen Zijnen raad ten uitvoer brengt. Daarom blijft niettemin de zonde zonde en de goddeloosheid des menschen goddeloosheid, en Gods oordeel komt naar rechtvaardigheid daarover. Toen de zonen van Jakob uit haat en nijd hunnen -broeder Jozef naar Egypte verkochten, en God dit zoo wonderbaar bestuurde, dat daaruit redding voor ganscli Egypte en de omliggende landen in de zeven jaren van duurte voortkwam, — is daardoor de zonde zijner broeders eene kleinere geworden, of is daarmede hunne schuld voor God weggenomen? Toen Faraü in zijne vijandschap tegen Israël, in zijnen hoogmoed tegen God den Ileere, het volk niet wilde laten trekken, en daardoor God slechts des te meer in wonderen en teekenen Zijne macht openbaarde, is Farao daardoor zonder schuld geweest, wijl God zoo verheerlijkt werd, of heeft Gods oordeel hem niet naar rechtvaardigheid getroffen, toen hij in de Schelfzee verzonk? Toen Annas en Kajafas, Judas en Pilatus, gedreven door vijandschap en haat tegen de waarheid Gods, den Ileere Jesus Christus kruisigden, en op deze wijze Gods waarheid en gerechtigheid op het allerhoogst aan het licht trad en verheerlijkt werd, ja toen God juist zoo den raad des vredes ten uitvoer bracht, de zaligheid Zijner uitverkorenen bereidde en schiep, — is daarmede de schuld van genen weggenomen, of is God onrechtvaardig, daar Hij hen strafte, daar Hij hen verdoemde? Of was God onrechtvaardig, dat Ilij Jerusalem verwoestte en het geslacht liet omkomen, dat geroepen had: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen", daar toch juist door dit bloedvergieten God op het hoogste verheerlijkt werd ? Wij gevoelen hot zeiven: God blijft in Zijn recht. Als wij slechts in ons eigen hart zien, op onzen eigenen wandel letten, — hoe veel zonde, ongerechtigheid, goddeloosheid onzerzijds, — zijn wij daarom zonder schuld, wanneer God naar Zijne wonderbare wijsheid daaruit het goede laat voortkomen, zoodat Hij daardoor verheerlijkt wordt, — of is Hij onrechtvaardig, wanneer Hij om deze onze zonde over ons toornt en ons straft?
Voor het overige, — zoo gaat Paulus Vers 7 en 8 nog ; verder voort, wanneer gij beweren wilt, dat God onrechtvaardig is, wanneer Hij in zulk een geval toornt en straft, — waarom toornt gij dan over mij en veroordeelt mjj als eenen zondaar, w a n n e e r , gelijk gij zegt, d o o r mijne*" » l e u g e n " G o ds w a a r h e i d o v e r v l o e d i g e r is g e w o r d e n tot Z i j ne h e e r l i j k h e i d ? De leer van Paulus werd namelijk, — gelijk in het algemeen de waarheid Gods, het waarachtige Evangelie j van Jesus Christus te aller tijd, — gelasterd als eene leer, welke de Wet verwerpt, welke, zooals onze Catechismus Vraag 64 zegt, zorgelooze en goddelooze menschen maakt, — of gelijk hier staat, dat zij leert: L a a t o n s h e t k w a de d o e n , o p d a t h e t g o e d e d a a r u i t kome, d. i. laat ons in do zonde en ongerechtigheid voortgaan, opdat God, Gods waarheid, Gods genade des te meer daardoor verheerlijkt worde. Tegen zulke beschuldigingen en aanklachten had Paulus tot zijne groote smart zich voortdurend te verdedigen. Deze aanklagers noemden dus de leer van den Apostel Paulus „leugen", ketterijen, en hunne eigene valsche leer noemden zij „waarheid Gods", en dan konden zij met een vroom, huichelachtig gezicht zeggen : Het is toch schrikkelijk, welk eene gevaarlijke, goddelooze leer deze man brengt, maar zekerlijk zal door deze zijne leugen de waarheid Gods slechts te heerlijker aan het licht treden, slechts te meer verheerlijkt te worden. — Nu, wanneer dat zoo is, gelijk gij zegt, dan moogt gij mij ook niet voortdurend als zondaar veroordeelen, gelijk gij toch doet,— of gij moet erkennen, dat ook God in Zijn recht is, wanneer Hij over de zonde toornt, ofschoon door dezelve Gods waarheid en gerechtigheid verheerlijkt wordt. Waarlijk, als dat in onze leer lag, wat deze menschen beweren, dat men dan onschuldig ware, — ja, dan was het juist, dat wij leeren (gelijk men op lasterlijke wijze van ons zegt): Laat ons het kwade doen opdat het goede daaruit kome. Z u l k e r verd o e m e n i s is r e c h t v a a r d i g.
Overal zonde, niets dan zonde, altijd zonde, — dat is, gelijk Paulus in het licht stelt, wat bij ons te voorschijn komt; God echter is en blijft rechtvaardig in Zijn oordeelen, in Zijn regeeren. Wat menschen ook tegenwerpen, om zichzelven te handhaven, zij vermogen niets tegen de waarheid Gods. En waarom stelt de Apostel dit zoo onvermoeid in het licht? O, ons bederf moet ons ontdekt worden, opdat wij oor en hart ontvangen voor het Evangelie van Jesus Christus; ons moet ontdekt worden, hoe wij voortdurend dwalende, verlorene schapen zijn, opdat wij hooren naar, en acht geven op de stem des goeden Herders. Wij moeten komen tot kennis en belijdenis van onzen grooten dood, opdat wij overgaan in het leven, dat in Christus Jesus is, en uit het rijk der zonden en des duivels in het Rijk Gods ingaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 maart 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 maart 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken