Bekijk het origineel

Nieuwjaarsbetrachting naar aanleiding van Psalm 129.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Nieuwjaarsbetrachting naar aanleiding van Psalm 129.

9 minuten leestijd

Bij de intrede in het nieuwe jaar wenschen wij onzen lezers vóór alle dingen genade en vrede toe van God den Yader en onzen Heere Jesus Christus.
Door de goedheid van onzen getrouwen God gaat ons Blad met dit Nommer zijnen vijfden Jaargang in. Lof en dank zij den Heere gebracht, Die tot op dezen dag met ons geweest is en boven verwachting aan ons welgedaan heeft; naar Zijne goedertierenheid heeft Hij ons geleid, ja gedragen in onze zwakheid en onmacht. Zoo ooit, dan hebben wij heden te belijden: Zonder U, o Heere, kunnen wij niets doen; indien Uwe genade niet in ons werkt, dan is al onze arbeid vergeefsch.
Yerlaten wij ons dan op Zijnen Naam, en gaan wij zoo den nieuwen jaarkring in; ook in dit jaar zal Hij met ons, zoo schrijvers als lezers, en met ons Blad zijn!
De Heere heeft ons tot nu toe verwaardigd, Zijnen heiligen Naam te belijden onder het verkeerde en afvallige geslacht van dezen tijd. Dat is eene groote eere; maar het gaat daarmede door veel lijden en tegenspoed heen vanwege de vele vijanden, die er op uit zijn, schade aan te richten en de belijders van dezen Naam uit den .weg te ruimen. Dit hebben van de vroegste tijden af tot op onze dagen allen, die het profetisch ambt als leden van den Heere Jesus uitoefenden, steeds moeten ondervinden. Een duidelijk bewijs daarvan levert ons de 129sl* Psalm, die gewaagt van druk aan alle kanten, nu van buiten, dan van binnen, waarbij allerlei raadslagen en pogingen der vijanden komen, om het volk Gods volkomen uit te roeien. Maar laat God hun dikwijls ook veel toe, laat Hij de Zijnen ook plagen en vervolgen, volkomen geeft Hij dezen toch niet in hunne macht; de vijanden worden eindelijk in hunne wegen zeiven te schande.
„Dikwijls", zoo klaagt des Hoeren volk in Yers 1 en 2 van ons pelgrimslied als gasten en vreemdelingen in deze ellendige wereld, — „dikwijls hebben zij (de vijanden) mij benauwd van mijne jeugd af; evenwel, — Israël heeft den Heere tot troost! — zij hebben mij niet overmocht." Gelijk Israël van zijne jeugd af, d. i. sinds zijn verblijf in Egypte, gedrukt werd, zoo ging het der Gemeente Jesu Christi en elk harer leden afzonderlijk van alle eeuwen her, van dat de Heere begonnen heeft haar Zich te vergaderen door Zijn Woord en Zijnen Geest, en zoo is het gebleven tot op den huidigen dag: per aspera ad astra, door lijden tot heerlijkheid. Dat geldt ook voor het jaar 1892. De doodvijanden van onzer zielen zaligheid zullen, waar eene ziel door Gods genade Christus in het I geloof als Zijne gerechtigheid aangegrepen heeft, van stonden aan op deze hunne pijlen richten en haar den voet op den nek zetten. En zoo wij nu, die ons leven lang met onzen zondigen aard te strijden hebben, door onze kracht deze vijanden overwinnen moesten, dan zouden ,wij nooit de overhand verkrijgen, maar altijd onderliggen, gelijk steeds geschied is en geschiedt, waar wij met Petrus wanen, den Heere nooit te kunnen verlaten. „Ten ware de Heere, Die bij ons geweest is, zegge nu Israël; ten ware de Heere, Die bij ons geweest is, als de menschen tegen ons opstonden, toen zouden zij ons levend verslonden hebben". (Ps. 124 : 1 — 3.) Immers, machtig zijn de tegenstanders en groot is hun haat tegen de belijders van Zijne waarheid, van de vrijmacht Zijner genade. Wee hun, die nog vasthouden aan de oude, beproefde leer onzer gereformeerde Belijdenis, aan den kostelijken Heidelbergschen Catechismus naar zijne juiste opvatting en aan de Dordtsche Besluiten! Weg met hen! Met zulk eene leer, zoo beweert men, kan men immers de menschen niet bekeeren. „De l i e f d e, dat is het rechte!" roept men allerwegen. „ Wat is er schooner | dan de liefde! laat alle dingen in liefde geschieden!" dat zijn de leuzen van onzen tijd, waarin men van gerechtigheid niets meer weet. Daarbij kan men de wanden van het woonvertrek versieren met Bijbelteksten als: „Jaagt de liefde na!" en: „Doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid!" Dat men intusschen de vruchten zonder den boom wil, en, daartoe niet kunnende geraken, met schijn vruchten komt aandragen, wordt wel openbaar, waar men hem, die de vrije genade en vrijmachtige verkiezing Gods predikt, haat en verdacht maakt, ofschoon men toch toegeven moet, dat zij, die met een oprecht geloof bij de gehate en geminachte leer volharden, vrede voor hunne ziel hebben, met eenen Gode welbehaaglijken wandel versierd zijn, en ten laatste welgetroost uit dit leven scheiden.
De vijandschap der tegenstanders van de waarheid en het volk Gods — wij mogen het ons niet verhelen, — bereikt dikwijls eene vreeselijke hoogte. Wat hebben onze gereformeerde vaderen niet geleden onder Alva's wreede vervolging, en hoe hebben zij daarna te lijden gehad van de zijde der Arminianen of Remonstranten; en wat hebben hunne geloofsgenooten van de 16ae en de 17ie eeuw in Duitschland, Frankrijk, Engeland, Bohemen en andere landen doorstaan! En thans beleven wij weder eenen tijd, waarin wij de koningen der aarde zien hoereeren met Rome. Is niet door de valsche verdraagzaamheid in ons land en de treurige toegeeflijkheid van Pruisen de macht van het pausdom gesterkt en zijn invloed in ons werelddeel schrikbarend gewassen? Desniettemin holt men op den ingeslagen weg voort. Hoe kan het ook anders, daar toch het volk in massa onkundig blijft van de reine leer des Evangelies, of, van haar afkeerig, geld uitweegt voor hetgeen geen brood is, Rome in de l e e r nog meer tegemoet komt dan in de politiek, vleeschelijke middelen te baat neemt tot kerkherstel, zich in doolpaden der eigenwilligheid verloopt, zich bakken uithouwt, die geen water houden, en wat de strijdkracht der Hervormers was verloochent, ja openlijk of bedektelijk bestrijdt? Zoo werkt men dan op alle manier den vijand van het Protestantisme in de hand en wordt men rijp, om door de machten der duisternis opgeslokt te worden. En waar de Heere Zich nu een overblijfsel behoudt en dit overblijfsel den Geest der volharding geeft, daar kan men onder de gegeven omstandigheden niet anders verwachten, dan hetgeen naar luid van Ps. 129 het Israël van alle tijden ervaren heeft. „Ploegers — zoo lezen wij aldaar verder, — hebben op mijnen rug geploegd; zij hebben hunne voren lang getogen", d. i. gelijk de landman met zijnen ploeg de korst der aarde breekt of doorsnijdt, en er lange groeven in maakt, zoo hebben de vijanden Israël in tijden van vervolging en ballingschap met geeselslagen den rug gestriemd, opengereten en ontvleescht; zulk eene verdrukking dreigt ook ten onzent het wormpje Jakobs van de zijde der Roomsche Kerk. Vlieden wij, waar zulke dagen mochten aanbreken, naar de bergen, d w. z. tot de zekere beloften van het Woord Gods ! Zij de Heere onze sterke Burg in Zijn Woord, zoo zullen wij ervaren: hoewel gedrukt, toch niet onderdrukt. De Heere is rechtvaardig. (Vers 4.) Hij legt ons niet meer op, dan wij arme, zondige menschen dragen kunnen. Wel smart het oiis ten zeerste, wanneer wij door huisgenooten, d. i. door hen, die voor gereformeerd doorgaan, en die in het zoogenaamde Koninkrijk Gods eenen grooten naam hebben, in het openbaar of in het verborgen vervolgd en verketterd worden als ouderwetsche, eigenzinnige, dwaze en kettersche menschen, terwijl wij in ons geweten overtuigd zijn, dat het ons om den Heere en Zijne eer gaat. Laat ons echter met geduld den Heere en Zijne hulp verbeiden ! Als Hij Zich opmaakt, om Zich over Zijne armen en ellendigen te ontfermen, moeten, naar Yers 5, beschaamd worden en achterwaarts wijken allen, die Zion haten; ja, zij moeten te gronde gaan, voor zij nog hun doel bereikt hebben. Wat is alle macht en heerlijkheid der menschen, waarmede zij ons dikwijls op het lijf vallen en doen versagen? „Vreest niet de smaadheid van den mensch", zegt de Heere door Zijnen Profeet Jesaia (Hoofdst. 51:7, 8), „en voor hunne smaadredenen ontzet u niet, want de mot zal ze opeten , — maar Mijne gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten." Gelijk het gras, dat óp de platte daken in de Oostersche landen opschiet, dat te weinig voedsel vindt, oin wèl te kunnen groeien, en, wanneer de hitte komt, verdort, — alzoo zijn de tegenstanders van de Gemeente Gods en Zijne waarheid. (Vers 6.) Zij hebben geenen wortel in zich en houden geen' stand; daarom gaan zij, wanneer de oordeelen des Heeren komen, evenals Sanheribs steden en hare inwoners, te gronde (Jes. 37 : 37), en zal men ten aanzien van hunne daden niet zeggen, gelijk in den tijd des oogstes: „De zegen des Heeren zij bij u!" De maaiers zullen namelijk met het kaf der goddeloozen hunne hand niet kunnen vullen, veel minder hunnen arm. Hunne geschriften worden der vergetelheid prijsgegeven, hunne holle phrasen sterven weg in den wind; het is slechts uiterlijke schijn geweest, wat zij gehad hebben. Des Heeren zegen is en blijft alleen daar, waar verbrijzelde harten ootmoedig en in den Naam van Jesus Christus Hem aanroepen, door Zijn Woord zich laten onderwijzen en door Zijnen Geest zich laten leiden in alle waarheid.
Laat ons met zulk een hart bij den aanvang des jaars tot den Heere onze toevlucht nemen, dan zal Zijn zegen ook dit jaar ons vergezellen. Hem bevelen wij onze beminde jeugdige Koningin, de laatste Spruit van een doorluchtig, edel Vorstenhuis, de Koningin-Moeder en allen, door wier hand Hij ons regeeren wil, — Hem bevelen wij onze vaderlandsche Kerk en onze geloofsgenooten in den vreemde, — Hem bevelen wij land en volk, vrienden en verwanten, huis en hof, have en goed. Zoo Hij voor ons i s , w i e zal t e g e n ons z i j n?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 januari 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Nieuwjaarsbetrachting naar aanleiding van Psalm 129.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 januari 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken