Bekijk het origineel

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 8 : 9 — 13.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 8 : 9 — 13.

19 minuten leestijd

„Die in het vleesch zijn kunnen Gode niet behagen", heeft de Apostel in het voorgaande Vers gezegd, — die dus niet dienstbaar zijn aan de gerechtigheid Gods, de gerechtigheid, die alleen uit geloof is, maar eene gerechtigheid, eene heiligmaking buiten Christus zoeken op te richten, zij het ook met schijnbaar nog zoo veel ijver, zij kunnen Gode niet behagen, hoezeer zij zich ook inbeelden, dat God in hunne vroomheid, in hunnen ijver, in hunne werken een welbehagen moet hebben en daarmee tevreden moet zijn. Immers hoe kan God daarin een welbehagen hebben, zoo de mensch Hem van den troon Zijnet- genade stoot, of met Hem aandeel wil hebben in het werk, half om half met Hem wil doen, zich tegenover Hem wil handhaven en niet Gods genade, Zjjnen Christus alleen wil eeren? Daarin kan God geen welbehagen hebben, want gelijk de Zoon den Vader geëerd heeft in de dagen Zijns vleesches, zoo eert de Vader den Zoon, handhaaft Hem, Zijn werk en Zijn Rij|:, en heeft alleen in hen een welbehagen, die ook den Zoon eeren, d. i. zich alleen aan Christus houden.
Nu wendt zich de Apostel tot de Gemeente te Rome, tot de geloovigen aldaar, met te zeggen: D o c h g i j l i e d e n zijt n i e t i n h e t v l e e s c h , m a a r in d e n G e e s t , zoo a n d e rs de G e e s t Gods in u w o o n t . Daaraan zal een ieder zich toetsen en het niet zoo licht opnemen, maar met dit woord tot zijn eigen hart inkeeren en zich afvragen: Is dit ook bij mij waar ? woont Gods Geest in mij ? "Want, ja, Gods Woord en Evangelie is wel zeer algemeen, en zet de deuren wijd, wijd open, en roept: „Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven!" —maar het roept juist de vermoeiden en belasten, en niet dezulken, die verzadigd en lichtzinnig zijn, en zoo maakt hetzelfde "Woord den weg ook weer smal en de poort eng, en zegt gelijk liier in deze plaats — : „zoo anders de Geest Gods in u woont". Dat is de Heilige Geest, Dien de Heere Zijnen discipelen beloofd heeft tot eenen Leeraar en Trooster, de Geest, van Wien de Apostel ook elders zegt: „Wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn". (1 Cor. 2:12.) Want deze Geest leidt de geloovigen als armen en ellendigen tot de rijke schatkameren Gods, en toont hun, dat zij te midden hunner verlorenheid eenen Heiland en Verlosser hebben, te midden hunner zonde eene eeuwiggeldende gerechtigheid, in hunne zwakheid kracht van Boven, in hunnen strijd vrede met God, te midden hunner duisternis nochtans lieht, in hun verzinken nochtans eenen vasten grond, in hunne droefheid eenen eenigen troost in leven en in sterven. Dezen Geest Gods noemt de Apostel terstond daarop ook : „den Geest van Christus", wannneer hij zegt: M a a r zoo i e m a n d den G e e s t van C h r i s t u s n i e t h e e f t , d i e k o m t H e m n i e t toe. „Geest van Christus" noemt hij Hem, wijl deze Geest in Christus was. En welke Geest was nu in Christus? Deze, Dat Hij in alles den Vader verheerlijkte; Deze, dat Hij eenerzijds niets zag dan zonde en zondaren, ellende, verlorenheid, en anderzijds alleen zag op Zijnen Vader en den rijkdom Zijner ontferming, Zijner eeuwige liefde, om verlorenen te behouden; Deze, dat Hij van het vleesch niets verwachtte, bij het vleesch niets zocht, niets bij den wil en de kracht des vleesches, maar alleen in geloof alles van den Vader afsmeekte voor Zich en voor allen, die de Vader Hem gegeven heeft. Dat is de Geest van Christus. Wie dezen Geest, deze gezindheid niet heeft, maar het zoekt in het vleesch, in eigene kracht, eigene gerechtigheid, op zijn eigen hart vertrouwt in plaats van op den Heere God alleen, die komt Hem niet toe, behoort Hem niet toe, heeft geen deel aan Hem.
In wien echter Gods Geest woont, — w o o n t , er is hier dus gecne sprake van een oogenblikkeljjk gevoel, eene opwelling, die er vandaag is en morgen weer weg is, maar van een blijvend inwonen, van liet woning gemaakt hebben in ons van dezen Geest; — in wien dus Gods Geest woont, wie dus den Geest van Christus heeft en alzoo des Heeren is, in dien is ook Christus, gelijk in het volgende, 10Je Vers staat: En i n d i en C h r i s t u s in u l i e d e n is; want waar Gods Geest in iemand woont, daar is ook Christus Zelf in den mensoh en heeft woning bij hem gemaakt. Dat laat zich niet van elkaar scheiden; waar het ecne is, daar is ook het andere, gelijk de Heere Jesus bijv. zegt, Joh. 1-1 : 20 : „In dien dag zult gijlieden bekennen, dat Ik in Mijnen Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u"; of Joh. 15 : 4: „Blijft in Mij, en Ik in u" enz. Want waar Gods Geest in ons woont, zoodat wij het aan God overlaten, ons met Zijne genade te regeeren, daar hebben wij deze vrucht daarvan, dat deze Geest Christus in ons verheerlijkt, dat Hij alleen groot en heerlijk en algenoegzaam voor ons is, en waar dit het geval is, daar woont Christus Zelf in ons, naar het woord: „Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij". (Gal. 2 : 20.) Is nu Christus in ons, welnu, dan is Hij er toch niet met ledige handen, als iemand, Die niets heeft en niets kan, maar dan is Hij er met Zijnen ganschen rijkdom, met al Zijne schatten en gaven, met alles, wat Hij aan het hout des kruises verworven heeft. En nu, hoe ziet het er nu bij zulk eenen mensch, in wien Christus is, uit? Daar moet wel niets dan heiligheid en heerlijkheid te vinden zijn , niets dan een voortgaan van kracht tot kracht. Ja, maar toch niet zoo, als wij, als vleesch en bloed zich dat voorstellen. Daar is allereerst waar, wat hier geschreven staat: het l i c h a a m is dood om der z o n d en w i l , — daar hebben wij dus allereerst te doen met onzen dood. Het lichaam, — daarmee bedoelt de Apostel weder niet alleen het lichaam des menschen, maar den geheelen mensch, met lichaam en ziel, zooals wij door onze lichamelijke geboorte van Adam afstammen, zooals wij in hem en door hem zijn, zooals wij dus in dit lichamelijk leven zijn en ons bewegen. Dat alles is dood om der zonde wil, om de zonde van Adam, waaraan wij allen deel hebben, om der zonde wil, waarin wij ontvangen en geboren zijn. Daaraan is nu eenmaal niets te veranderen, dat hebben wij te erkennen en ons daarin te schikken. Uit onszelven kunnen wij niets uitrichten, dat overeenkomstig het leven, dat uit God is, zou zijn. Ach, hoe dood is het oor, als het geldt Gods Woord te hooren, de bestraffing of wel het liefelijk Evangelie te vernemen, juist dan, als men zich in grooten nood en zware aanvechting bevindt. Hoe dood is het oog, als het gaat om de roepstem te gehoorzamen: „Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegdraagt", — als het gaat om op het kruis te zien, waar met Christus onze oude mensch gekruisigd is! Hoe dood is het hart, wanneer het gaat om te ontvlammen voor den Heere en Zijne eer, — hoe dood de lippen, zoodat zij geen gebed kunnen voortbrengen , en alles is als verdroogd en verstorven ! geen lof Gods wordt gehoord, menigmaal ook geene klacht en geen zucht; de handen, — hoe dood zjjn zij, als het gaat om Gods wil te doen, de hand aan den ploeg te slaan; hoe dood de voeten, als het gaat om in Gods wegen te wandelen, op den smallen weg, die ten leven leidt, als het gaat om vrede te maken met den naaste, die iets tegen ons heeft. Met recht zegt dus de Apostel, dat het lichaam dood is. Dat wordt ervaren en ondervonden, juist wanneer Christus in ons is; want dan kunnen wij ons volstrekt niet meer vleien met hetgeen wij zijn, kunnen en willen of ons voornemen, wij hebben ons leven verloren en hebben onzen dood leeren kennen, wij zijn arme zondaars geworden, zooals nooit te voren. Ach, hoe kan men daarover in nood, in aanvechting komen, wanneer men Christus heeft leeren kennen en aan IIem gcloovig is geworden en nu zichzelven en al wat in en aan ons is, zoo dood vindt, zoo zonder leven. Maar nog eens, letten wij op hetgeen de Apostel, op hetgeen Gods Woord zegt: Zoo ziet het er uit bij hen, in wie Christus is. Wanhopen, vertwijfelen wij dus niet, zoo wij dat bij ons vinden, maar luisteren wij naar hetgeen de Apostel verder zegt: Maar de Geest is l e v en om der g e r e c h t i g h e i d wil. Vinden wij in onszelven niets dan dood, en moeten wij ons daarom veroordeelen, — er is nochtans leven, zoo Christus in ons is; maar wij hebben dat niet in onze hand, niet in onze macht, niet zoo, dat wij ons daarop kunnen beroemen: ik ben het, en ik heb het. De Geest is leven, de Geest van Christus, Die in ons is, en Die ons, die niets zijn, niets kunnen en vermogen, die voortdurend zoo dood zijn als een stok, in Christus overzet en ons in Hem bewaart. Tegen de zonde in, waarin wij liggen, en om welker wil het lichaam dood is, heeft de Heere Jesus Christus gerechtigheid verworven, eene gerechtigheid, die voor God geldt, die eeuwig geldend is. Zoo is er een eeuwige rechtsgrond gelegd, en op grond van dit eeuwig recht komt de Geest, Die leven is, midden in onzen dood, zoodat, hoewel het er bij ons uitziet als bij het veld, waarvan Ezechiël spreekt, dat vol doodsbeenderen was, toch de Geest des Heeren daarin blaast, waardoor de beenderen tot elkaar naderen en levend worden. Zoo hebben wij dan dit leven niet in ons, maar de Geest is het leven, en werkt en volbrengt alles, wat Gode welbehaaglijk is, zoodat, hoewel wij in onszelven dood zijn, wij nochtans in Christus Jesus het leven hebben, deel hebben aan het leven, dat uit God is.
Wanneer ons iemand vroeg, om den inhoud van het zevende en achtste Hoofdstuk kortelijk, in weinige woorden dus, weer te geven, zouden wij wijzen op dit 10le Vers en zeggen: hier hebt gij alles kort samengevat; het zevende Hoofdstuk in de woorden: „Zoo is wel het lichaam dood óm der zonden wil"; het achtste Hoofdstuk in de woorden: „Maar de Geest is leven om der gerechtigheid wil". — En vergeten wij niet, dat deze beide uitspraken gelden van hen, in wie Christus is, die dus bekeerd en wedergeboren zijn, — niet het eerste woord van hen, die nog onbekeerd zijn, — immers er staat ook niet: het lichaam was dood, maar: het lichaam is dood om der zonde wil. Juist in den bekeerde, den wedergeborene, in hem, in wien Christus woont, vindt men dit beide te gelijker tijd. Daar is niet enkel heerlijkheid en leven, enkel kracht en sterkte, enkel vooruitgang en wasdom, maar omgekeerd, daar is ervaring van zwakheid, onmacht, dood, omdat men niet vooruit kan, omdat men zoo onbekwaam is tot al hetgeen voor God goed is, omdat men zoo geheel onbruikbaar, zoo zonder leven, ja een gruwel is in eigen oog, en juist daar verheerlijkt zich een ander leven, dat zijne bron, zijnen oorsprong niet in ons heeft, maar in de gerechtigheid Christi, verworven en aangebracht aan het kruis op Golgotha, dus in de verzoening, die daar geschied is. En het is dus gelijk het oude lied zegt:
O, wie is Jesus' bruid gelijk ?
Wie is zoo arm en toch zoo rijk ?
er staat niet: Wie was vroeger zoo arm en is nu zoo rijk, — maar :
Wie is zoo arm en toch zoo rijk ?
Wie is zoo leelijk, toch zoo schoon?
Wien gaat 't zoo wél bij allen hoon?
O God'lijk Lam, Gij en Uw heil'ge schaar
Zijn menschen en ook eng'len wonderbaar.
Wie ben ik, op mijzelf gezien ?
Zoo onrein, dat men inij moet vliên.
Wie ben ik Lam, in Uwe pracht?
De bruid, die deelt in Uwe macht,
Die zoo oneindig schoon en heerlijk is,
Dat ik zelfs woorden ter beschrijving mis.
Dat is nu waar in de toerekening Christi, naar welke al "wat des Heeren Jesus Christus is, den geloovige wordt geschonken en toegerekend; maar toch geschiedt het niet zoo, dat het enkel eene zaak van het verstand zou zijn, maar het is leven en betoont zich in het leven, namelijk dat de Geest leven is om der gerechtigheid wil. Maar hoe geschiedt dat nu? O, zóó, dat, gelijk wij gezien hebben, beide bij den geloovige aanwezig is, beide zich voortdurend in hem bewaar'neidt: de dood en het leven. Is Christus in ons, zoo zullen wij onzen dood gevoelen, zoo zullen wij met onzen dood te worstelen hebben, die niet wordt opgeheven en weggenomen, maar toch niet de overhand zal hebben; het leven Christi is machtiger dan onze dood en zal ons voortdurend uit dezen dood uitvoeren, zoodat het bij ons een gedurig opstaan uit den dood is, gelijk de Catechismus in het Antwoord op de 45sle Vraag zegt: „Ten tweede worden wij ook door Zijne kracht opgewekt tot een nieuw leven". Dat geschiedt niet door onze kracht, maar in de kracht der opstanding van Jesus Christus, door welke wij tot het geloof komen en in het geloof bewaard worden, gelijk de Apostel in Vers 11 zegt: En i n d i e n de G e e s t D e s g e n e n , Die J e s u s u i t de d o o d e n opgew e k t h e e f t , in u w o o n t , zoo z a l H i j , D i e C h r i s t us u i t de dooden o p g e w e k t h e e f t , ook uwe sterfel i j k e l i c h a m e n l e v e n d m a k e n door Z i j n e n Geest, D i e in u woont. Zoo zegt de Apostel Ef. 1 : 19 vv.: „Opdat gij moogt weten, welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die gelooven n a a r de w e r k i n g der s t e r k t e Z i j n e r m a c h t , die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt". Het geschiedt niet door volharding des menschen, niet door gebod op gebod, waarbij men zich tevreden stelt met het: „Hier een weinig, daar een weinig", — aan zoo iets kunnen wij in 't geheel niet meer denken, — maar door Zijnen Geest, Die in ons woont. Deze Geest leidt de geloovigen telkens weder in de Schrift in, doet hen steeds een woord vinden, waardoor zij bestraft en vertroost, terneergeslagen en opgericht worden, waardoor zij gehouden en gedragen worden door de diepe wateren van velerlei nood en aanvechting henen; Hij wijst hen op de voetstappen der schapen, hoe de Herder van ouds her Zijne schapen zoo heeft geleid, dat het voor hen een weg was door de woestijn, en zoo gaat het uit dezen dood en door dezen dood tot het leven, zoodat nochtans Gods wil gedaan wordt, trots al het tegenstrijdige, zoodat ook wereld en duivel niet triumfeeren.Dat gaat steeds door de onmogelijkheid, door den dood heen, en komt toch weder uit dezen dood te voorschijn; de mensch met zijn kunnen, willen en loopen gaat daarbij in den dood, maar het leven leeft en komt van onder eiken grafsteen weder te voorschijn. Daaraan gaat wel is waar een wachten en verwachten vooraf, gelijk er bij de discipelen, toen de Heere in het graf lag, angst en vertwijfeling was, een gevoel, alsof alles uit was en voorbij, maar op den derden dag kwam de opstanding, — en toen heette het: „Wat zoekt gij den Levende bij de dooden? — Hij is opgestaan! Gaat henen naar Galilea!" Zoo dan, b r o e d e r s ! wij z i j n s c h u l d e n a a rs n i e t aan het v l e e s c h , om naar het vleesch te l e v e n , Vers 12. Wat zijn wij menschen toch blind bij al onze kennis, dwaas bij al ons verstand! Datgene, waarin ons heil, onze zaligheid ligt, kunnen wij niet vasthouden, waarin echter de dood voor ons is, daarvan kunnen wij ons niet losmaken, maar grijpen altijd opnieuw daarnaar. Zoo kunnen wij dan niet loskomen van de gedachte, dat wij nog schuldenaars zijn aan het vleesch, dat wij dat nog moeten dienen; telkens komen er weer gedachten in ons op als: „Gij moet dit nog doen, en gij moet dat nog doen, dit nog volbrengen, dat nog bereiken! het gaat toch zoo niet, dat gij u zoo dood, zoo koud, zoo onvruchtbaar als gij zijt, alleen aan Christus, alleen aan de genade houdt!" En dan denken wij er niet aan en kunnen niet gelooven, dat zoodanig bedenken des vleesches, d. i. van den mensch, zooals hij van God afgevallen is, al drijft hij daarbij zijne vroomheid ook op de spits, — dat zoodanig bedenken vijandschap is tegen God; dat wij van het vleesch bevrijd en verlost ziju in den dood van Christus, Die ons vleesch aan het kruis heeft gedragen, zoodat het vleesch ons niet meer te gebieden heeft, naar zijnen wil te leven. Daarom juist zegt de Apostel dit en komt daar telkens op terug — : Z o o dan b r o e d e r s , •— hij stoot hen niet van zich, alsof hijzelf veel hooger stond, maar wekt met deze woorden hun vertrouwen, —• wij zijn schuldenaars niet aan het vleesch, om naar het vleesch te leven, of het bij het vleesch te zoeken; integendeel: i n d i e n gij naar het vleesch l e e f t , zoo z u lt gij s t e r v e n , Vers 13. Wanneer wij dus meenen, schuldenaars te zijn aan het vleesch, om naar zijnen wil te leven, het weder te zoeken in eigen willen, in eigene kracht, dan mogen wij ons inbeelden, het leven te zullen vinden en verkrijgen, het omgekeerde zal echter geschieden: wij zullen sterven. Wat wij bij het vleesch zoeken, dat zullen wij nimmer bij het vleesch vinden. Zoeken wij den Levende niet bij de dooden ! Maar elke zedenleer der menschen, elk systeem, door menschen uitgedacht, om heilig te leven, om eene zedelijke volmaaktheid te bereiken, om zich tot God op te heffen, — alle zelfkastijding en kwelling des vleesches, om van het vleesch verlost te worden, rust op eeneu valschen grond, en is niets anders dan een leven naar het vleesch, — en indien wij naar het vleesch leven, zullen wij sterven; wij zullen allengs het leven verliezen, dat wij in Christus en bij de genade hebben, het verliest zich in dweperij of in huichelarij, ten slotte ook in volslagen onverschilligheid. Maar i n d i e n gij door den Geest de w e r k i n g en des l i c h a a m s d o o d t , zoo z u l t gij leven. Gij denkt wel, dat het dan in den dood gaat, — maar juist zoo krijgt gij deel aan het leven. En dit zijn de werkingen des lichaams, het doen en drijven des vleesches, — hetgeen wij reeds dikwijls hebben besproken: dat het vleesch zichzelf handhaaft, aan eigene gerechtigheid wil vasthouden, eene eigene heiligmaking buiten die, welke in Christus Jesus is, wil verkrijgen, dat het zichzelf eerst wil wasschen en reinigen, voor het tot Christus komt, dat het eerst wil zien en gevoelen, en dan eerst gelooven, dat het voor God wil verschijnen als een heilige en niet als een zondaar eu goddelooze, — als een, die het goed gemaakt heeft, en niet als een, die alles bedorven heeft. Dat zijn de werkingen des lichaams, en die moeten gedood, d. i. aan den dood prijsgegeven worden, als doode werken geacht worden, waarmee de levende God niet gediend wordt. Wel is waar zouden wij deze werkingen des lichaams liever in het leven houden, zouden ze willen koesteren en verzorgen, en het valt ons zwaar, ja schier onmogelijk, om ze te laten varen, liet gaat ons daarbij als Abraham, die de belofte van Izak, d. i van Christus ontving, en nu begon te zuchten: „Och, dat Ismaël, — dus de zoon der dienstmaagd, •— mocht leven voor Uw aangezicht!" Zóó min kunnen wij afstand doen van wat wij doen, wat w i j tot stand brengen, wat wij zullen en moeten, — m. a. w. van deze werkingen des lichaams En toch moeten zij in den dood. Zij worden gedood door den Geest, dat is door tegen alle macht der zonde, die telkens weder het hoofd opsteekt, tegen de verdoemende Wet, tegen de aanklachten des duivels gedurig opnieuw de toevlucht te nemen tot den Heere Jesus Christus, tot Zijne genade, tot Zijn bloed, — de toevlucht te nemen tot Zijn kruis, tot het woord: „Het is volbracht", dat van het kruis werd vernomen. Zoo, zoo alleen zal men leven, leven in het leven Jesu Christi, Die ons beloofd heeft: „Ik leef, en gij zult ook leven".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den brief van Paulus aan de Romeinen Hoofdstuk 8 : 9 — 13.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1892

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken