Bekijk het origineel

Herman Ravensperger, een Godgeleerde uit de eerste helft der 17 eeuw. Uit de oorspronkelijke en andere bescheiden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Herman Ravensperger, een Godgeleerde uit de eerste helft der 17 eeuw. Uit de oorspronkelijke en andere bescheiden

Hoofdstuk VI (slot) Het theologisch standpunt van Ravensperger

10 minuten leestijd

Nu wij den levensloop van Ravensperger geschetst hebben, blijft ons nog over, om meer opzettelijk zijn theologisch standpunt in oogenschouw te nemen. Wij bedoelen met deze uitdrukking evenwel niet, wat men heden ten dage ongeveer onder theologische richting of school verstaat. Theologische richtingen of scholen, die eenen boven allen uitstekenden geest als hun hoofd beschouwden, — gelijk de Remonstranten eenigszins Arminius deden, trof men onder de Gereformeerden zelfs toenmaals nog niet aan. Men was rechtzinnig of orthodox in het geloof dor Kerk, met andere woorden, de hoogleeraren zoowel als de predikanten, waren er op bedacht, om met Gods genade trouwe huisbezorgers in de hun aanbevolen en toebetrouwde goederen, dat is de leer der Kerk, te zijn, vóór alles Gods heilig Woord z u i v e r en onvermengd te verklaren en te verkondigen. Ook voor Ravensperger was dit eene zaak des harten, zoodat hij dan ook steeds in oprechtheid voor den Heere in Zijn huis zocht te wandelen. En zoo wij dan nu naar zijn theologisch standpunt onderzoek doen, zoo vinden wij, dat hij zich getrouwelijk aan onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis van Guy de Bray, aan den Heidelbergschen Catechismus en aan de Besluiten der Dordsche Synode hield. Eu zoo moet het ook heden nog bij allen zijn, die voor den Heere getrouw wenschen bevonden te worden en dienaren zijn in de Gereformeerde Kerk. Het is ten eenenmale valsch te noemen, gelijk zulks heden ten dage maar al te zeer het geval is, dat orthodoxie en wetenschappelijkheid met elkaar onvereenigbare zaken zouden zijn, en dat wie op wetenschappelijkheid aanspraak maken wil, dat slechts kan doen door verloochening en bestrijding van de waarheid der Schrift en der goede leer. Alsof het ongeloof op zichzelf, de naakte twijfel en de vermetele, drieste loochening van het Goddelijke, het armzalige matérialisme en de vergoding van het arme i k , waardoor het streven onzes tijds zich kenmerkt, wetenschap zou zijn en niet juist het tegenovergestelde! Neen, zoo er ooit ware, stellige theologische wetenschap geweest is, dan voorzeker wel in de 16(le en 17de eeuw, toen juist onze Nederlandsche gereformeerde theologen als de voornaamsten der wereld beschouwd werden, — zij, de orthod o x e n— en toch slechts om hunne orthodoxie; en toen met het einde der 17i e eeuw door het indringen van het Cartesianisme, dat is van het rationalistisch karakter in de theologie, de gereformeerde orthodoxie begon te tanen, zonk te gelijk de theologische wetenschap, en werden onze Hoogescholen meer en ineer ontvolkt.
Ook Ravensperger staat voor ons als een vertegenwoordiger van de betere dagen der gereformeerde Godgeleerdheid. Evenmin als zijne gereformeerde godgeleerde tijdgenooten, heeft hij evenwel uit de schriften zijner voorgangers of uit de belijdenisschriften het brood maar toegesneden kunnen nemen. Hij was, evenals zij, en gelijk alle trouwe gereformeerde godgeleerden het steeds in oude tijden waren, een goed krijgsknecht van Jesus Christus. Zij waren steeds in den strijd, en waren het geene uitwendige vijanden, met wie zij te kampen hadden, zoo hadden zij met de inwendige vijanden te strijden, gelijk elk waar Christen ook thans nog volgens Rom. 7 te strijden heeft. Maar wat hun wapen was, dat is het ook thans, en, wijl het het zwaard des Geestes is, geenszins verroest en nog scherp genoeg om in de verzoekingen onzes tijds te kunnen bestaan. Werd slechts het „erfgoed onzer ouden" heden naar eisch aangewend, zoo zou het met leeraren en Gemeenten gansch anders gesteld zijn, dan wel vaak het geval is. —
Eene schoone nalatenschap heeft ons Ravensperger in zijne geschriften doen geworden. Bij Jonckbloet, — A J. van der Aa, Biografisch Woordenboek der Nederlanden, 16E deel, blz. 1 0 4 ,— Winkler Prins, Encyclopedie, onder den naam R. — en van der Linde, „die Nassauer Drucke'', wordt er eene opgave van gegeven, waarheen wij de belangstellende lezers verwijzen. In onze Nederduitscho taal heeft hij niets in het licht gegeven. Blijkbaar is hem dat te bezwaarlijk geweest. In het Hoogduitsch evenwel heeft hij te Groningen in den jare 1015 het reeds vermelde beknopte geschrift het licht doen zien: „Wegweiser, d. i. schlechte (einfache) und rechte Erklärung aller nothwendigen Lehrpunkte christlicher Regilion aus dem unfehlbaren Worte Gottes in Form eines Gespräches mit Prag und Antwort" waarin hij op populaire wijze, voor een iegelijk verstaanbaar, de gansche leer der Heilige Schrift behandelt. Het zijn treffende, verrassende gedachten, die wij daarin aantreffen, welke ons klaar en duidelijk doen zien, dat Ravensperger een veelszins zelfstandig denker geweest is. Hij neemt drie hoofdstukken aan, welke de leer der Christelijke Religie behelst. Het eerste, de bron des levens, is het Woord Gods; het tweede, de boom des levens, is de wijsheid in Goddelijke dingen, welke het Woord Gods dengenen deelachtig doet worden, die het liefhebben; het derde is de berg des levens, hier beneden de heilige Christelijke Kerk, daarboven de hemel aller hemelen. Onder die drie hoofdstukken rangschikt en ordent hij dan met uiterst bekwame hand al de overige leerstukken. Bij het eerste hoofdstuk wordt met zeldzame helderheid het verbond dei- Wet en het verbond der genade uiteengezet; het eerste is, wel is waar, door het,verbond der genade afgeschaft geworden, zegt hij op blz. 79 en verv., maar de Wet is niettemin in het genadeverbond opgenomen geworden, in zooverre zij eene aansporing tot bekeering en evenzoo een regel en richtsnoer voor een vroom, deugdzaam en christelijk leven is. Belangwekkend is ook de vraag over het onderscheid tusschen het Oude en het Nieuwe Testament. „Somwijlen," schrijft Ravensperger, „wordt onder het Oude Testament het verbond der Wet, en in tegenstelling daarmede onder het Nieuwe Testament het genadeverbond verstaan; somtijds evenwel noemt men het genadeverbond oud en nieuw, daarom dewijl het op eene andere en eenvoudiger wijze in de tijden der oude patriarchen en Profeten, en andermaal op eene andere wijze, d. i. heerlijker na de komst van Jesus Christus in het vleesch, geopenbaard geworden is." „Zooveel het echter den inhoud en het wezen betreft, zoo is het geheel en al é é n e leer in het Oude en het Nieuwe Testament. Hebben de vaderen in het Oude Testament op het eeuwige leven gehoopt en hetzelve door de kracht van het genadeverbond beërfd ? Ja, voorzeker, hetwelk hieruit te bewijzen is, dat de vaderen zeiven de opstanding der dooden ten eeuwigen leven geloofd, en de Apostelen van hen getuigenis gegeven hebben, dat deze zoowel als gene door de genade des Heeren Jesus zalig worden."
Wij vinden hier niets van de heillooze onderscheidingen van eenen Cocceius en diens aanhangers, die de geloovigen des Ouden Testaments op eene zeer lage trap zetten, ook niets van de foederalistische indeelingen, maar, gelijk ook bij de overige oudere gereformeerde godgeleerden, slechts gedachten die met de nuchterheid van het Woord Gods in overeenstemming zijn.
Wat ons echter bovenal belangstelling inboezemt, is het hoofdstuk, waarin Ravensperger de bepaaldelijk gereformeerde leer, die alle Kerken der gereformeerde Belijdenis aankleven, uiteenzet, de praedestinatieleer. Wij vinden de verklaring derzelve op blz. 150 en verv. van den W e g w i j z e r . Wat nu evenwel inzonderheid waarde heeft, is te mogen opmerken dat Ravensperger aldaar deze leer in volkomen orthodoxen zin en in verband tot de leer des geloofs behandelt, in welk verband zij alleen den rechten zegen en troost schenkt, hetgeen in onze dagen Prof. Dr. Bühl zoo duidelijk in zijn voortreffelijk werk: Y a n de r e c h t v a a r d i g h e i d door h e t g e l o o f in het licht gesteld heeft. Wij kunnen diensvolgens Ravensperger geenszins als een zoogenaamd gematigd gereformeerd godgeleerde laten doorgaan, maar als een die waarlijk zuiver in de leer was.
Maar was hij wellicht in den tijd zijner vroegere werkzaamheid minder beslist? Allerminst, want in de opdrachtsvoorrede zijns W e g w i j z e r s zegt hij zelf: „Eensdeels heb ik daarmede schriftelijk in eene hoofdsom moeten samenvatten, wat ik v o o r - d e z e n voor Uwe Hoogheid veel malen uit kracht van mijn beroep naar Gods Woord op last van de Hoogwelgeboren Graven van Bentheim enz. mijnen hoogvereerden Graven en Heeren geleeraard en gepredikt heb, en doe ik dit met te meer recht, wijl Uwe Hoogheid mij aanbevolen heeft eene zoodanige verhandeling over de Christelijke Religie te stellen." Wat Ravensperger in het Bentheimsche geleerd heeft, werd door hem reeds in Nassau beleden, en evenzoo later in Groningen.
In één punt toonde Ravensperger zich gedurende zijne laatste levensjaren toegevend, namelijk ten opzichte van het gevoelen zijns voormaligen leeraars Johannes Piscator, in het stuk der werkdadige gehoorzaamheid van Christus. Piscator beschouwde die namelijk niet als voor ons geschied. Ook Raversperger had langen tijd dit bijzonder gevoelen bestreden. Bij gelegenheid van een bezoek van zijn geboorteland Nassau gelukte het evenwel Graaf Willem Lodewijk van Nassau, Stadhouder van Groningen, hem vooraf te overreden, dat hij zich toch met Piscator weder ten volle zou verzoenen en diens bijzonder gevoelen zou dulden. Daar hiermede geen enkele onzuivere bedoeling verbonden was, zoo kon Ravensperger er zich toe laten vinden. „Dat do breuke der vriendschap door zulke eene hooge tusschenkomst hersteld is, getuigt", zegt Sepp terecht, „voor de achting, welke deze den beiden geleerden toedroeg, en voor den gunstigen naam, dien Ravensperger te Herborn achtergelaten had. Trouwens, hij had er van Piscator meer geleerd- dan exegetiek; hij had er opgedaan eenen zin voor het practische, waarvan hij bij den aanvang zijner lessen getuigenis gaf." Ook gaf hij verder openlijk te kennen, dat hij tegen Piscator niet meer zou optreden in zijn geschrift: A d v o c a t u s. hoe est vera et sincera p u r g a t i o , quod adversus — Piscatorem, litem nee egerit nee agere velit. Hanov. (Hanau) 1617.
Beide mannen, die met hunne gaven de Kerk Gods trouw gediend hadden, stierven in hetzelfde j a a r ; Piscator vijf maanden voor Ravensperger. Heerspink, „de g o d g e l e e r d h e i d te G r o n i n g e n , " wijst op de rede, waarmede Ravensperger zijne lessen opende, door welke hij toonde de d o g m a t i e k te eeren, als de bron ook voor het christelijk leven. Bij de papistisclie strooming, die zich in onze dagen, waar men op het stichten van vereenigingen uit is en steeds op werken aandringt, in de kerk doet gelden, en het ware n u c h t e r e , waarlijk protestantsch karakter en het vasthouden aan de goede l e e r , inzonderheid die van het geloof, als d o g m a t i s m e smaadt, moge dit gulden woord van Ravensperger niet in eene onvruchtbare aarde vallen!
Vermelden wij nog, dat onder de geleerden, die Ravensperger hoogen lof waardig keurden, zich ook UbboEmmius bevindt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Herman Ravensperger, een Godgeleerde uit de eerste helft der 17 eeuw. Uit de oorspronkelijke en andere bescheiden

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken