Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het eeuwig Evangelie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het eeuwig Evangelie

Blikken in het boek Genesis (vervolg)

6 minuten leestijd

Zoo hebben wij hier de prediking van Christus, van Zijne offerande en Zijnen dood, van Zijn allerheiligst lijden en sterven, van de eerste bladzijde der Heilige Schrift af, niet alleen geschiedkundig, maar in verband met het geestelijk leven, opdat er een antwoord zij op de brandende vraag: Wat nuttigheid geeft mij toch dit allerheiligst lijden en sterven van Christus? Christus, Gods eeniggeboren Zoon, kon onmogelijk tot Izak zeggen: „Ik ben uw God en uws vadets God", indien Hij niet voor Abraham, Izak en Jakob in den dood wilde gaan. De ongerechtigheid moet mit het midden weggedaan zijn! En Abraham, Izak en Jakob hebben het voor God beleden, dat zij „goddeloozen" waren. Als God zegt, Ilebr. 11 : 16 dat Hij Zieli uiet schaamt hun God genaamd te worden, zoo heeft toch God alle goddeloosheid op Zich genomen, en heeft dezen dooden, Abraham, Izak en Jakob, .alles geschonken, zoodat Hij het voor de gansche helle uitspreken kon: Ik ben de God van dezen man, in het offer van Mijn eigen l i j d e n ; — e n vandaar hadden de aartsvaders alleu troost, terwijl zij, waar zij slechts eenige ruste hadden, een altaar bouwden en daarbij predikten van den Naam des Heeren Jesus, of dien Naam aanriepen, hetwelk niets anders beteekent, dan dat zij den Naam des Heeren Jesus, des Bondsgods, aangeroepen hebben. En deze Christus wilde in hen alleen zijn en met hen gaan door alle slijk der zonden henen, door alle macht der hel, door alle tranen, door water en door vuur, en wilde hen niet verlaten, maar Hij nam dit alles op Zich, al ging het daarbij ook ganseh wonderlijk toe, zoodat geen menschenkind het naspeuren of een oog er op houden kon. Zoo geschiedde het, dat, waar het in den hemel gezegd was: „Juda, gij zijt het", waar de moeder gesproken had: „Ditmaal zal ik den Heere loven", het door allerlei gruwelen, door bloedschande henen ging, en Christus Zich nochtans in alles verheerlijken zou, in de zonde tegen de zonde, dat Hij, ofschoon door alle Farizeën veroordeeld, heilig gebleven is; de zonden van anderen wilde Hij dragen, hunne afschuwelijke, gruwelijke zonden, en zoo wilde Hij zich verheerlijken met alle heerlijkheid van de schande Zijns doods, opdat allen, die op Hem wachtten, bestendig een licht uit dezen dood hebben zouden. Zoo zien wij Christus straks in Jozef, Jakob» zoon, door zijne broeders gehaat, in eenen kuil geworpen, voor eenige zilveren penningen aan de vreemdelingen verkocht, in de gevangenis geworpen, en in alles, wat wij in Jozef aanschouwen, aanschouwen wij het lijden van Christus, juist dat vreeselijke lijden: Terwijl Ik zou willen sterven, om Mijne broederen voor altijd gelukkig te maken, gaan zij andere wegen; Mijne broeders verlaten, verachten het heil, dat God hun door Mij wil schenken.
Het volk, hetwelk Jozef, dat is Christus in Jozef, voorden hongerdood bewaarde en in een rijk land gebracht heeft, dat volk is spoedig de weldaad vergeten en gaat zijnen weg. Egypte blijft de weldaad niet gedenken, en Christus wordt in den smeltoven geworpen, in de schrikkelijke gevangenis van Egyptische dwingelandij; en het volk roept tot den Heere, tot Christus, Die tot Mozes gezegd heeft: „Ik ben de God uwer vaderen, Abraham, Izak en Jakob:" Hoe lang zal het volk roepen? Is er dan niet een Heere, een levend God? Als het hoog komt, op het hoogst, als het tot aan de lippen komt, dan heet het van Gods wege: Tot hiertoe en niet verder! en uit het water, uit den dood komt het te voorschijn. Een in het water gezet jongske wordt aan het hof van den vijand zeiven gebracht; en toen het jongske tot een jongeling opgewassen was, moest hij vlieden, en toen hij de schapen zijns schoonvaders in de woestijn dreef, daar zag hij — een paradijs ? neen, een braambosch, en de braambosch brandt, en in het vuur staat de Engel, en de braambosch verteert niet. Ja, maar ook de Engel verbrandt n i e t , en deze Engel, wanneer Hij tot Mozes zegt, dat Hij de HEERE is, is dan die Engel niet de waarachtige God en de waarachtige mensch ? Staat Hij toch daar, den mensch gelijk bevonden, in het vuur en in menschelijke gestalte! staat Hij daar niet voor Mozes in den gloed en het vuur van den ijver van Gods toorn? Ach, liet volk zelf was immers die braambosch! God had daar met Zijnen rechtvaardigen toorn moeten doortrekken, en het volk zou ganschelijk verteerd geworden zijn; maar in het midden van den braambosch staat de Gezant Gods, Hij, waarachtig mensch en waarachtig God, en laat de vlammen om Zich henen spelen; Hij wordt evenwel niet verteerd, maar uit de vlammen komt de prediking van het Evangelie voort. En Mozes kan het niet gelooven, hij moet echter den staf ter aarde werpen, en de staf is eene slang, en wederom de slang is een staf. Wat vraagt de Heere nog naar al de woede van den duivel, nadat Hij der slang den kop vertreden heeft! Liefelijke prediking voor Mozes! Gij hebt wel is waar met het Woord tegen den duivel in te gaan, maar neem hem bij den staart; hij moet u dienen. Melaatsch zijt gij en onrein; welaan, steek de hand andermaal in den boezem; gij hebt uzelven melaatsch bevonden en als zoodanig uzelven veroordeeld; op Mijn Woord zijt gij rein! Mijn Woord neemt de melaatschheid op Zich, Christus wordt uwe onreinheid!
Aanschouwt gij allen, die uit alle wateren uitgetogen zijt, zonder dat de wateren u hebben doen verdrinken, ziet, waar Hij is, die uwe melaatschheid op Zieh neemt. Houdt daaraan vast, dat gij wel melaatsch zijt en nochtans rein!
De vlam verteert den Gezant niet, zoo ook verteert de vlam den braambosch niet, en daaruit roept de stemme Gods: „ I k zal Mijn v o l k v e r l o s s e n met e e n e h o o g e h a nd e n e e n e n u i t g e s t r e k t e n a r m ."
Alle eerstgeborenen moeten gedood worden, de eerstgeborenen der Egyptenaren, — en de Engel uit den brandenden braambosch toont Zich in het beeld van een lammetje, en het lam wordt aan twee staven gehangen, zoodat het er als gekruisigd uitziet, en wordt gebraden, en met zijn bloed worden de deurposten bestreken. De engel des verderfs ziet hot bloed aan, — het bloed van den Pleitbezorger dezes volks, — het bloed is machtiger dan de zonde! Het lam wordt gegeten, en in de kracht van de spijze des lams trekt Israël droogvoets door de zee tot zijne ruste. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Het eeuwig Evangelie

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken